Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.6.3.2
2.6.3.2 Minder terughoudendheid
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661342:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Van de Sande 2019, p. 252. ‘Behoudens contra-indicaties die voortvloeien uit de overige omstandigheden van het geval,’ aldus Van de Sande, ‘valt dan ook niet in te zien dat de burger op basis van het enkele ongerichte karakter van de informatie al rekening moet houden met de mogelijke onjuistheid daarvan.’
Schlössels e.a. 2019, 2019/1021.
Scheltema 1984, p. 547. Bovendien, zo waarschuwt Scheltema, is dat de overheid dan maar beperkt met de nadelen van (te) complexe regelgeving wordt geconfronteerd. Zie ook Schlössels 2011, par. 2.5.2.
Van de Sande 2014, p. 195.
Zie Barendrecht e.a. 2002, p. 37-38. Dat ligt volgens hen anders als de informatie is voorzien van een voorbehoud en/of niet ondubbelzinnig is.
Scheltema 2019a, par. 9. Zie ook Damen 2018 en de behandelde ‘stories’.
Schlössels e.a. 2019, 2019/1021.
Voor minder terughoudendheid bij het aannemen van aansprakelijkheid van de overheid bij algemene, ‘ongerichte’ informatie pleiten de volgende argumenten:
Argument van de vereiste kwaliteit van voorlichting: juistheid
De aan voorlichting te stellen kwaliteitseisen pleiten voor een minder terughoudende opstelling. Volgens Van de Sande zijn argumenten die pleiten voor een terughoudende opstelling bij het aannemen van aansprakelijkheid – die met name zien op de algemene, en dus in juridisch opzicht onvolledige aard van informatie – niet aan de orde als het gaat om onjuistheid van die informatie. In dat kader houdt zijn redenering in dat het ongerichte karakter van de informatieverstrekking ‘in het geheel geen matigende invloed [zou] moeten hebben op de aansprakelijkheid van de overheid voor het verstrekken van onjuiste informatie, voor zover die informatie niet tevens onvolledig is. Het ongerichte karakter doet weliswaar afbreuk aan de eisen die mogen worden gesteld aan de volledigheid van de informatie, maar heeft geen invloed op de eisen ten aanzien van de juistheid daarvan.’1 Schlössels e.a. achten bij onjuiste algemene informatie eveneens het gezichtspunt van het ongerichte karakter minder relevant, waardoor aansprakelijkheid volgens hen in zoverre op minder bezwaren stuit.2 Dat ligt in het belastingrecht niet anders: voorlichting hoort juist te zijn (paragraaf 2.5).
Argument van de zorgvuldigheidsprikkel
Scheltema wijst er in de context van het vertrouwensbeginsel op dat niet-gebondenheid van het bestuur aan door de overheid gemaakte fouten ertoe leidt dat bestuursorganen niet daarvoor zouden hoeven in te staan: ‘Dat betekent op zichzelf al, dat er nauwelijks een prikkel binnen de bestuursorganisatie ontstaat om dergelijke fouten in het vervolg te vermijden: men is toch aan de consequenties ervan niet gebonden.’3 Een argument dat pleit voor een minder terughoudende koers ligt dus in een zorgvuldigheidsprikkel voor de overheid. Bovendien kan een terughoudende koers bij het aannemen van aansprakelijkheid van de overheid een averechts effect hebben op de kwaliteit. Zo meent Van de Sande dat als de overheid niet of weinig wordt geprikkeld om juiste informatie te verstrekken, het mogelijk is dat zij ‘weinig zorgvuldigheid aan de dag legt bij het samenstellen van haar website of brochure. Dit brengt het gevaar met zich van meer fouten, waardoor de mogelijkheid bestaat dat de burger het vertrouwen in overheidsvoorlichting verliest.’4 Ook in het belastingrecht vormt de huidige risicoverdeling die het risico van onjuiste voorlichting in beginsel bij de burger legt op zichzelf geen prikkel voor de Belastingdienst om goede voorlichting te geven (paragraaf 4.3).
Het ‘eigen product’
Voorlichting kan betrekking hebben op o.a. (de inhoud van) het eigen beleid of op wet- en regelgeving van de overheid. Barendrecht e.a. menen dat het dan gaat om ‘een eigen ‘product’ van de overheid en burgers mogen er in beginsel – zonder nader onderzoek – van uitgaan dat de daarover verstrekte informatie juist en volledig is.’5 Dat pleit voor minder terughoudendheid.
Argument van betrouwbaarheid en geloofwaardigheid
In de literatuur wordt bovendien gewezen op het argument dat het ontbreken van aansprakelijkheid voor informatie afbreuk doet aan betrouwbaarheid van de overheid. Volgens Scheltema dient het recht – ook bij informatieverstrekking – te zorgen voor een ‘betrouwbare overheid’, terwijl een terughoudende toepassing van het vertrouwensbeginsel daarmee niet in lijn is.6 Bovendien pleit voor een minder terughoudende opstelling dat niet-gebondenheid afdoet aan de geloofwaardigheid van de overheid. Schlössels e.a. nuanceren het in de fiscale rechtspraak genoemde belang van de voorlichtende taak als argument voor niet-binding van de Belastingdienst aan zijn voorlichting, en waarschuwen dat de overheid ‘haar voorlichtende taak evenmin doeltreffend uitoefenen als zij nauwelijks op de verschafte informatie kan worden aangesproken. Die verliest dan op den duur aan geloofwaardigheid.’7
Opvallend is dat de argumenten die pleiten voor méér terughoudendheid in de gebondenheid van de overheid aan haar voorlichting met name praktisch en financieel van aard zijn, terwijl de argumenten die pleiten voor minder terughoudendheid met name principieel van aard zijn en zien op de autoriteit van de overheid en de verhouding met de burger. Bij de behandeling van de fiscale rechtspraak ga ik nader in op de argumentatie bij de voorlichtingsjurisprudentie (paragraaf 4.3.2) en op de houdbaarheid daarvan (paragraaf 4.7, 7.3).