HR, 07-03-2025, nr. 23/00908
ECLI:NL:HR:2025:358
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-03-2025
- Zaaknummer
23/00908
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑03‑2025
ECLI:NL:HR:2025:358, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:664
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:296
ECLI:NL:PHR:2024:296, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑03‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:358
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/433
Viditax (FutD) 2025030712
FutD 2025-0488
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/290
NTFR 2025/447 met annotatie van mr. C.J.M. Perraud
NJB 2025/602
NLF 2025/0681 met annotatie van Ton Tekstra
BNB 2025/53 met annotatie van J.J. VETTER
NDFR Nieuws 2024/566
NLF 2024/0850 met annotatie van Ton Tekstra
NTFR 2024/697 met annotatie van mr. C.J.M. Perraud
V-N 2024/21.25 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2024040209
FutD 2024-0832
Beroepschrift 07‑03‑2025
Gronden van het cassatieberoep
Hoge Raad der Nederlanden
De Rechtspraak
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 Eh Den Haag
Betreft: [X] b.v. fiscale eenheid nummer [0001]/zaak nummer 23/00908
Aanslag vpb 2014 ten name van [X] b.v.
20/2965 opgelegd op 14 oktober 2017 ten name van [X] b.v. op dat moment opgeheven
[…], 23 april 2023
Hoogedelachtbaar College,
1.
Namens de besloten vennootschappen [X] b.v. en [C] b.v. en [D] b.v. dien ik in dit beroepschrift in cassatie gericht tegen de niet ontvankelijkheid van het ingediende bezwaarschrift van 27 maart 2019 dat voor belanghebbende geldt als een eerste bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting van 16 maart 2019.
Vormverzuim en schending van het recht.
2.
Er is sprake van vormverzuim waarvan de schending ervan met nietigheid is bedreigd, en van schending van het recht waardoor het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 januair 2023 niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd.
Chronologisch wordt weergegeven hoe het verloop van de aanslagen en de aangiften vennootschapsbelasting heeft plaatsgevonden en de bezwaarschriften.
Chronologische volgorde splitsinqsverzoek, aanslagen en bezwaarschriften en uitspraken
3.
Chronologische volgorde van het splitsingsverzoek, de aanslagen en de ingediende aangiften vennootschapsbelasting en de bezwaren.
Verzoek aan Belastingdienst […] op 5 april 2016 voor zuivere juridische splitsing van de vennootschap [X] b.v. in [B] b.v. en [A] b.v. Gemachtigde mr. A.P. Flinterman postbus […] | Dagtekening 04-04-2016 | Opmerkingen | |
Indiening van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2014 | Dagtekening inleveren aangifebiljet 26-10-2016 op naam van [X] b.v. | Naar een belastbare winst van -51.640 verlies | |
Inschrijving bij het handelsregister van beëindiging registratie van [X] b.v. per 04-01-2017 en verkrijgende rechtspersonen [A] b.v. en [B] b.v. | 04-01-2017 opheffing registratie [X] b.v. | ||
Definitieve aanslag vennootschapsbelasting op naam van [X] b.v. [a-straat 1] [Q] over het jaar 2014 | 14-10-2017 | Naar een belastbare winst van -51640 Verlies en boete van 2639 | Aanslagbiliet nimmer ontvangen |
Indiening van een nieuwe aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2014 op 7 februari 2019 | 07-02-2019 | Naar een belastbare winst van -139.640 verlies | |
Verminderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 | 16-03-2019 | Naar een belastbare winst van -139640 | Eerste aanslag in de visie van belastingplichtige |
Bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting van 16-03-2019 op 27 maart 2019 doormiddel van indiening nieuwe aangifte en verzoek uitspraak op dit bezwaar in de aangifte | 27-03-2019 | Naar een belastbare winst van — 239.640 | |
Beslissing d.d. 14 april 2020 door belastingdienst | 14-04-2020 | Afwijzing ‘beslissing op verzoek’ | |
Indiening van beroep bij Rechtbank Arnhem | 25-05-2020 |
Gronden van het cassatieberoep
Grief I.
4. 1.
