Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.3.3.1
19.3.3.1 Pluralistische verhouding tussen het EHRM en de verdragsstaten
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492325:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gerards 2011.
Dit lijkt (te) absoluut geformuleerd, in die zin, dat zich situaties kunnen voordoen waarin het Hof (absolute) verdragsrechten zal laten prevaleren boven nationale constitutionele waarden die daarmee duidelijk in strijd zijn. Vgl. het verbod op foltering in art. 3 EVRM en het verbod van discriminatie in art. 14 EVRM.
Zie ook Gerards/Fleuren 2013, p. 10 e.v. Schrijvers wijzen erop dat, als nationale rechters welbewust, expliciet en gemotiveerd bezwaren uiten tegen bepaalde EHRM-interpretaties, het Hof daarin meerwaarde ziet. Het nodigt nationale rechters uit om een eigen uitleg aan het EVRM te geven, zelfs als die afwijkt van die in de EHRM-rechtspraak, nu op die manier tot rechtsontwikkeling en verfijning kan worden gekomen.
Gerards wijst erop dat voor zover de kritiek op het EHRM voortkomt uit onvrede over enkele ‘slechte’ of ‘ongewenste’ uitspraken van het Hof, dat niet voldoende is om de positie van het EHRM als zodanig ter discussie te stellen of om te pleiten voor een radicaal andere politieke benadering van het Hof.1 Er is genoeg ruimte om de oordeelsvorming door het Hof in concreet voorgelegde zaken te beïnvloeden. Het Hof is zich ervan bewust dat het voor de implementatie van zijn uitspraken uiteindelijk afhankelijk is van de acceptatie door de nationale autoriteiten, aldus Gerards. Er is sprake van een dialectische of pluralistische verhouding tussen het Hof en de verdragsstaten. Zij kunnen zich actief teweer stellen tegen het Hof door hun eigen constitutionele recht in stelling te brengen, dat wil zeggen de eigen interpretatie van constitutionele waarden te laten prevaleren, ook al vergt het Hof een andere (door de verdragsstaten te volgen) uitleg. Juist door het nationale tegenwicht dat met deze en soortgelijke benaderingen wordt geboden, is het Hof zich terdege ervan bewust dat het zorgvuldig moet opereren en dat het nationale constitutionele waarden moet respecteren.2 Zijn uitspraken worden binnen een dialectisch, pluralistisch systeem anders simpelweg niet geaccepteerd, aldus Gerards.
Gerards wijst er ook op dat het EHRM in de afgelopen decennia mechanismen heeft gezocht en gevonden om vorm te geven aan zijn kant van de dialectische verhouding tot de staten. Waar nodig en mogelijk geeft het ruimte voor eigen invulling. In vrijwel alle zaken waarin sterk van mening kan worden verschild over de juiste uitkomst, laat het Hof een ruime ‘margin of appreciation’ en controleert het de nationale beslissingen marginaal. Het laat daarbij niet na te benadrukken dat de primaire verantwoordelijkheid voor de naleving van uitspraken berust bij de staten en dat die zich in een betere positie bevinden om de noodzaak van inbreuken te beoordelen.3