Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.5.1.1
7.5.1.1 Aan uitkeringen kan een uitsluitingsclausule worden verbonden
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232478:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Klaassen/Luijten & Meijer I 2005/170; A.R de Bruijn e.a., Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Kluwer 2012/III.32.
Zie ook A.L.G.A. Stille, ‘(On)gemene vruchten en de uitsluitingsclausule in het nieuwe erfrecht’, WPNR 2005/6618. Omdat de vruchten niet werden genoemd in de voorloper van het huidige artikel 1:94 lid 4 BW, kon de uitsluitingsclausule volgens Stille niet van toepassing zijn vanwege het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen (artikel 4:42 BW) op de vruchten. Sinds de wetswijziging van 1 januari 2012 bepaalt de wet uitdrukkelijk dat ook de vruchten onder de uitsluitingsclausule vallen, Wet van 18 april 2011 tot wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen), Stb. 2011, nr 205. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/295.
Ook aan legaten wordt deze eis niet gesteld, Handboek Erfrecht, F.W.J.M. Schols 2015/VII.2.1.
Klaassen-Luijten-Meijer I 2005/173.
Vgl. ook Hof Amsterdam 24 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1989, EB 2016/78, dat ten aanzien van een uitsluitingsclausule oordeelde: ‘Het hof stelt voorop dat aan het bestaan en de kenbaarheid van een uitsluitingsclausule hoge eisen dienen te worden gesteld, nu een dergelijk beding zich niet enkel uitstrekt over de direct betrokkenen, maar ook – in het kader van verhaal en uitwinning – aan derden moet kunnen worden tegengeworpen.’
Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden ten aanzien van de werking van artikel 1:141 lid 3 BW. Als een echtgenoot niet kan aantonen dat een goed is verkregen krachtens erfrecht onder toepassing van artikel 1:136 BW, wordt dit goed vermoed verkregen te zijn uit overgespaard inkomen en niettegenstaande de uitsluitingsclausule in de verrekening betrokken.
Zoals gebleken in hoofdstuk 5, beschouw ik uitkeringen gedaan door de bij dode opgerichte stichting ter nakoming van het doel van de stichting, als lastbevoordelingen. Aan lastbevoordelingen kan een uitsluitingsclausule worden verbonden.1 De uitsluitingsclausule rust ook op het rendement van het vermogen (de vruchten, artikel 1:94 lid 4 BW).2
Naar mijn mening kan de uitsluitingsclausule ook rusten op uitkeringen voldaan uit vermogen dat de stichting gedurende haar bestaan door anderen dan de erflater ontvangt. Voor de uitsluitingsclausule is niet van belang of het uit de nalatenschap verkregen vermogen afkomstig is van de erflater, maar of de uitkering geïnitieerd wordt door het erfrecht. Aan een lastbevoordeling wordt nimmer de eis gesteld dat het ten gevolge van de bevoordeling verkregen vermogen, uit het vermogen van de erflater afkomstig dient te zijn.3
Het is wel van belang dat de ontvanger van de uitkering weet dat op de uitkering een uitsluitingsclausule van toepassing is en tevens of deze uitsluitend goederenrechtelijk of ook obligatoir werkt.4 De kans bestaat dat de stichting verzuimt het bestaan van de uitsluitingsclausule mede te delen aan de begunstigde. In dat geval rust naar mijn mening op de uitkering de uitsluitingsclausule, maar kan deze niet aan derden worden tegengeworpen die daarvan onkundig waren. Tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:94 lid 8 BW de uitsluitingsclausule wel indien de echtgenoot die de uitkering ontving kan bewijzen dat de uitsluitingsclausule van toepassing was.5 Ter rechtvaardiging hiervan kan gelden dat het handelen van de lastbezwaarde in de risicosfeer ligt van de erflater.6