Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/4.8
4.8 Ingrepen na besluitvorming
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196967:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 27 januari 2000, ECLI:NL:GHAMS:2000:AG3812 (Skygate).
De Hoge Raad spreekt over schorsing van het besluit en in de literatuur wordt de beslissing van de Ondernemingskamer ook zo aangeduid, HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138 (Skygate). Het dictum van de Ondernemingskamer luidt: “schorst … de uitvoering van het besluit”.
OK 22 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BG9334, ARO 2007/102.
OK 4 juli 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2476 (HBG). Deze zaak wordt in hfdst. 8 ook besproken. Daarom volgt hier een wat uitvoeriger weergave van de casus. HBG ontplooide bouwactiviteiten en, in haar dochtervennootschap HAM, baggeractiviteiten. Fusiebesprekingen met Boskalis waren beëindigd zonder fusie. Daarna bracht Boskalis een bod uit op de aandelen in HBG’s dochtervennootschap HAM. De algemene vergadering van aandeelhouders van HBG voelde voor het bod, maar HBG wilde zich concentreren op bundeling van de activiteiten van HAM met die van Ballast Nedam. Sommige aandeelhouders van HBG hadden daar ernstige bedenkingen tegen. Heijmans wilde haar bouwactiviteiten samenvoegen van met die van HBG, maar wilde pas een definitief bod uitbrengen als vaststond Boskalis HAM van HBG zou overnemen. HBG, HAM en Ballast Nedam gingen een samenwerkingsovereenkomst aan. Die hield in dat Ballast Nedam haar baggeractiviteiten zou inbrengen in HAM tegen uitgifte aan Ballast Nedam van aandelen in het kapitaal van HAM. Heijmans en Boskalis stonden daarmee buitenspel. Op dat punt van de overnamestrijd werd de Ondernemingskamer geadieerd door een aantal aandeelhouders van HBG (vgl. nt. 10 bij 1.1). Een enquête werd gelast. De Ondernemingskamer oordeelde dat HBG de algemene vergadering van aandeelhouders onvoldoende inzicht had gegeven in de beweegredenen voor en onvoldoende had betrokken in de besluitvorming die leidde tot de samenwerkingsovereenkomst met Ballast Nedam en zij plaatste vraagtekens bij de inhoud van het besluit.
Overwogen werd dat indien in de tweede fase wanbeleid van HBG vastgesteld zou worden, dat waarschijnlijk geen gevolgen meer zou kunnen hebben als de afspraken tot samenwerking intussen in daden waren omgezet. Zie over de onmiddellijke voorziening ook 8.5.3.
[155] Indien voltooide besluitvorming aan de rechter wordt voorgelegd, komt het voor dat de rechter een stokje steekt voor uitvoering van het besluit. Het zijn relatief zeldzame beslissingen. Ingrepen na besluitvorming zijn voor het onderhavige onderzoek een interessante categorie. Als de gewraakte besluitvorming heeft geleid tot contractuele verplichtingen van de rechtspersoon, kan de onmiddellijke voorziening in conflict komen met zo’n verplichting.
Een besluit van een algemene vergadering van aandeelhouders werd geschorst in de zaak Skygate.1 Het besluit strekte tot uitgifte van aandelen in het kapitaal van de holding ter financiering van werkmaatschappij Skygate B.V., waarvan de holding 90% van de aandelen hield. De Ondernemingskamer overwoog dat onvoldoende zeker was of het besluit rechtsgeldig tot stand was gekomen en of de ene aandeelhouder wel bereid en in staat was om in de financieringsbehoefte te voorzien op de wijze als in het besluit was neergelegd. Het besluit werd geschorst “voor zover moet worden aangenomen dat het besluit rechtsgeldig tot stand is gekomen”.2
Bij Micam ging het om een besluit van de prioriteitsaandeelhouders. Micam hield alle aandelen in Akkerbouw. De vergadering van prioriteitsaandeelhouders van Micam, bestaande uit vier broers, besloot tot goedkeuring van de verkoop van die aandelen, met een stem tegen. In het bestuur van Micam had nog geen besluitvorming plaatsgevonden. De Ondernemingskamer schorste het goedkeuringsbesluit van de prioriteitsaandeelhouders en verbood de beide vennootschappen iedere verdere (uitvoering van) besluitvorming over verkoop van aandelen of de onderneming.3
Ook een besluit van het bestuur van een rechtspersoon kan geschorst worden. Dat kan natuurlijk slechts effect hebben als het besluit nog niet is uitgevoerd. Zo’n besluit wordt soms echter pas door (een begin van) uitvoering ervan kenbaar voor degenen die niet tot het besluitvormende orgaan behoren. Zo’n partij verzoekt wel eens de (verdere) uitvoering van een besluit te verbieden. In de zaak HBG werd verzocht om bij wijze van onmiddellijke voorziening een besluit van HBG tot het aangaan van een samenwerkingsovereenkomst te vernietigen, dan wel de verdere uitvoering van dat besluit te schorsen.4 Het besluit was in zoverre al uitgevoerd, dat de overeenkomst was aangegaan. Het dictum luidt “Verbiedt bij wijze van onmiddellijke voorziening en voor de duur van het geding HBG aan de …. aangegane joint venture/samenwerking (verder) uitvoering te geven”.5 Het uitvoeren van de overeenkomst die ter uitvoering van het besluit was aangegaan werd dus verboden.