Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.1:2.1 Inleiding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588620:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
29. In dit eerste deel geef ik enkele verkennende en voorbereidende beschouwingen waarop ik in de volgende delen zal voortbouwen. Het onderhavige hoofdstuk is rechtshistorisch van aard. In hoofdstuk 3 betoog ik dat het onderscheiden van het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste ongelukkig is. In hoofdstuk 4 bespreek ik de heersende opvattingen over de toerekening van schade en zal ik die opvattingen deels bestrijden.
30. In dit hoofdstuk beschrijf ik het kronkelige pad van de ontwikkeling van het recht – beter is wellicht te zeggen: van de ontwikkeling van ons inzicht in het recht – dat onderwerp is van dit boek. De beschrijving laat ik eind negentiende eeuw aanvangen en tot het heden doorlopen. Het doel hiervan is te laten zien hoe ons recht is geworden zoals het nu is en in het bijzonder te laten zien om welke redenen de wetgever bij het ontwerp van het huidige burgerlijk wetboek bepaalde keuzen heeft gemaakt. Inzicht hierin is van belang vooral om de in dit wetboek neergelegde dogmatische structuur en de toepasselijke beslissende criteria te kunnen plaatsen en op waarde te kunnen schatten. Tevens beoog ik met dit hoofdstuk enkele oudere theorieën te introduceren waar ik in latere hoofdstukken op zal voortbouwen. Voorts bespreek ik op hoofdlijnen de laatste stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad.
31. Ik vang aan met een beschrijving van de hier relevante regelingen in het burgerlijk wetboek van 1838 en de wijze waarop zij aan het einde van de negentiende eeuw werden geïnterpreteerd (§ 2.2). Vervolgens beschrijf ik waarom en hoe een bijzondere interpretatie van de in Duitsland ontwikkelde leer van de adequate veroorzaking bij ons heersend werd (§ 2.3) en het inzicht doorbrak dat deze leer met causaliteit weinig te maken had (§ 2.4). De ontwikkeling van de relativiteitsleer en enkele andere theorieën over de begrenzing van aansprakelijkheid beschrijf ik daarna (§ 2.5). Tegen de achtergrond van deze voorgeschiedenis bespreek ik het driemanschapsontwerp voor het nieuwe burgerlijk wetboek (§ 2.6). Vervolgens ga ik in op de ontwikkeling in de literatuur en de rechtspraak die ertoe leidde dat de leer van de redelijke toerekening heersend werd (§ 2.7). Het laatste deel van het wetgevingsproces, dat voerde tot het huidige art. 6:163 BW en art. 6:98 BW, komt daarna aan bod (§ 2.8). Vervolgens bespreek ik op hoofdlijnen de interpretatie die de Hoge Raad aan deze bepalingen heeft gegeven (§ 2.9). Ik sluit af met samenvatting (§ 2.10).