Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.5.2
6.5.2 D Group-Schreurs: feitencomplex en procesverloop tot aan Hoge Raad
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS302485:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Mr. C.G.A. Mattheusens.
Vgl. Parijs 2011.
Rechtbank Roermond 27 september 2001 en 9 juni 2004, niet gepubliceerd.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 april 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:CA1181 (D Group/ mr. Schreurs q.q.).
Zie arresten d.d. 28 april 2009 en 21 juni 2009 (herstelarrest).
R.o. 11.38.1-11.38.3.
Vgl. r.o. 11.38.4 en 11.40.1.
R.o. 11.7.
R.o. 11.7.2 en 11.7.5.
Zie onderdeel 1.2 van het principale cassatiemiddel.
De Wet conflictenrecht corporaties is overgebracht naar Boek 10 BW bij Wet van 19 mei 2011 tot vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) BW (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek), Stb. 2011, 272, inwerkingtreding op 1 januari 2012 krachtens Besluit van 28 juni 2011, Stb. 2011, 340.
Gedoeld wordt op r.o. 11.7.9-11.7.11.
Hieronder geef ik de casus van het arrest D Group-Schreurs verkort weer.
D Group Europe N.V. (“D Group”) is een in België gevestigde vennootschap naar Belgisch recht. D Group is bestuurder en aandeelhouder van D Freight Group B.V. (“DFreight”), een in Nederland gevestigde vennootschap naar Nederlands recht. D Freight is op haar beurt bestuurder en aandeelhouder van vier in Nederland gevestigde vennootschappen naar Nederlands recht, Weys Logistic B.V, VIT Freight Service B.V., Techno ‘D’ Service B.V., en
Polisol B.V. Op 4 en 5 maart 1999 zijn Weys Logistic B.V., VIT Freight Service B.V. en Techno ‘D’ Service B.V. in staat van faillissement verklaard. Mr. Ph. W. Schreurs is als curator aangesteld in de betreffende drie faillissementen. Aan D Freight is eerst (voorlopige) surseance van betaling verleend, maar later is ook deze vennootschap in staat van faillissement verklaard. In laatstgemeld faillissement is een ander dan mr. Schreurs als curator aangesteld.1 Curator mr. Schreurs stelt tweedegraads bestuurder D Group primair op grond van artt. 2:248 lid 2 BW in verbinding met artt. 2:10 en 2:394 BW en subsidiair op grond van artt. 2:248 lid 1 BW aansprakelijk voor het tekort in de betreffende faillissementen. Hij vordert van D Group voldoening van het bedrag van de tekorten van de failliete boedels en een voorschot op het bedrag van de tekorten.2 De curator stelt dat D Group op grond van verscheidende feiten en omstandigheden – waaronder het niet voldaan hebben aan de verplichtingen ex artt. 2:10 en 2:394 BW – haar taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, hetgeen een belangrijke oorzaak van de faillissementen is geweest. De curator stelt eveneens een vordering in tegen de natuurlijk persoon die bestuurder was van D Group. Die persoon is echter tijdens de procedure overleden. Om die reden heeft de curator de zaak tegen hem beëindigd. D Group verweert zich door te stellen dat de faillissementen veroorzaakt zijn door de beëindiging van kredietfaciliteiten door ING Bank N.V.
Art. 2:248 lid 1 BW bepaalt dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders voor de boedelschuld ingeval het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Art. 2:248 lid 2 BW bevat een wettelijk vermoeden: wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van art. 2:10 BW (administratieplicht) of art. 2:394 BW (plicht tot tijdige publicatie van de jaarrekening) wordt aangenomen dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dat is een onweerlegbaar bewijsvermoeden. Het bestuur kan wel tegenbewijs leveren tegen het verband dat vermoed wordt te bestaan tussen het onbehoorlijke bestuur en het faillissement. Dat tegenbewijs kan geleverd worden door aan te tonen dat het faillissement is veroorzaakt door andere oorzaken.
