Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/2.4.6.4
2.4.6.4 Aankondiging van een inhoudelijke motie in de agenda
1
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649638:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Delen van deze paragraaf komen (letterlijk) uit mijn annotatie bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, Ondernemingsrecht 2019/18, m.nt. E.J. Breukink (Boskalis/Fugro).
Vgl. punt 4.59 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
Aangenomen mag worden dat voor de in art. 2:224a BW bedoelde kapitaalverschaffers hetzelfde geldt.
HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.7. Zie ook HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7970, JOR 2007/178, m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO) r.o. 4.3-4.4, HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, JOR 2010/228, m.nt. Van Ginneken (ASMI) r.o. 4.4.1 en HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1486, JOR 2003/57, m.nt. Nieuwe Weme (HBG) r.o. 6.4.2.
Vgl. punt 4.60 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31746, 7 (Nota n.a.v. het verslag), p. 11. Als voorbeelden van te weigeren agenderingsverzoeken noemt de minister het verzoek dat ziet op agendering van een onderwerp dat in geen enkele verhouding staat tot de activiteiten van de onderneming en het verzoek dat ziet op agendering van een zodanige reeks van onderwerpen dat aannemelijk is dat de vergaderorde zal worden verstoord. Hierover verder par. 6.3.2.4.
Vgl. Nowak in punt 12 van zijn noot onder Rechtbank ’s-Gravenhage 17 maart 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:3452, JOR 2015/135, m.nt. Nowak (Boskalis/Fugro) en in punt 8 van zijn noot onder Gerechtshof ’s-Gravenhage 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1531, JOR 2016/181 m.nt. Nowak (Boskalis/Fugro); Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 264. Zie ook Peters & Eikelboom 2015, p. 409-410, volgens wie, zo begrijp ik het, in de agenda ook al kan worden aangekondigd dat een motie in stemming zal worden gebracht. Dit standpunt is mijns inziens niet juist.
Een andere vraag is of het bestuur ten aanzien van een bespreekpunt dat de strategie betreft de responstijd kan inroepen. Van Bekkum & Stoppels2016, p. 263 schrijven dat dat niet kan omdat een bespreekpunt an sich niet kan leiden tot een ‘wijziging van de strategie van de vennootschap’ als bedoeld in best practice bepaling 4.1.6 CGC. Ik merk hier slechts op dat in theorie alles (indirect) kan leiden tot een wijziging van de strategie van de vennootschap. De best practice bepaling biedt in dat opzicht weinig houvast. Zie verder par. 6.3.3.1.
Dumoulin 2003, p. 55; punt 4.83 van de conclusie van A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
De vennootschap is in dat geval o.g.v. art. 49c lid 4 onder b Wge niet verplicht de aangedragen informatie (hier de aankondiging van de indiening van een bepaalde motie) naar de aandeelhouders te verzenden als deze van zodanige aard is dat verzending naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vennootschap kan worden verlangd. Zie over art. 49c Wge verder: Van Olffen & Rensen 2014, p. 189-194 en par. 2.4.6.5 hierna.
Stoppels & Van Bekkum 2016, p. 264-265.
Als ik Garcia Nelen goed begrijp, meent hij dat het een goede zaak zou zijn als (agenderingsgerechtigde) aandeelhouders dat recht wel zouden hebben. Zie Garcia Nelen 2020, p. 300.
Vgl. Duynstee & Drenth 2020, p. 935. Zij nemen een vergelijkbaar standpunt in, waar zij schrijven: “Een aandeelhouder kan bij het verzoek tot agendering van de strategie als discussiepunt een toelichting voegen met een standpuntbepaling, met het verzoek die toelichting volledig in de agenda op te nemen. Het bestuur is dan in beginsel verplicht (de strekking of samenvatting van) de toelichting bij het bespreekpunt ook in de agenda te vermelden. Dit zal mogelijk – ook zonder peiling of stemming – van grote invloed kunnen zijn op de koers van het bestuur.”
In de voorgaande paragrafen ging ik steeds uit van de ter vergadering spontaan ingediende motie. In deze paragraaf behandel ik de vraag of het voor een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer ook mogelijk is om een motie reeds in de agenda aan te laten kondigen. Het is hierbij van belang om het indienen van een motie steeds scherp te onderscheiden van het in stemming brengen van een motie. Als gezegd wordt een motie als volgt ingediend: (i) een vergadergerechtigde neemt, met gebruikmaking van het recht ter vergadering het woord te voeren (art. 2:117/227 lid 1 BW), een standpunt in; en (ii) verzoekt de voorzitter van de algemene vergadering om over dat standpunt in de algemene vergadering (een discussie gevolgd door) een stemming te laten plaatsvinden.2 Als de voorzitter dat verzoek inwilligt, wordt de motie ‘in stemming gebracht’.