Ten onrechte heeft het Gerechthof overwogen onder 4.10 dat het onderhavige aanslagbiljet van 14 oktober 2017 door de belastingdienst op juiste wijze ter post is bezorgd.
Toelichting.
4.2.
De vennootschap Iljo Holding b.v, stond per 4 januari 2017 niet meer geregistreerd in het handelsregister bij de kamer van koophandel te Utrecht.
2017-01-05: Wijziging: Per 4-1-2017 is de rechtspersoon uitgeschreven wegens Beëindiging registratie.
Bij de belastingdienst was de splitsing van deze vennootschap en haar beëindiging per 31 december 2016 volledig bekend door het splitsingsverzoek van 4 april 2016.
Ook was bekend wie de gemachtigde was van voormelde vennootschap en zijn adres:
Namelijk […] zoals in de kop van dit beroepschrift is vermeld.
En dat is ook is aangegeven bij de fiscale vaststellingsovereenkomst waarbij deze zuivere splitsing aan de belastingdienst Utrecht is voorgelegd en is besproken en waarop is besllist.
4.3.
Afgaande op het handelsregister dat een openbaar register is .stond uitdrukkelijk in dat register vermeld dat de verkrijgende vennootschappen zijn:
Rechtspersoon | |
RSIN | [0001] |
Rechtsvorm | Besloten Vennootschap |
Statutaire naam | [X] B.V. |
Statutaire zetel | Gemeente […] |
Eerste inschrijving handelsregister | 13-02-2004 |
Datum akte van oprichting | 29-12-2003 |
Geplaatst kapitaal | EUR 697.594,00 |
Gestort kapitaal | EUR 697.594,00 |
Deponering jaarstuk | De jaarrekening over boekjaar 2015 is gedeponeerd op 09-03-2016. |
Op 30-12-2016 splitsingsakte zuivere splitsing verleden. | |
Splitsende rechtspersoon: | |
■ [X] B.V. (KvK-nr. [0002]) | |
Verkrijgende rechtspersonen: | |
■ [A] B.V. (KvK-nr. [0003]) | |
■ [B] B.V. (KvK-nr. [0004]) |
En in het handelsregister staat ook vermeld:
inzien uittreksel — [X] B.V. ([0002])
(amer van Koophandel, 01 maart 2022 — 14:42
KvK-nummer [0002] | Uitgeschreven uit het handelsregister per 04-01-2017 |
Op 04-01-2017 is de registratie beëindigd in verband met het verdwijnen van de rechtspersoon ten gevolge van splitsing met ingang van 31-12-2016. | |
Op 04-01-2017 is geregistreerd dat de onderneming is overgedragen met ingang van 31-12-2016. | |
Laatstelijk stond ingeschreven: |
Omdat de tenaamstelling van de aanslag vennootschapsbelasting fout op het aanslagbiljet is vermeld maar ook het adres verkeerd en onvolledig is vermeld is het aanslagbiljet niet op juiste wijze ter post bezorgd.
Op het aanslagbiljet had moeten staan :
Verkrijgende vennootschap [A] b.v. [a-straat 1] [Q]
en
Verkrijgende vennootschaps [B] b.v. [b-straat 1] [R].
4.4.
De analogie met een aanslag successierecht die ook aan de erven wordt opgelegd en niet aan de erflater is evident.
4.5.
Dat de aanslag een onjuiste tenaamstelling heeft en niet op juiste wijze is geadresseerd blijkt ook uit het feit dat de andere verkrijger nimmer een aanslagbiljet heeft ontvangen op zijn naam [B] b.v…
Grief II
Ten onrechte heeft het Gerechtshof overwogen onder 4.13 dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat in zijn bestanden ten tijde van de verzending van de aanslag een ander adres dat het adres [a-straat 1] te [Q] stond vermeld en dat hem geen adreswijziging heeft bereikt.
Toelichting.
5.1.
Belanghebbende heeft geen inzage in de bestanden van de belastingdienst en kan dientengevolge ook niet controleren of deze bestanden op juiste wijze zijn aangepast naar aanleiding van het splitsingsverzoek waarbij het voor de hand ligt dat beide verkrijgende vennootschappen in het bestand van de belastingdienst wordt vermeld bij de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2014 die in 2017 wordt verzonden.
