Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.4.1:5.4.1 Een remedie moet effectief zijn
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.4.1
5.4.1 Een remedie moet effectief zijn
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955458:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), rov. 136. Zie ook par. 3.3.2.1.
HvJ EU 16 juli 2015, C-580/13, ECLI:EU:C:2015:485 (Coty Germany), rov. 41; HvJ EU 8 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 51-52.
HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 62.
Par. 3.3.2.1 en 3.4.1.1 sub (i).
Husovec & Peguera, IIC 2015, afl. 1, p. 10, 18 en 32.
Zie par. 4.2.4.
Zie ook Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 391.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorwaarden van doeltreffendheid en afschrikkende werking vormen samen een uitwerking van het nuttig effect (effet utile) van de Handhavingsrichtlijn: het waarborgen van een hoog, gelijkwaardig en homogeen niveau van bescherming in de interne markt.1 Het beginsel van geschiktheid vereist dat een maatregel voldoende doeltreffend is om een effectieve bescherming te verzekeren van het recht op intellectuele eigendom. Aan deze voorwaarde is in ieder geval niet voldaan als een van deze grondrechten in de kern wordt geraakt, bijvoorbeeld omdat de vaststelling van een inbreuk of de identificatie van de inbreukmaker onmogelijk wordt gemaakt.2 Aan preventieve remedies, zoals een rechterlijk bevel of verbod, stelt het Hof de voorwaarde dat ze verdere inbreuken verhinderen of minstens bemoeilijken.3 De rechtspraak van het Hof bevat dus een duidelijke resultaatsverplichting: de lidstaten moeten voorzien in remedies waarmee het materiële recht daadwerkelijk en doeltreffend kan worden gehandhaafd.4
In de literatuur is discussie ontstaan over de hoogte van de door het Hof geformuleerde effectiviteitsstandaard. Husovec en Peguera hebben betoogd dat deze standaard rechterlijke instanties onvoldoende in staat stelt om de kosten en baten van een specifieke maatregel in overweging te nemen. Volgens de auteurs is een hogere effectiviteitsstandaard noodzakelijk om ineffectieve maatregelen te filteren.5 Hoewel een dergelijke aanpassing zonder twijfel bijdraagt aan een efficiënte rechtsbedeling, missen argumenten van de auteurs overtuigingskracht. Allereerst volgt uit het hanteren van een lage effectiviteitsstandaard niet noodzakelijkerwijs dat er bij de toewijzing van een specifieke maatregel geen ruimte is voor een kosten-batenanalyse. Zulke aspecten kunnen – en moeten – worden meegenomen bij de belangenafweging die onderdeel uitmaakt van de toetsing van evenredigheid in strikte zin.6 Bovendien kleven aan een hoge effectiviteitsstandaard ook nadelen. Zoals de discussie over blokkeringsmaatregelen illustreert, hebben remedies met een hoge effectiviteit doorgaans ingrijpendere gevolgen voor andere belangen. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat een relatief ineffectieve maatregel in bepaalde omstandigheden de meeste redelijke is, ook al leidt hij niet tot een volledige beëindiging van inbreuken.7 In dat licht is de introductie van een versterkte effectiviteitstoets niet alleen onnodig, maar ook onwenselijk.