Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.1
5.1 Inleiding
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439124:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Strikwerda (2005), nr. 228; conclusie A-G Franz, onder nr. 11, voor 1-1R 13 februari 1987, NJ1987, 1014 (JCS). Over de rol van art. 6 EVRM in civiele zaken: A. Knigge, Effectieve toegang tot het civiele geding: een onderzoek naar de rechtsingang van de civiele procedure ten overstaan van de Nederlandse rechter en naar het ius standi in iudicio (diss. RUG), Serie civiele procespraktijk, Deventer: W.E.7. Tjeenk Willink 1998 (i.h.b. hoofdstuk 2).
Zie voor het buitenland J.J. Fawcett, 'General Report', in: Fawcett (ed.) (1995), p. 7-8.
Zie bijv. Rb. Arnhem 25 april 1991, NIPR 1991, 326: 'Eiser heeft aangevoerd dat hij deze Rb. heeft geadieerd als forum necessitatis. De Rb. overweegt dat de Nederlandse rechter, hoewel hij geen rechtsmacht kan ontlenen aan verdrag, wet of regels van relatieve competentie, niettemin de zaak ter berechting aan zich zal moeten houden, indien geen buitenlandse rechter bevoegd zou zijn om van de vordering kennis te nemen en partijen het slachtoffer dreigen te worden van een negatief rechtsmachtconflict (`déni de justice'), mits de zaak voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer heeft.' Verder Rb. Arnhem 5 januari 1976, NJ 1976, 445; Ktg. Amsterdam 5 januari 1996, NIPR 1996, 145; Hof 's-Gravenhage 18 juli 1997, NIPR 1997, 303. Vgl. Rb. Rotterdam 6 februari 1967, NJ 1967, 480; Rb. Middelburg 16 september 1981, NJ1983, 425 (JCS); Rb. Middelburg 1 februari 1995, NIPR 1996, 128; Rb. 's-Gravenhage 4 februari 1998, NIPR 1998, 238; Ktg. Amsterdam 27 april 2000, NIPR 2000, 315; Rb. Amsterdam 27 maart 2002, Prg. 2002, 5861.
Vgl. voor `déni de justice'-overwegingen in de Amerikaanse forum non conveniens-leer, par. 8.3.
Zie HR 20 januari 1984, NJ1984, 751 (JCS); IR 13 februari 1987, NJ1987, 1014 (JCS), besproken in par. 2.6.4 resp. 2.6.3.
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 41 (MvT).
In het algemeen is voor de uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter vereist dat de aan hem voorgelegde zaak binding heeft met zijn rechtssfeer. De bevoegdheidsgronden in de commune regeling van art. 1-14 Rv veronderstellen in de regel dan ook het bestaan van enigerlei binding tussen de zaak en de Nederlandse rechtssfeer. Deze binding kan zijn gelegen in bijvoorbeeld de woonplaats of gewone verblijfplaats van een der partijen, de ligging van goederen, de plaats van uitvoering van een litigieuze rechtshandeling of de plaats van het schadebrengende feit. Doorgaans geldt het adagium 'geen binding, geen rechtsmacht'. Dit wordt expliciet tot uitdrukking gebracht in art. 4 lid 3 sub b Rv, op grond waarvan de Nederlandse echtscheidingsrechter zich ten aanzien van het nevenverzoek tot gezag en omgangsrecht forum non conveniens verklaart, indien hij zich wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Er zijn uitzonderingen op het adagium 'geen binding, geen rechtsmacht'. In bepaalde gevallen kan de uitoefening van rechtsmacht nodig zijn, zelfs als de zaak geen of slechts een geringe binding met Nederland heeft. Het betreft uitzonderlijke gevallen waarin de Nederlandse rechter als een noodforum wordt geadieerd, omdat een procedure in het buitenland onmogelijk blijkt of het onredelijk is van de eiser te vergen dat hij zich tot een buitenlands gerecht wendt. In dergelijke gevallen zou de weigering om rechtsmacht uit te oefenen op gespannen voet kunnen komen te staan met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter.1 De Nederlandse rechter verklaart zich dan als forum necessitatis bevoegd.2
Onder 'oud' procesrecht speelde het forum necessitatis als bevoegdheidsgrondslag ook een rol. Ofschoon een uitdrukkelijke wettelijke regeling ontbrak, zijn genoeg gevallen bekend waarin de Nederlandse rechter in commune gevallen rechtsmacht aanneemt als forum necessitates.3 Onder 'oud' procesrecht was het forum necessitatis nauw verweven met het forum non conveniens van art. 429c Rv oud. Het forum necessitatis gaf als het ware de ondergrens van het forum non conveniens aan. De Nederlandse rechter, gesteld voor de vraag of het forum non conveniens was in de zin van art. 429c Rv oud, zag ervan af om zich onbevoegd te verklaren indien zulks ertoe leidde dat de verzoeker verstoken zou blijven van rechtsbedeling (`déni de justice').4 Mitsdien werd het verzoek geacht voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer te hebben. De Nederlandse rechter verklaarde zich dan niet tot een forum necessitatis, maar het forum necessitatis bepaalde wel de uitkomst van de forum non conveniens-toets.5 Met de inwerkingtreding op 1 januari 2002 van de nieuwe regeling inzake de commune rechtsmacht is een einde gekomen aan de verwevenheid tussen het forum necessitatis en het forum non conveniens. Het forum necessitatis bepaalt niet langer de uitkomst van de forum non conveniens-toets, maar is als afzonderlijke bevoegdheidsgrond in twee verschillende vormen te vinden in art. 9 sub b en c Rv. Deze bepaling dient als aanvulling op art. 2-8 Rv en biedt een onmisbaar tegenwicht ten opzichte van de vrij strakke regels in art. 2, 3 en 6 Rv. Volgens de Memorie van Toelichting bestaat aan het forum necessitatis te meer behoefte nu het forum actoris in dagvaardingsprocedures als basis voor de rechtsmacht is komen te vervallen (art. 126 lid 3 Rv oud).6
De forum necessitatis-regeling in art. 9 sub b en c Rv vormt het onderwerp van dit hoofdstuk. Verschillende facetten van het forum necessitatis komen aan de orde, waaronder de verhouding van het forum necessitatis tot de overige bevoegdheidsgronden uit het Nederlandse commune recht. Verder wordt aandacht besteed aan de verschillen tussen de absolute (art. 9 sub b Rv) en relatieve (art. 9 sub c Rv) vorm van het forum necessitatis. Ten slotte wordt, mede aan de hand van rechtspraak, geillustreerd in welke gevallen de Nederlandse rechter zich als forum necessitatis bevoegd kan verklaren.