5.2.
Belanghebbende stelt uitdrukkelijk dat het splitsingsverzoek de belastingdienst heeft bereikt, beide verkrijgende vennootschappen daarin staan vermeld en het dan op de weg ligt van de belastingdienst op haar gegevens aan te passen. Dat ligt niet op de weg van belanghebbende.
5.3.
Als die gegevens omtrent de splitsing zelfs uitdrukkelijk met vet gedrukte letter in het handeslregister staat vermeld, mag belanghebbende ervan uitgaan dat de belastingdienst haar adresgegevens en tenaanstelüng koppelt aan de gegevens van het handeslregister.
5.4.
Deze overweging van het Hof is onjuist.
Grief III
Ten onrechte heeft het Hof overwogen onder 4.14 dat ;‘Het Hof stelt vast dat door belanghebbende of diens gemachtigde niet aan de inspecteur is meegedeeld dat voor…. niet anders.
En ten onrechte heeft het Hof overwogen onder 4.15 het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat de inspecteur met de toezending van het onderhavige aanslagbiljet naar het adres: [a-straat 1] te [Q] de inspecteurde aanslag, verlies- en boetebeschikking op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.
Toelichting.
6.1.
Na het verlijden van de akte van splitsing zijn door de notaris de gegevens bij het Handelsregister op zorgvuldige wijze bijgewerkt.
Het handelsregister is een openbaar register, voor een ieder toegankelijk. Het Hof maakt het handelsregister tot een farce als de belastingdienst zich daarvan geen enkele notie hoeft te nemen.
6.2.
De splitsing en de verkrijgende vennootschappen en haar gegevens zijn niet alleen middels de akte van spliting kenbaar gemaakt aan de belastingdienst en haar gemachtigde maar ook nog eens door uitdrukkelijke vermelding van die gegevens in het handeslregister.
Daaruit volgt de conclusie dat de aanslag niet op voorgeschreven wijze aan belanghebbenden, meervoud, is kenbaar gemaakt. De aanslag is daarmede nietig en de bezwaartermijn is pas gaan lopen met de aanslag van 16 maart 2019, ofschoon ook die aanslag onvolledige gegevens bevat met betrekking tot de tenaamstelling van de verkrijgende vennootschappen.
Grief IV
Vertrouwensbeginsel de aanslag van 16 maart 2019 is de eerste aanslag.
7.
Vertrouwensbeginsel omdat de eerste aanslag de aanslag van 16 maart 2019 is kon en mocht belanghebbende menen en erop vertrrouwen dat dat de eerste aanslag was. Ergo belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen deze te lage verminderingsaanslag.
Aanslag vennootschapsbelasting is van 16 maart 2019 en het bezwaar is van 28 maart 2019
Derhalve is het bezwaarschrift ingediend binnen zes weken nadat de aanslag is opgelegd. Het bezwaarschrift is daarmede ontvankelijk en de redenering van de inspecteur is onbegrijpelijk evenals zijn afwijzing. En ook de redenering van de rechtbank.
Daarbij is een saillant detail dat eerst belanghebbende uitdrukkelijk wordt uitgenodigd om een specificatie te geven van de huisvestingskosten en als deze kosten vervolgens worden verstrekt weigert de belastingdienst de aftrek daarvan in de winst,- en verliesrekening.
Grief VI
Zuivere ruzie — splitsing ex Artikel 14a Wet Vpb.
8.
Omdat er sprake is van een zuivere splitsing in de zin van artikel 14 a Wet Vpb, deze splitsing is uit zakelijke motieven aangegaan en ook nog is een ruziesplitsing is is het toezenden van de aanslag aan beide verkrijgende rechtspersonen geindiceerd. Ook dat is door het Hof miskend.
Die fout is de belastingdienst aan te rekenen en daarom is belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar,
Grief VII
Het Hof heeft verzuimd onderzoek te plegen naar het aanvankelijke toezendadres en over de mogelijkheid dat de belastingdienst de aanslag van 14 oktober 2017 naar een fout toezendadres is gezonden of i n het geheel niet is verzonden omdat de vennootschap om het moment van toezending niet meer bestond.
Toelichting.
9.