In r.o. 3.3.7 van Boskalis/Fugro oordeelde de Hoge Raad dat de in art. 2:114a BW bedoelde kapitaalverschaffers de vennootschap niet ertoe kunnen verplichten een onderwerp dat een aangelegenheid is van het bestuur ter stemming op te nemen in de agenda van de algemene vergadering.3 Zulks vloeit voort uit de regel dat het bestuur de algemene vergadering omtrent deze onderwerpen niet hoeft te consulteren.4 Een onderwerp wordt ‘ter stemming’ in de agenda opgenomen als het ofwel als stempunt wordt opgenomen (waarbij niet ter zake doet of de stemming rechtsgevolg heeft), ofwel als bespreekpunt met daarbij vermeld dat na de bespreking een stemming (welke per definitie zonder rechtsgevolg is) zal volgen.5 Het bestuur hoeft dus geen van beide te doen wanneer het gaat om een onderwerp dat tot zijn bevoegdheid behoort.
Toegespitst op de motie houdt het voorgaande in dat de in art. 2:114a/224a BW bedoelde kapitaalverschaffers niet het recht hebben ten aanzien van een onderwerp dat een aangelegenheid is van het bestuur, te verlangen dat het bestuur in de (toelichting op de) agenda vermeldt dat een motie in stemming wordt gebracht. Welbeschouwd kan het bestuur daarover ook niets vermelden. Het is immers de voorzitter van de algemene vergadering die beslist over het in stemming brengen van een motie (zie par. 2.4.6.3). Het bestuur kan in de (toelichting op de) agenda hooguit vermelden dat bij een bespreekpunt een bepaalde motie zal worden ingediend. Maar is het bestuur ook gehouden dat te doen als de in art. 2:114a/224a BW bedoelde kapitaalverschaffers daarom verzoeken? Voor alle duidelijkheid: het verzoek luidt dus om een bespreekpunt te agenderen en daarbij te vermelden dat ter vergadering aan de voorzitter gevraagd zal worden om over het volgende standpunt aangaande het bespreekpunt: [standpunt], een stemming te laten plaatsvinden. Deze toelichting maakt naar mijn mening niet dat verzocht wordt het onderwerp ter stemming op de agenda te zetten. Het is immers niet zeker of een stemming zal plaatsvinden: daarover gaat, ik gaf het al aan, de voorzitter van de algemene vergadering.
Uit de parlementaire geschiedenis van art. 2:114a/224a BW blijkt dat de in dat artikel bedoelde kapitaalverschaffers in beginsel alle onderwerpen op de agenda kunnen laten plaatsen. Wat het bestuur niet ter stemming hoeft te agenderen, zal in elk geval als bespreekpunt op de agenda moeten verschijnen. Slechts art. 2:8 BW (en bij de BV het zwaarwichtig belang) vormt een (restrictief uit te leggen) weigeringsgrond.6 De Hoge Raad noemt daarnaast art. 3:13 BW (misbruik van recht).7 Het lijkt mij dat een agenderingsverzoek als zojuist beschreven niet geweigerd kan worden om de reden dat verzocht wordt om bij het bespreekpunt de indiening van een motie aan te kondigen. Evenmin zie ik goede grond voor het bestuur om wel het bespreekpunt te agenderen, maar de aankondiging van de indiening van de motie uit de toelichting op het bespreekpunt te laten.8 In beginsel moet immers ieder aangedragen onderwerp ten minste als bespreekpunt op de agenda worden geplaatst, en kan een ieder die ter vergadering het woord mag voeren de motie indienen. Het enige dat door honorering van het agenderingsverzoek gebeurt, is dat alle aandeelhouders over die indiening worden geïnformeerd en dus de afweging kunnen maken of zij ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd willen zijn voor het geval de motie door de voorzitter in stemming wordt gebracht.9
Als bezwaar tegen (het in stemming brengen van) moties wordt wel genoemd dat zij niet van te voren worden aangekondigd, waardoor stemgerechtigden die niet aan de vergadering deelnemen niet in de gelegenheid zijn gesteld zich erover uit te spreken.10 Door de indiening van de motie in de agenda aan te kondigen, wordt aan dit bezwaar tegemoet gekomen. In te verstrekken stemvolmachten kan dan ook rekening worden gehouden met de situatie waarin de motie in stemming wordt gebracht.
Ik wijs verder nog op het bepaalde in art. 49c Wge. Op grond van dit artikel kan bij sommige vennootschappen, nadat de agenda verspreid is, ten aanzien van elk onderwerp op de agenda (dus niet alleen een op verzoek van een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer geagendeerd onderwerp) onder voorwaarden worden verzocht om de indiening van een motie aan te kondigen.11 Uit par. 2.4.6.5 volgt in hoeverre de vennootschap kan weigeren die informatie te verspreiden.
Stoppels & Van Bekkum pleiten, in aanvulling op bovenstaande mogelijkheden, ervoor dat het bestuur in beginsel, bij een tijdig en met redenen omkleed schriftelijk verzoek van een aandeelhouder daartoe, gehouden zou moeten zijn om de aankondiging van (de indiening van) een motie in de agenda te vermelden.12 Ik merk op dat ik dit niet snel geldend recht zie worden.
Agenderingsgerechtigden kunnen aldus niet met recht verlangen dat in de agenda wordt opgenomen dat (ten aanzien van een onderwerp dat tot de bestuursbevoegdheid behoort) een motie in stemming wordt gebracht,13 maar wel dat een motie wordt ingediend.14 Of de voorzitter van de algemene vergadering de motie vervolgens ook in stemming brengt is een tweede. Daarover sprak ik in par. 2.4.6.3.