Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.2.4
4.3.2.4 Artikel 1 EP
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS442567:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vraag of schadevergoeding voor de aantasting van het eigendomsbelang geboden moet worden de hoofdstukken 10 tot en met 12.
Dat was ook de reden waarom het EHRM in de zaak-Kamecki e.a./Polen oordeelde dat de bouw van een appartementencomplex op het perceel naast dat van de klagers geen aantasting van hun eigendomsbelang tot gevolg had gehad (zie EHRM 9 juni 2009, Kamecki e.a./Polen, r.o. 60 (zaaknr. 62506/00): ‘In particular, there is no evidence that the construction of the block made it impossible for the applicants to use their plot of land or to build on it.’). In het hierna te bespreken arrest-Kostić/Servië oordeelde het EHRM overigens anders (zie EHRM 25 november 2008, Kostić/Servië, r.o. 68 (zaaknr. 41760/04)).
Zie bijvoorbeeld: EHRM 24 april 2014, Udovičić/Kroatië, r.o. 161-164 (zaaknr: 27310/09); EHRM 18 juni 2013, Bor/Hongarije, r.o. 19 (zaaknr. 50474/08); EHRM 20 mei 2010, Oluić/Kroatië, r.o. 67-70 (zaaknr. 61260/08); EHRM 29 april 2008 (ontvankelijkheidsbeslissing), Walkuska/Polen (zaaknr. 6817/04).
Zie EHRM 25 november 2008, Kostić/Servië (zaaknr. 41760/04).
Interessant is overigens dat het EHRM in r.o. 67 van dit arrest in algemene zin overwoog dat ‘[i]t is thus the State's responsibility to make use of all available legal means at its disposal in order to enforce a final administrative decision, notwithstanding the fact that it has been issued against a private party, as well as to make sure that all relevant domestic procedures are duly complied with’. Interessant is ook dat Servië als verweer had aangevoerd dat de autoriteiten geen tijd hadden gehad om tot sloop over te gaan vanwege het grote aantal andere illegaal gebouwde gebouwen, maar dat het EHRM op dit verweer bij de inhoudelijke beoordeling niet inging.
EHRM 20 juli 2000, Antonetto/Italië (zaaknr. 15918/89). Overigens kan deze zaak ook en wellicht beter als voorbeeld gezien worden waarin een procedurele (procesrechtelijke) positieve verplichting aan de orde is. Deze zaak betreft immers een verzuim om een uitspraak van de nationale rechter ten uitvoer te leggen, waardoor de procedurele bescherming die een gerechtelijke procedure biedt van haar zin wordt beroofd. Niettemin is deze zaak vanwege het feitencomplex ook hier illustratief.
De overheid is uiteraard niet gehouden concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van alle activiteiten die een waardedaling of gebruiksbelemmering tot gevolg hebben. De positieve verplichting om dergelijke concrete handelingen te verrichten kent immers grenzen. Op die grenzen wordt in paragraaf 4.3.3 ingegaan.
Over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen van de door artikel 1ep beschermde belangen is zeer weinig rechtspraak. Bij aantastingen van de door artikel 1 ep beschermde belangen spitst het geschil zich namelijk veelal toe op de vraag of schadevergoeding voor die aantasting geboden moet worden en niet op de vraag of de activiteit die de aantasting veroorzaakt (door middel van concrete handelingen) beëindigd moet worden.1 Hoewel het niet noodzakelijk is dat het geschil zich bij artikel 1 ep toespitst op het bieden van schadevergoeding, is het in veel gevallen niet onbegrijpelijk. Activiteiten in de buurt van de eigendom hebben immers meestal niet tot gevolg dat die eigendom niet meer door de eigenaar naar eigen inzicht gebruikt kan worden.2 Daarnaast komt het voor dat klagers stellen dat bepaalde activiteiten een aantasting van hun eigendomsbelang veroorzaken, maar dat het ehrm er vervolgens voor kiest de zaak alleen onder artikel 8evrm inhoudelijk te behandelen.3 Ook daardoor is er weinig rechtspraak over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen van de door artikel 1 ep beschermde belangen.
Het arrest-Kostić/Servië is een schaars voorbeeld van een zaak waarin de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van het eigendomsbelang aan de orde was.4 De feitelijke situatie die aan dit arrest ten grondslag ligt is niet precies duidelijk, maar het lijkt erop dat het echtpaar Kostić samen met ene M.P. eigenaar van een huis was dat uit twee appartementen bestond, een van het echtpaar Kostić en een van M.P. In mei 1998 verkreeg M.P. een vergunning om zijn appartement te verbouwen en te vergroten. In september 1998 bevalen de bouwautoriteiten M.P. binnen drie dagen een deel van het nieuw gebouwde te slopen, omdat dit was gebouwd in afwijking van de vergunning. Naleving van dit sloopbevel werd echter jarenlang niet afgedwongen door de overheid, hoewel het echtpaar Kostić daar herhaaldelijk om had verzocht. Het ehrm overwoog dat het enkele bestaan van een illegaal bouwwerk een aantasting van het eigendomsbelang van het echtpaar Kostić opleverde. Het ehrm oordeelde vervolgens tamelijk bondig dat de overheid haar positieve verplichting om het sloopbevel ten uitvoer te leggen had geschonden. Daarom was volgens het ehrm sprake van een schending van artikel 1ep.5
Een vergelijkbare situatie deed zich voor in het arrest-Antonetto/Italië6 Antonetto was eigenaresse van een woning in Turijn. In 1964 verleende de overheid een vergunning voor de bouw van een flat op een perceel naast de woning van Antonetto. Tegen deze vergunning ging Antonetto in beroep. De hoogste nationale rechter oordeelde in enkele uitspraken dat de flat onder meer qua hoogte en omvang niet in overeenstemming was met de nationale regelgeving en dat de flat daarom geheel of gedeeltelijk gesloopt moest worden zodat alsnog aan die regelgeving voldaan zou worden. De overheid weigerde echter bij herhaling de gehele of gedeeltelijke sloop af te dwingen. Het ehrm overwoog dat de flat de woning van Antonetto gedeeltelijk uitzicht en licht had ontnomen en daardoor een waardevermindering van haar woning had veroorzaakt. Daarom was volgens het ehrm sprake van een aantasting van het eigendomsbelang. Het ehrm stelde een schending van artikel 1ep vast, omdat de overheid door na te laten de flat geheel of gedeeltelijk te slopen geen gevolg had gegeven aan de uitspraken van de nationale rechter.7
De rechtspraak over de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen van de door artikel 1ep beschermde belangen is, zoals gezegd, schaars. Dat neemt niet weg dat die positieve verplichting mijns inziens in bepaalde situaties kan bestaan. Het gaat daarbij vooral om situaties waarin activiteiten in de omgeving van de eigendom tot gevolg hebben dat die eigendom in waarde daalt of dat het vrije gebruik van die eigendom belemmerd wordt. Bij zo’n waardedaling of gebruiksbelemmering kunnen de positieve verplichtingen met zich brengen dat de overheid concrete handelingen verricht om die activiteiten en daarmee de waardedaling of gebruiksbelemmering geheel of gedeeltelijk te beëindigen.8