Het ligt op de weg van het Gerechtshof belastingkamer om te onderzoeken of de aanslag aan het juiste adres is gezonden bij een dergelijk verweer.
Immers uit het handelsregister blijkt dat de vennootschap is opgeheven dan kan de aanslag niet meer aan het oude adres van de vennootschap worden toegezonden maar dan moet deze toegezonden worden aan het adres van de gemachtigde en dat adres was bekend.
Grief VIII
Mogelijk bewijs en aanwijzing dat de aanslag nimmer aan belanghebbende is toegezonden omdat belanghebbende was opgeheven.
Toelichting
10.
De betekening van de invordering van de boete op de aanslag 2014 lijdt oninbaarheid en dat is een belangrijke aanwijzing dat in de systemen van de belastingdienst de vennootschap niet meer bestond op dat adres. Dan is de conclusie ook evident dat de aanslag nimmer is verzonden.
Het Hof heeft miskend dat
Gegevens inspecteur over toezending van de aanslagen.
Nummer 3 zie bladzijde 11.
Daarin staat het opmerkelijk bericht dat de aanslag betekend zou zijn , waar is de betekening gebleven ?, maar ook aanslag oninbaar, ergo de belastingplichtige is niet te vinden en dus is de aanslag ook nimmer aan dat adres gezonden. Dat is de conclusie.
Nummer 4 bladzijde 12.
De aanslag is gearchiveerd, omdat het aanslag proces is afgerond of omdat de aangifte niet kon worden verzonden?
Nummer 5, 6 en 7. bladzijde 16.
De opmerking dat de partij documenten zonder problemen is aangeboden is niet juist, immers er zitten stuklopers tussen de aanslagen.
In lure
11.
De vereisten voor het aanmaken van het aanslagbiljet en het toezenden van het aanslagbiljet zijn heel belangrijk. Omdat de materiele belastingschuld wordt opgezet in een formele belastingschuld. De belastingschuld wordt geformaliseerd. En met dat aanslagbiljet kan ook de invordering plaatsvinden. Maar op dit aanslagbiljet staat een onjuiste naam. De vennootschap bestaat niet meer. Dan is het aanslagbiljet nietig.
12.
Dan moet je zorgvuldig bekijken of aan de wettelijke vereisten voor het opmaken van het aanslagbiljet en het toezenden ervan zijn voldaan. De wet geeft dat aan in aritkel 5 A.w.r. maar Uw Raad in Bnb 1998/379 de naam en adres van degene aan wie de aanslag is opgelegd.Die zijn en onvolledig en onjuist in de hierboven aangegeven situatie en dus is de aanslag van 14 oktober 2017 nietig en is de bezwaartermijn nimmer gaan lopen. En is belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep en moet terugverwijzing plaatsvinden naar de inspecteur voor de vaststelling van de hoogte van het verlies voorde vennootschapsbelasting 2014.
Met Conclusie: dat het arrest van het Gerechtshof van 24 januari 2023 niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd op grond van schending van het recht en vormverzuim waarvan de niet in achtneming met nietigheid is bedreigd.
Kosten rechtens.
Uitspraak 07‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Procesrecht; artt. 3:4, 6:7, 6:11 en 6:15 Awb, art. 2:334a BW; gesplitste BV; tenaamstelling en bekendmaking van een verliesvaststellingsbeschikking; tijdigheid van bezwaar en beroep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00908
Datum 7 maart 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 januari 2023, nr. BK-ARN 21/004871., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2965) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en een ten aanzien van haar gegeven boetebeschikking.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.P. Flinterman, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 15 maart 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende, een besloten vennootschap, is met ingang van 31 december 2016 opgehouden te bestaan ten gevolge van een zuivere splitsing als bedoeld in artikel 2:334a, lid 2, BW. Bij die splitsing is haar vermogen door twee andere rechtspersonen verkregen. In verband daarmee is belanghebbende per 4 januari 2017 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Zij stond laatstelijk in het handelsregister ingeschreven met een adres in [Q]. Op dat adres is vanaf de splitsingsdatum een van de twee verkrijgende rechtspersonen gevestigd.
