Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.4:12.9.4 ‘Concern’ van lichamen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.4
12.9.4 ‘Concern’ van lichamen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607831:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast het facilitaire begrip ‘fiscale eenheid’ dat uitgaat van een volledige eenheid, is naar mijn mening een verbondenheidsbegrip nodig dat uitgaat van een minder vergaande mate van gelieerdheid. Dit begrip noem ik ‘concern’. Het heeft eveneens een facilitaire functie en kan dienen in fiscale faciliteiten waarin thans ten onrechte de onduidelijke term ‘belang’ of het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 wordt gehanteerd. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, is de onduidelijkheid die gepaard gaat met de antiontgaansfunctie van deze begrippen niet nodig voor een fiscale faciliteit.
Ik pleit er daarom voor uit te gaan van een scherpere norm voor de bedoelde concernsituaties. Dit zou als volgt kunnen plaatsvinden:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam.
Voor aandelenvennootschappen bestaat een tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid: bij het bezit van meer dan 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap wordt verbondenheid verondersteld. Op basis van een tegenbewijsmogelijkheid kan echter door belastingplichtigen worden aangetoond dat ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch sprake is van organisatorische en economische verbondenheid. Voorts kan de fiscus stellen dat in feite geen sprake is van een beleidsbepalende invloed, ondanks het bezit van meer dan 50% van de stemrechten.
Bij dit verbondenheidsvermoeden geldt een neerwaartse, opwaartse en zijwaartse benadering. Dat wil zeggen, dat het belang van meer dan 50% kan zien op verbondenheid met een dochtervennootschap, een moedervennootschap en een zustervennootschap;
Ten aanzien van de verbondenheid van een natuurlijk persoon met een lichaam worden de belangen gehouden door de ‘partner’ en kinderen meegeteld bij de beoordeling van het bedoelde vermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiele stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten, tenzij aan deze instrumenten zodanige voorwaarden zijn verbonden dat moet worden aangenomen dat de aandeelhouder het stemrecht reeds heeft overgedragen.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, tellen niet mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In verband met de genoemde tegenbewijsmogelijkheid kunnen zij echter wel een rol spelen om aan te tonen dat er ondanks het feit dat niet wordt voldaan aan het 50%-criterium, in feite toch een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend.
Hierbij kies ik voor dit fiscale concernbegrip voor een 50%-grens. Naar mijn mening komt de concernbenadering hiermee goed tot uitdrukking.