Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/5.3.4.1
5.3.4.1 Belastingverdragen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491719:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
De vraag of de gekozen verdeling van heffingsbevoegdheid en de uitgangspunten daarbij wenselijk of juist zijn, gaat het bestek van dit onderzoek (ver) te buiten.
Zie art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 1, Wet IB 2001. Vgl. ook art. 17, lid 3, onderdeel b en art. 18, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 4.16, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001. Ik wijs erop dat natuurlijke personen in de genoemde hoedanigheden afhankelijk van hun positie in de Wet IB 2001 ook in aanraking kunnen komen met een vervreemdingsfictie. Dit onderzoek richt zich echter op splitsingsregels in de vennootschapsbelasting.
Voor in Nederland gevestigde aandeelhouders etc. conflicteren de ficties doorgaans niet met belastingverdragen, omdat Nederland als woonland per definitie zal mogen heffen. Dit ligt anders in situaties bedoeld in art. 13, paragraaf 4, OMV.
Op grond van art. 94 Grondwet blijven nationale wettelijke voorschriften buiten toepassing wanneer zij niet verenigbaar zijn met eenieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Daarmee is duidelijk dat de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting niet in strijd mogen zijn met belastingverdragen. Ik ga daarbij uit van de bepalingen uit het OMV, het bijbehorende (meest recente) OESO-commentaar en de jurisprudentie van de Hoge Raad.1 Het spreekt voor zich dat in een concrete praktijksituatie het toepasselijke belastingverdrag inclusief bijbehorend protocol moet worden geraadpleegd. Bij de toets aan het OMV heb ik voornamelijk het oog op twee deelgebieden. In de eerste plaats op de lichamen die als aandeelhouder, lid, winstbewijshouder, schuldeiser en/of optiehouder betrokken zijn bij de splitsing. Zij worden namelijk onderworpen aan vervreemdingsficties.2 De aandelen etc. worden op grond daarvan geacht te zijn vervreemd en daaruit kan belastingheffing voortkomen. De vraag is of zo’n nationale fictie doorwerkt naar het belastingverdrag. Is met andere woorden sprake van een vermogenswinst (capital gain) in de zin van art. 13 OMV? Deze vraag zal voornamelijk van belang zijn voor aandeelhouders etc. die niet in Nederland gevestigd zijn.3 In de tweede plaats kan een splitsing tot gevolg hebben dat vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon de Nederlandse vennootschapsbelastingsfeer verlaten omdat zij overgaan naar een rechtspersoon die niet in Nederland is gevestigd. Voor zover de vermogensbestanddelen niet gaan behoren tot het vermogen van een vi in Nederland, zal Nederland belasting heffen. De vraag komt dan op of dat in overeenstemming is met het OMV.