2.2
Belanghebbende heeft op 26 oktober 2016 aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014. Overeenkomstig deze aangifte heeft de Inspecteur met dagtekening 14 oktober 2017 belanghebbende de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil (hierna: de aanslag) en bij gelijktijdig gegeven beschikking haar verlies van dat jaar vastgesteld op € 51.640 (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking). Bij eveneens gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur belanghebbende een boete opgelegd (hierna: de boetebeschikking; hierna tezamen met de verliesvaststellingsbeschikking ook: de beschikkingen). De aanslag en de beschikkingen zijn vermeld op één, ten name van belanghebbende gesteld aanslagbiljet (hierna: het aanslagbiljet). Het aanslagbiljet is geadresseerd aan het hiervoor in 2.1 bedoelde adres.
2.3
Op 7 februari 2019 is namens belanghebbende een herziene aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 ingediend naar een belastbaar bedrag van negatief € 139.640.
2.4
Bij besluit van 16 maart 2019 heeft de Inspecteur deze herziene aangifte aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de verliesvaststellingsbeschikking. Bij dat besluit heeft de Inspecteur dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend, maar is hij daaraan ambtshalve gedeeltelijk tegemoetgekomen door het vastgestelde verlies te verhogen naar € 129.276.
2.5
Op 27 maart 2019 is een tweede herziene aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 ingediend, waarin een belastbaar bedrag van negatief € 239.640 is vermeld.
2.6
Bij brief van 29 mei 2019 heeft de Inspecteur ook de tweede herziene aangifte aangemerkt als bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking en heeft hij ook dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Wel heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om nadere informatie ten behoeve van een ambtshalve beoordeling.
2.7
Bij brief van 14 april 2020 heeft de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering dat hij in de tweede herziene aangifte tevens begrepen achtte, afgewezen.
2.8
Bij brief van 25 mei 2020 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank tegen de brief van de Inspecteur van 14 april 2020. De Rechtbank heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat geen rechtsmiddel openstaat tegen de afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende stelde zich primair op het standpunt dat het aanslagbiljet niet is verzonden en dat daarom het besluit van 16 maart 2019 (zie hiervoor in 2.4) moet worden aangemerkt als de aanslag en de beschikkingen, waartegen zij vervolgens tijdig rechtsmiddelen heeft aangewend.Subsidiair stelde belanghebbende dat, als komt vast te staan dat het aanslagbiljet wel ter postbezorging is aangeboden, de verzending daarvan aan het verkeerde adres heeft plaatsgevonden omdat belanghebbende is opgehouden te bestaan en de registratie in het handelsregister per 4 januari 2017 is beëindigd.
3.2
Het Hof heeft met betrekking tot het primaire standpunt van belanghebbende geoordeeld dat de Inspecteur met het door hem ingebrachte verzendrapport en diens toelichting daarop overtuigend heeft aangetoond dat het aanslagbiljet op 12 oktober 2017 aan PostNL is aangeboden ter verzending.
3.3
Wat betreft het subsidiaire standpunt van belanghebbende was voor het Hof niet in geschil dat het aanslagbiljet naar het in het handelsregister vermelde adres van belanghebbende is verzonden. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur aldus overtuigend heeft aangetoond dat het aanslagbiljet naar het juiste adres is verstuurd. Het heeft daarvoor redengevend geacht dat door belanghebbende of haar gemachtigde niet aan de Inspecteur is meegedeeld dat stukken gericht aan belanghebbende voortaan, althans na het verdwijnen van belanghebbende ten gevolge van de juridische splitsing, naar het adres van de gemachtigde moesten worden verzonden in plaats van naar het hiervoor in 2.1 bedoelde adres van belanghebbende. Daarbij komt, aldus het Hof, dat uit het handelsregister blijkt dat één van de (onder algemene titel) verkrijgende vennootschappen op hetzelfde adres is gevestigd als (voorheen) belanghebbende. Dat mogelijkerwijs ten gevolge van de ‘ruzie tussen de rechtsopvolgers onder algemene titel’ de andere rechtsopvolger niet op de hoogte is gebracht van het bestaan van de aanslag en de beschikkingen, maakt dit volgens het Hof niet anders.
