Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.2.3.2
3.2.3.2 Verband met artikel 20 Wna
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859137:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mellema-Kranenburg e.a. 2012, p. 1.
Blokland 2001, p. 61-62.
Huijgen & Pleysier 2001, p. 54.
Kraan, WPNR 2005/6646, p. 972.
Verstappen, in: T&C Erfrecht civiel en fiscaal, commentaar op artikel 20 Wna (online, bijgewerkt tot en met 1 januari 2023).
Melis/Waaijer 2019, p. 204-205.
Kamerstukken II 1995/96, 23706, nr. 6, p. 41. Luijten & Meijer merken op dat zij de uitzondering van de executeursbenoeming beperkt willen uitleggen. Daaruit valt af te leiden dat ook zij een rol zien weggelegd voor deze bepaling en dat de benoeming derhalve anders een verboden begunstiging inhoudt, Klaassen/Luijten & Meijer, 2008, p. 93.
De wetgever is hierin niet consequent. Eerst wordt opgemerkt dat de bepaling voornamelijk ziet op testamentaire beschikkingen en schenkingen om enkele zinnen later te vermelden dat de bepaling slechts betrekking heeft op testamentaire makingen en schenkingen, Kamerstukken II 1996/97, 23706, nr. 12, p. 23-24.
Heyman, WPNR 1999/6363, p. 497.
Zie par. 3.2.3.1. Zie verder Asser/Perrick 4 2021/679.
De commissie erfrecht legt bij deze discussie nog een link naar artikel 20 Wna. Deze bepaling brengt mee dat een notaris geen akte mag verlijden die een begunstiging inhoudt van één of meer van de in artikel 19 lid 1 Wna bedoelde personen. De benoeming tot executeur van de nalatenschap is geen verboden begunstiging, zo volgt uit de twee zin van artikel 20 Wna. Uit het bestaan van deze uitzonderingsbepaling zou men kunnen afleiden dat de wetgever van mening is dat het benoemd worden tot executeur – ook als een beloning ontbreekt – kennelijk in het algemeen wel geldt als het verkrijgen van een voordeel, aldus de commissie erfrecht.1 Tot deze conclusie komen onder meer Blokland,2 Huijgen & Pleysier,3 Kraan,4 Verstappen5 en Waaijer.6 Sommigen van hen halen daarbij de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis aan:
‘De leden van de SGP-fractie [vragen] of de aanwijzing als executeur-testamentair valt onder het begrip «begunstiging» en zo ja of dit praktisch moet worden geoordeeld. Artikel 17 is inderdaad van toepassing op de akte waarbij de notaris zelf of een verwant persoon benoemd wordt tot uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen, zelfs als uitdrukkelijk wordt bepaald dat hem geen loon toekomt. In de praktijk blijkt in sommige gevallen behoefte te bestaan aan de aanwijzing van de notaris als executeur-testamentair. (…) Het lijkt mij dan ook beter in artikel 17 uitdrukkelijk te bepalen dat de benoeming tot executeur-testamentair geen verboden begunstiging is.’7 (curs. MdV)
Andere auteurs menen dat artikel 20 lid 1, tweede zin Wna gemist kan worden. Onder verwijzing naar latere parlementaire stukken merkt Heyman op dat de wetgever van gedachte is veranderd.8 Volgens Heyman verklaart de wetgever hierin dat hij met het begrip ‘begunstiging’ enkel doelt op testamentaire beschikkingen en schenkingen.9 Daarmee heeft de ‘uitzondering’ voor de executeursbenoeming in feite haar bestaansrecht verloren, hetgeen de wetgever is ontgaan, aldus Heyman.10 Schols en Breemhaar concluderen in gelijke zin.11 Perrick acht deze uitzonderingsbepaling eveneens overbodig. Voor zijn argumentatie verwijs ik naar hetgeen hierboven is opgemerkt.12
Uit het voorgaande volgt dat de vraag of de wetgever de executeursbenoeming in zijn algemeenheid als voordeel beschouwt, niet eenstemmig wordt beantwoord.