Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.2.2.1
13.2.2.1 Bremer Vulkan 2001: einde van het GmbH-concernrecht
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409097:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
BGH 17 september 2001, II ZR 178/99 (Bremer Vulkan). Zie over deze uitspraak Wiedemann 2003 en Hoffmann 2002.
BGH 17 september 2001, II ZR 178/99 (Bremer Vulkan), p.1.
BGH 17 september 2001, II ZR 178/99 (Bremer Vulkan), p. 10.
De term Existenzvernichtung vindt haar oorsprong in de Duitse strafrechtelijke jurisprudentie inzake Untreue, kort gezegd een vorm van het Duitse fraude-leerstuk (§ 266 StGB). Het Duitse delict van Untreue heeft een ruimer bereik dan de Nederlandse oplichtingsbepalingen. In 1988 oordeelde het Strafsenat van het BGH dat winstuitkeringen aan aandeelhouders die niet in strijd met de kapitaalregels en met instemming van alle aandeelhouders geschieden, als Untreue kwalificeren, indien daardoor “die Existenz der GmbH gefährdet wurde”. BGH 24 augustus 1988, 3 StR 232/88. Het BGH overwoog: “Für die Beurteilung der Frage, ob Gewinnentnahmen die Existenz oder die Liquidität einer GmbH gefährden, wird es nicht erforderlich sein, daß sich der Tatrichter stets durch Einholung eines Sachverständigengutachtens Gewißheit über die Vermögenslage der Gesellschaft verschafft. Er hat diese Frage unter Berücksichtigung aller Umstände des Einzelfalls zu prüfen. Die Annahme einer Existenz- oder Liquiditätsgefährdung, insbesondere einer “Aushöhlung” der GmbH durch vorweggenommene.”
“Zu einer Haftung des Alleingesellschafters für die Verbindlichkeiten der von ihm beherrschten GmbH führt aber auch ein solcher bestandsvernichtender Eingriff nur dann, wenn sich die Fähigkeit der GmbH zur Befriedigung ihrer Gläubiger nicht schon durch die Rückführung entzogenen Stammkapitals gemäß § 31 GmbHG wiederherstellen läßt.” (BGH 17 september 2001, II ZR 178/ 99 (Bremer Vulkan), p. 10).
Hoewel de storm van kritiek op het GmbH-concernrecht na het TBB-arrest was geluwd, gooide het BGH in 2001 radicaal het roer om. In de uitspraak inzake Bremer Vulkan nam het, nota bene in een overweging ten overvloede, definitief afscheid van het leerstuk van aandeelhoudersaansprakelijkheid op grond van het gekwalificeerde feitelijke GmbH-concern.1 Het BGH overwoog:
“Der Schutz einer abhängigen GmbH gegen Eingriffe ihres Alleingesellschafters folgt nicht dem Haftungssystem des Konzernrechts des Aktienrechts, sondern ist auf die Erhaltung ihres Stammkapitals und die Gewährleistung ihres Bestandsschutzes beschränkt, der eine angemessene Rücksichtnahme auf die Eigenbelange der GmbH erfordert. An einer solchen Rücksichtnahme fehlt es, wenn die GmbH infolge der Eingriffe ihres Alleingesellschafters ihren Verbindlichkeiten nicht mehr nachkommen kann.”2
De bescherming van de concern-GmbH werd aldus niet langer gegrond op een analoge toepassing van het AG-concernrecht, maar was voortaan uitsluitend gelegen in de kapitaalbeschermingsregels en de aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege ongeoorloofde vermogensonttrekkingen.3 Volgens het BGH dienden aandeelhouders bij vermogensonttrekkingen het eigen belang van de vennootschap in acht te nemen. Dit hield in dat zij zich dienden te onthouden van onttrekkingen die de continuïteit van de vennootschap in gevaar brachten; het BGH sprak van existenzvernichtenden Eingriff.4 Was de GmbH ten gevolge van een vermogensonttrekking niet langer in staat haar verplichtingen te voldoen en dus haar onderneming voort te zetten, dan waren de bij de onttrekking betrokken aandeelhouders persoonlijk aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid gold volgens het BGH subsidiair ten aanzien van de gehoudenheid van aandeelhouders om vermogensonttrekkingen te restitueren op grond van de vennootschapsrechtelijke uitkeringsregels (§§ 30 en 31 GmbHG). Voor zover het door de crediteuren geleden nadeel ongedaan kon worden gemaakt door inroeping van § 31 GmbHG, was aansprakelijkheid vanwege Existenzvernichtung niet aan de orde.5
De Bremer Vulkan-uitspraak werd door de juridische gemeenschap overwegend instemmend begroet, ofschoon het BGH daarin een aantal belangrijke vragen onbeantwoord liet. Zo was niet helder welke dogmatische grondslag de aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege Existenzvernichtung had. Evenmin was duidelijk of een existenzvernichtender Eingriff leidde tot aansprakelijkheid van de aandeelhouder jegens de vennootschap of jegens de crediteuren; betrof het een interne of een externe aansprakelijkheid? Tot slot rees de vraag of de door het BGH geformuleerde regel slechts gold voor de concern-GmbH met één aandeelhouder of eveneens van toepassing was op niet tot een groep behorende GmbH’s en GmbH’s met meerdere aandeelhouders.