3.4
Zijn hiervoor in 3.2 en 3.3 vermelde oordelen hebben het Hof tot het oordeel geleid dat de aanslag en de beschikkingen op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende bekend zijn gemaakt. Dat betekent volgens het Hof (i) dat de bezwaartermijn daags na 14 oktober 2017 is aangevangen, (ii) dat de herziene aangifte (zie hiervoor in 2.3) door de Inspecteur terecht als bezwaarschrift is aangemerkt, (iii) dat de beroepstermijn is gaan lopen daags na 16 maart 2019 (de dagtekening van de uitspraak op bezwaar; zie hiervoor in 2.4), en (iv) dat 29 april 2019 de laatste dag was van de beroepstermijn. Het op 25 mei 2020 ingediende beroepschrift (zie hiervoor in 2.8) is dus te laat ingediend. Aangezien belanghebbende niets ter verschoning hiervan heeft aangevoerd, heeft het Hof de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht.
3.5
Het Hof is tot de slotsom gekomen dat de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Beoordeling van de klachten
4.1.1
Bij de beoordeling van de klachten over de tenaamstelling van de aanslag en de beschikkingen stelt de Hoge Raad het volgende voorop.Met het opleggen van een belastingaanslag wordt vastgesteld dat een belastingschuld is ontstaan. Deze betekenis verliest de belastingaanslag niet door de omstandigheid dat degene aan wie hij is of zal worden opgelegd, na het ontstaan van de belastingschuld overlijdt (natuurlijke persoon) of ophoudt te bestaan (niet-natuurlijke persoon).3.Dat een na een zuivere splitsing opgelegde of op te leggen belastingaanslag die betrekking heeft op vóór de splitsing ontstane belastingschulden, ten name van de gesplitste rechtspersoon moet worden gesteld en niet ten name van een of meer van de verkrijgende rechtspersonen, volgt voorts uit de in de onderdelen 4.8 en 4.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal opgenomen wetsgeschiedenis over de fiscale begeleiding van de overgang van vermogen onder algemene titel bij rechtspersonen op de voet van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.Dit een en ander geldt op overeenkomstige wijze voor het geven van een verliesvaststellingsbeschikking of een boetebeschikking.
4.1.2
Voor zover de klachten betogen dat de beschikkingen op naam van de rechtsopvolgers van belanghebbende hadden moeten worden gesteld omdat belanghebbende niet meer bestond toen deze werden gegeven, falen zij derhalve. De beschikkingen zijn terecht ten name van belanghebbende gesteld.
4.2.1
De overige klachten zijn onder meer gericht tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aanslagbiljet naar het juiste adres is verzonden, en tegen het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof dat daarmee de beschikkingen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.
4.2.2
Indien een rechtspersoon ten gevolge van een zuivere splitsing als bedoeld in artikel 2:334a, lid 2, BW is opgehouden te bestaan, kan die rechtspersoon (hierna: de verdwenen rechtspersoon) geen (rechts)handelingen, zoals het indienen van een bezwaarschrift, meer verrichten. Na de zuivere splitsing dient een bezwaarschrift betreffende een belastingaanslag of een beschikking ten name van de verdwenen rechtspersoon dan ook te worden ingediend door of namens (een van) de verkrijgende rechtspersonen, die immers na de splitsing moeten worden aangemerkt als degenen die belang hebben bij de desbetreffende belastingaanslag of beschikking aangezien het vermogen van de verdwenen rechtspersoon onder algemene titel op hen is overgegaan.4.Met het oog hierop moet onder vigeur van artikel 8, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) een ten name van de verdwenen rechtspersoon gestelde belastingaanslag of beschikking worden bekendgemaakt door verzending of uitreiking door de ontvanger aan of op het adres van ten minste een van de verkrijgende rechtspersonen. Anders dan waarvan het middel uitgaat, hoeft toezending van een kopie van dat aanslagbiljet of die beschikking aan een door de verdwenen rechtspersoon of door een verkrijgende rechtspersoon aangewezen andere (rechts)persoon slechts plaats te vinden indien de verdwijnende rechtspersoon of een verkrijgende rechtspersoon de inspecteur daarom heeft verzocht.In verband met de vanaf 1 januari 2019 geldende regels voor bekendmaking van belastingaanslagen merkt de Hoge Raad nog het volgende op. Indien bij de ontvanger niet een adres van een van de verkrijgende rechtspersonen bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn, en wordt vermoed dat de belastingplichtige ten name van wie de belastingaanslag of beschikking is gesteld, is opgehouden te bestaan, kan de ontvanger de belastingaanslag of beschikking bekendmaken op de wijze, bedoeld in artikel 8, leden 2 tot en met 4, IW 1990 (tekst met ingang van 1 januari 2019). In dat geval moet hij een kopie van het aanslagbiljet verzenden of uitreiken aan de laatste bestuurders en aandeelhouders van de desbetreffende belastingplichtige, voor zover die redelijkerwijs bij de ontvanger bekend kunnen zijn.