De Rechtbank Roermond oordeelt dat D Group aansprakelijk is op de voet van art. 2:248 lid 2 (in verbinding met lid 1) BW.3 De rechtbank wijst de vorderingen van de curator (grotendeels) toe. Er is volgens de rechtbank sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur in verband met het niet voldoen aan de verplichtingen ex artt. 2:10 jo. 2:394 BW. De opzegging van de kredieten door ING Bank N.V. was – aldus de rechtbank – een gevolg van het onbehoorlijk bestuur, doch niet de oorzaak van de faillissementen. D Group gaat in hoger beroep. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch4 vernietigt beide vonnissen van de rechtbank d.d. 27 september 2001 en 9 juni 2004.5 Het Hof wijst de vorderingen van de curator in verband met het faillissement van Weys Logistic B.V. toe. Ten aanzien van die vennootschap is sprake geweest van handelen dat als onbehoorlijk bestuur moet worden aangemerkt en waarvan aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. D Group heeft namelijk meegewerkt aan de vervreemding van een aan D Freight in eigendom toebehorende onroerende zaak aan haar dochtervennootschap Polisol B.V. voor een koopprijs die ver onder de reële marktwaarde lag. Het verschil tussen die reële marktwaarde en de koopprijs is daardoor voor Weys Logistic B.V. verloren gegaan. Die opbrengst was van groot belang om de structureel verliesgevende activiteiten van die vennootschap te saneren en te herstructureren.6 Het Hof heeft D Group niet geslaagd geacht in het leveren van tegenbewijs (inhoudende dat er geen oorzakelijk verband zou zijn tussen de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement van Weys Logistic B.V.). D Group wordt veroordeeld tot vergoeding van het tekort in het betreffende faillissement op grond van artt. 2:248 lid 1 jo. 2:11 BW. Het Hof wijst het overigens gevorderde af.7
Ten aanzien van art. 2:11 BW overweegt het Hof dat – ook al is de vordering tegen de statutair bestuurder van de Belgische vennootschap D Group niet meer aan de orde – toch zijn positie en die van D Group besproken dienen te worden teneinde te bezien of de curator met recht aanspraken tegen D Group geldend zou kunnen maken. Art. 2:11 BW leidt er volgens het Hof toe dat D Group – die niet rechtstreeks, maar “via” D Freight bestuurder was van Weys Logistic B.V, VIT Freight Service B.V. en Techno ‘D’ Service B.V. – aansprakelijk kan zijn ex art. 2:248 BW. Aldus doorbreekt art. 2:11 BW volgens het Hof tot op zekerehoogte de regel dat een bestuurder niet aansprakelijk is voor fouten van de rechtspersoon waarvan de aangesproken persoon bestuurder is. D Group heeft– aldus het Hof – verdedigd dat art. 2:11 BW niet van toepassing is op de verhoudingen tussen haar (als Belgische rechtspersoon) en haar bestuurders. De vraag of tegen die achtergrond de statutair bestuurder van D Group met toepassing van art. 2:11 BW aansprakelijk zou kunnen worden gehouden, is echter niet meer relevant. De zaak tegen hem is namelijk ingetrokken. Bij de vraag of D Group met toepassing van art. 2:11 BW aansprakelijk zou kunnen zijn, is volgens het Hof van belang dat D Freight een Nederlandse vennootschap is en dat de toepasselijkheid van art. 2:11 BW samenhangt met de vennootschapsrechtelijke verhoudingen tussen D Group enerzijds en haar dochter D Freight en haar kleindochters Weys Logistic B.V, VIT Freight Service B.V. en Techno ‘D’ Service B.V. anderzijds. Die verhoudingen spelen zich geheel in de Nederlandse rechtssfeer af. Bij die stand van zaken valt – aldus het Hof – niet in te zien waarom de enkele omstandigheid dat D Group een buitenlandse (Belgische) rechtspersoon is, aan toepasselijkheid van art. 2:11 BW in de weg zou staan. Daarmee wordt op geen enkele wijze ingegrepen in de vennootschapsrechtelijke verhoudingen tussen de Belgische rechtspersoon D Group en haar bestuurders.8 Het Gerechtshof stelt met andere woorden dat D Group als bestuurder van D Freight, die op haar beurt weer bestuurder is van onder meer Weys Logistic B.V. aansprakelijk kan zijn via art. 2:11 BW. De enkele omstandigheid dat D Group een buitenlandse rechtspersoon is, staat niet aan toepasselijkheid van art. 2:11 BW in de weg. In de vennootschapsrechtelijke verhoudingen tussen D Group en haar bestuurders wordt niet ingegrepen. D Group gaat in cassatie. D Group voert een rechts- en motiveringsklacht aan tegen het oordeel van het Hof9 dat D Group met toepassing van art. 2:11 BW aansprakelijk kan zijn en dat de enkele omstandigheid dat D Group een buitenlandse (Belgische) rechtspersoon is, niet aan toepasselijkheid van art. 2:11 BW in de wet staat.10
Volgens het cassatiemiddel is art. 2:11 BW niet van toepassing op buitenlandse rechtspersonen die in Nederland als bestuurder van een rechtspersoon optreden. Het incorporatiebeginsel staat daaraan volgens het betreffende cassatiemiddel in de weg. Dat beginsel houdt volgens het cassatiemiddel (onder meer) in dat de aansprakelijkheid van bestuurders van de corporatie zich richt naar het op die corporatie toepasselijke recht. Dat betreft het recht van de staat op wiens grondgebied die corporatie is gevestigd en naar welks recht de corporatie is opgericht (vgl. voormelde artt. 2 en 3 Wcc (oud)).11 Dat geldt ook voor de aansprakelijkheid van de rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon via art. 2:11 BW. Het oordeel van het Hof dat art. 2:11 BW ertoe leidt dat D Group als buitenlandse rechtspersoon aansprakelijk kan zijn ex art. 2:248 BW is derhalve – volgens het cassatiemiddel althans – niet juist. Evenzeer onjuist is volgens het cassatiemiddel de overweging van het Hof dat met de toepasselijkheid van art. 2:11 BW op geen enkele wijze wordt ingegrepen in de vennootschapsrechtelijke verhoudingen tussen de Belgische rechtspersoon D Group en haar bestuurders. Het Hof heeft in dit verband – volgens het middel – miskend dat de vennootschappelijke verhoudingen tussen D Group en haar bestuurders ingevolge artt. 2 jo. 3 Wcc (oud) worden beheerst door het Belgische recht hetgeen het Hof verderop in zijn arrest wel lijkt te erkennen.12 Voor zover het Hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel innerlijk tegenstrijdig ofwel anderszins onbegrijpelijk – aldus het middel – nu zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de toepasselijkheid van art. 2:11 BW geen inbreuk vormt op de door het Belgische recht beheerste vennootschapsrechtelijke verhoudingen tussen de Belgische rechtspersoon D Group en haar bestuurders.