Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.3.3.2
19.3.3.2 ‘Advisory opinions’
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497124:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Ölcer 2012, p. 34, die wijst op een voorval in de Straatsburgse rechtspraak over het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen. Zij vindt het opvallend dat tien jaar na de uitspraak ter zake in de zaak Visser, de Britse overheid in staat is het EHRM in Al-Khawaja en Tahery te bewegen ten aanzien van lang geleden vastgestelde, lang niet betwiste en – vooral – als belangrijk erkende regels ‘om te gaan’. De Britse Supreme Court had geoordeeld dat de opvatting van het Hof over anonieme getuigen te strikt is. In hun joint partly dissenting and partly concurring opinion stellen de rechters Sajó en Karakaş vast dat het voor het eerst is dat ‘(…) the Court, in the absence of a specific new and compelling reason, has diminished the level of protection. This is a matter of gravest concern for the future of the judicial protection of human rights in Europe.’ In zijn concurring opinion meent rechter Bratza echter dat de uitspraak een goede illustratie is van ‘(...) judicial dialogue between national courts and the European Court on the application of the Convention’.
Art. 5. Verwacht mag worden dat deze adviezen ondanks hun niet-bindende karakter wel gezaghebbend zijn, nu niet waarschijnlijk is dat het Hof het Verdrag anders zal uitleggen in een klachtprocedure.
Art. 4.
Los van uitspraken waarin het EHRM en de hoogste nationale gerechten tot dialoog kunnen komen1, zijn er andere mogelijkheden voor dialoog, waaronder het informeel overleg. Misschien belangrijker is dat Protocol nr. 16 de hoogste nationale gerechten de mogelijkheid biedt om niet-bindende2 adviezen (‘advisory opinions’) te vragen over principekwesties die betrekking hebben op de interpretatie of toepassing van de rechten in het EVRM en de Protocollen daarbij. Verwacht mag worden dat de uitbreiding van de competentie van het Hof om adviezen te geven, de interactie tussen het Hof en de nationale autoriteiten respectievelijk de implementatie van het Verdrag in overeenstemming het subsidiariteitsbeginsel, vooruit zal helpen. Temeer omdat de adviezen zullen worden gemotiveerd. Wanneer die niet (geheel) de unanimiteit van het Hof vertegenwoordigt, dan is elke rechter gerechtigd om een ‘separate opinion’ te geven. De adviezen zullen worden gepubliceerd.3 Dan zal wel blijken of de adviezen bijdragen aan de rechtsontwikkeling en -verfijning in de verdragsstaten; ook met betrekking tot het nemo tenetur-beginsel.