Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.1.1:2.2.1.1 De Grondwetten van 1814 en 1815
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.1.1
2.2.1.1 De Grondwetten van 1814 en 1815
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na de herwonnen onafhankelijkheid en de aanvaarding van de soevereiniteit door de latere Koning Willem I wordt begonnen met het ontwerpen van een nieuwe structuur voor de Nederlandse staat. De positie van het lokale bestuur staat hierbij nadrukkelijk ter discussie. De gedachten om van Nederland een eenheidsstaat te maken en het lokale bestuur in oude luister te herstellen, zorgen voor diverse patstellingen in de vergaderingen van de commissie die de grondwet van 1814 voorbereidt. Het is namelijk een tweeslachtige houding die uiteindelijk zal leiden tot een systeem dat veel kritiek zal oogsten. Volgens Van der Pot schrijven de meeste auteurs de Negenmannen na, wanneer deze stellen dat de inrichting van de verschillende vormen van lokaal bestuur een "in vele opzichten ongerijmde en onuitvoerlijke, door en door gebrekkige" was.1
Net als die van 1814 bepaalde de Grondwet van 1815 dat voor zowel de stedelijke besturen als de besturen op het platteland reglementen moesten worden vastgesteld door de Koning. Die voor de steden werden voorbereid door de stedelijke regeringen of daartoe ingestelde commissies; die voor het platteland door de Staten van de provincies, waarbij rekening diende te worden gehouden met de plaatselijke omstandigheden.2 Beide grondwetten lieten aan de reglementen vrijheid met betrekking tot de precieze inrichting van het bestuur. Ten aanzien van het stedelijke bestuur werd slechts opgemerkt dat in elke stad "kiezerskollegien" werden ingevoerd die eenmaal per jaar bijeen werden geroepen om de opengevallen raadsplaatsen (een raad werd daarmee dus verondersteld) "door bevoegde personen te vervullen." Opengevallen plaatsen in de "kiezerskollegien" moesten op hun beurt worden opgevuld door middel van verkiezingen, waaraan alleen diegene die een bepaalde som in de beschreven middelen betaalde, kon deelnemen (art. 79 en 80 Gw 1814 resp. art. 133 en 134 Gw 1815).
De Grondwet van 1815 bepaalde in art. 7 bovendien dat deze bestuursreglementen tien jaar na de afkondiging van de Grondwet als onderdeel van deze Grondwet zouden worden beschouwd.