Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.3.5
10.3.5 Het reële gevaar
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497035:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De motivering waarom het beslag nodig is. Zie paragraaf 5.3.3.4.
Verzoekformulier, onderdeel 8, meer specifiek de vragen 8.1 en 8.2, p. 48 van het voorstel Europees bankbeslag.
Zie de paragraaf 3.2.3, paragraaf 5.2.2 en paragraaf 5.3.4.
Commission Staff Working Paper, p. 73-74.
Bijzondere aandacht wordt besteed aan het verschil in invulling die hieraan gegeven wordt: in België wordt dit uitgelegd als twijfel over de solvabiliteit van de debiteur. Denemarken rekent hiertoe de situatie van mogelijk schade, bijvoorbeeld door op handen zijnde frustratie van de tenuitvoerlegging van de vordering waarvoor beslag is gelegd. In Duitsland rekent men hiertoe een direct gevaar van inbreuk op rechten van de crediteur. In Italië is het bestaan van meerdere crediteuren niet voldoende om aan dit criterium te voldoen.
Ook het rechtsvergelijkend Hess-onderzoek vermeldt op p. 141 onder ‘Policy recommendations’ dat onder exceptionele omstandigheden (hierbij wordt ‘urgency’ expliciet vermeld) een grensoverschrijdende bewarende maatregel ex-parte mag worden afgegeven.Het Groenboek bankbeslag zegt hierover dat de schuldeiser het spoedeisende karakter van de zaak zou moeten aantonen, zoals het reële risico dat bij gebreke van de maatregel de inning van de schuldvordering onmogelijk (cursivering MM) wordt, p. 5.In de reactie op het Groenboek bankbeslag wijst het Europees Parlement erop dat bij verlofverlening een spoedeisend belang moet worden aangetoond (tekst Europees Parlement n.a.v. het Groenboek bankbeslag, onder punt 9).
Nederlandse voorzieningenrechters bleken hier verschillend mee om te gaan: zie paragraaf 5.3.4.
De reden waarom ik deze situatie aanhaal ligt in een (ongepubliceerd) vonnis in een opheffingskortgeding van rechtbank Amsterdam uit 2008. Hierin besloot de voorzieningenrechter tot handhaving van een beslag met als overweging dat de beslagene had aangevoerd dat deze de beslagen gelden nodig had om in zijn levensonderhoud te voorzien. Aldus was er een aanmerkelijke kans dat na het afronden van de bodemprocedure zou blijken dat de beslagene geen verhaal meer zou bieden, aldus de voorzieningenrechter. Zie nader over dit gecompliceerde geschil: Meijsen & Jongbloed 2010b, p. 132.
Van Esch 2011a, p. 307.
Voor de hiermee vergelijkbare Nederlandse situatie van vermelding van motivering waarom beslag nodig is: Meijsen 2011, p. 18.
In het verleden diende vrees voor verduistering in Nederland steeds te worden aangetoond en daarmee een belangrijke grond om opheffing van beslag te vorderen. Zie ook paragraaf 6.4.6. Niet valt in te zien waarom een door de eiser onderbouwde ‘reëel gevaar’ niet een hiermee vergelijkbare rol binnen het Europees beslag zal kunnen gaan vervullen.
Een volgende toepassingsvraag heeft betrekking op de tweede voorwaarde voor uitvaardiging van een EAPO, te weten het reële gevaar dat de beslagene tegoeden op een bankrekening onttrekt aan verhaal. Het gaat daarbij om de omstandigheid dat zonder het uitvaardigen van het bevel de latere tenuitvoerlegging van een bestaande of toekomstige titel jegens de verweerder zal worden belemmerd of wezenlijk moeilijker worden gemaakt (art. 7.1 (b) voorstel Europees bankbeslag). Wanneer is hiervan sprake? Moet worden gedacht aan de naar Nederlands recht bekende ‘vrees voor verduistering’ of gaat het om een breder criterium dat ziet op een motivering waarom het beslag geïndiceerd is in de lijn van de bepalingen in de Beslagsyllabus?1 Het verzoekformulier spreekt over ‘redenen waarom het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen nodig is’, waarbij de eiser de vraag moet beantwoorden of er gevaar bestaat dat de verweerder tegoeden op bankrekening wegneemt, verbergt of daarover beschikt.2 Dit laatste lijkt te duiden op een criterium dat overeenkomt met het Nederlandse ‘vrees voor verduistering’ begrip.3 Uit het Impact Assessment4 blijkt dat bij de inventarisatie van de bestaande regelingen op het gebied van beslag op bankrekeningen binnen diverse lidstaten het criterium van spoedeisendheid wordt beschouwd als een factor die meeweegt bij beoordeling van het risico dat tenuitvoerlegging van een toekomstige voor tenuitvoerlegging vatbare uitspraak in de hoofdzaak wordt bemoeilijkt.5 De tekst van artikel 7.1 (b) voorstel Europees bankbeslag vermeldt echter geen vereiste van spoedeisendheid. Niet duidelijk is of hiermee afstand wordt genomen van meewegen van dit criterium of dat dit geacht wordt (impliciet) deel uit te maken van een reëel gevaar van het wegnemen, verbergen of beschikken over tegoeden door de verweerder.6
Tegoeden op een bankrekening zijn met de huidige stand van de techniek naar hun aard eenvoudig over te boeken of op te nemen. Gaat hier een vergelijking op met de auto die ‘immers’ kan rijden en zo gemakkelijk aan verhaal onttrokken kan worden, waarmee een vrees voor verduistering gegeven is?7 Dan zou de omstandigheid dat een verweerder over meer rekeningen in diverse lidstaten kan beschikken per definitie een groter ‘reëel gevaar’ opleveren dan wanneer deze slechts beschikt over een enkele rekening. Indien er ‘meer voor nodig is’ om te spreken van ‘reëel gevaar’ dan is ook hier de vraag in welke omstandigheden daarvan sprake is. Brengt een normale bedrijfsvoering het risico met zich dat latere tenuitvoerlegging wordt bemoeilijkt of belemmerd? Wat te zeggen van een geldsom die wordt aangewend voor levensonderhoud van de verweerder? Dergelijk vermogen zal immers naar zijn aard met de tijd opgesoupeerd worden.8
Ook Van Esch9 onderkent dat hier aanleiding voor discussie ligt. Hij werpt de vraag op of het enkele feit, dat de schuldenaar weigert een vordering die gegrond lijkt te betalen, voldoende is om aan het criterium te voldoen of dat moet worden aangetoond dat de beslagene een notoire wanbetaler is dan wel eerder gelden heeft weggesluisd. Van Esch meent dat een enkel niet betalen waarschijnlijk onvoldoende is omdat art. 8.2 (f) voorstel Europees bankbeslag voor het reëel gevaar criterium onder art. 7.1 (b) bepaalt dat alle relevante omstandigheden, die het uitvaardigen van een bevel rechtvaardigen, in het formulier van aanvraag moeten worden vermeld. Dit klinkt inderdaad niet geheel onlogisch, en lijkt mij in het kader van de verhouding tussen belangen van beslaglegger en beslagene ook zeker wenselijk, maar maakt daarmee nog niet duidelijk wanneer sprake is van een ‘reëel gevaar’.
Het komt mij voor dat het maken van een beoordeling van het risico van onttrekking van vermogen op bankrekeningen voor een beslaglegger veelal niet eenvoudig en bovendien moeilijk aan te tonen zal zijn.10 Deze zal normaliter immers weinig meer zicht hebben op het bancaire gedrag van de wederpartij dan huidige en eventueel eerdere betaalgedrag. Of er moet sprake zijn van verdergaande betalingsproblemen die inmiddels (enigermate) publiek zijn. Een ‘reëel gevaar’ bepaling zal daarom naar verwachting vooral betekenis hebben in de zin dat de beslaglegger verplicht wordt om aan te geven op grond waarvan een vrees voor verduistering moet worden aangenomen. In de in dit verband aangevoerde stellingen kan een aanknopingspunt voor verweer door de beslagene liggen indien de beweringen van de beslaglegger evident onjuist zijn.11 Men dient zich in dit verband echter wel te realiseren dat de beschikbaarheid van informatie voor het maken van een afgewogen beoordeling cruciaal is. Eenzijdige informatieverstrekking door de eiser die slechts betrekking heeft op het bestaan van de vordering zonder te beschikken over overige gegevens inzake de omstandigheden rond die gepretendeerde vordering (waaronder hetgeen is aangevoerd door de verweerder) maken het praktisch onmogelijk om een afgewogen beoordeling te maken. Een bepalende factor voor de waardering van dit criterium in de praktijk en de invloed op de evenwichtigheid van het voorstel Europees bankbeslag als geheel is daarmee voor een groot deel gelegen in de eisen die aan de verstrekking van informatie voor uitvaardiging van een EAPO worden gesteld. Een verheldering over de bedoeling met de reëel gevaar bepaling is voor een eenvormige toepassing, maar ook voor een goede waardering van de invloed op de werking van waarborgen binnen de eerste pijler, van essentieel belang.