4.2.3
In het onderhavige geval staat vast dat een van de verkrijgende rechtspersonen op hetzelfde adres is gevestigd als waar belanghebbende laatstelijk was gevestigd. Het aanslagbiljet is naar dat adres verzonden. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.2 is overwogen, is het aanslagbiljet dus naar het juiste adres verzonden en zijn daarmee de aanslag en de beschikkingen op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De klachten falen daarom in zoverre.
4.2.4
Het oordeel van het Hof dat niet door of namens belanghebbende aan de Inspecteur is meegedeeld dat aan belanghebbende gerichte stukken voortaan naar het adres van de gemachtigde moeten worden verzonden, kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, in cassatie niet met succes worden bestreden. De stukken van het geding bevatten voorts geen aanwijzingen dat de Inspecteur is verzocht om aan belanghebbende gerichte belastingaanslagen en beschikkingen voortaan (mede) aan de andere verkrijgende rechtspersoon toe te sturen.
4.3
Voor zover de klachten zich richten tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aanslagbiljet op 12 oktober 2017 aan PostNL is aangeboden ter verzending, falen zij. Dit oordeel, dat van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk is en berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van bewijsmiddelen, kan in cassatie niet met succes worden bestreden.
4.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.2, 4.2.3, 4.2.4 en 4.3 is geoordeeld, is de bezwaartermijn ter zake van de beschikkingen aangevangen op de dag na 14 oktober 2017 en heeft de Inspecteur terecht de eerste herziene aangifte van 7 februari 2019 (zie hiervoor in 2.3) aangemerkt als een daartegen gericht bezwaarschrift (zie hiervoor in 2.4). De hiervoor in 3.4 onder (i) en (ii) weergegeven oordelen van het Hof zijn juist.
4.4.2
Het voorgaande brengt mee dat de hiervoor in 3.4 onder (iii) en (iv) weergegeven oordelen van het Hof eveneens juist zijn. Het besluit van de Inspecteur van 16 maart 2019 heeft te gelden als de op dat bezwaar gedane uitspraak en de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak eindigde op 29 april 2019.
4.5.1
Belanghebbende heeft door middel van de tweede herziene aangifte van 27 maart 2019 (zie hiervoor in 2.5) aan de Inspecteur het standpunt kenbaar gemaakt dat het verlies van het jaar 2014 moest worden vastgesteld op € 239.640. Daarin ligt besloten dat zij, nadat de Inspecteur het vastgestelde verlies had verhoogd tot € 129.276, nog verdere bezwaren had tegen de verliesvaststellingsbeschikking. Dat brengt mee dat de Inspecteur de tweede herziene aangifte op de voet van artikel 6:15, lid 2, Awb zo spoedig mogelijk aan de Rechtbank had moeten doorzenden, waarna de Rechtbank die aangifte als beroepschrift in behandeling had moeten nemen.5.Ingevolge het bepaalde in artikel 6:15, lid 3, Awb is dan – behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht – het tijdstip van indiening bij de Inspecteur bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend.
4.5.2
Met zijn oordeel dat de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft het Hof het vorenstaande miskend. De klachten slagen in zoverre. Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden, gelet op hetgeen hierna in 4.7 wordt geoordeeld.
4.6
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.1 en 4.4.2 is geoordeeld, is het op 7 februari 2019 gemaakte bezwaar niet tijdig ingediend. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende geen stellingen heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat zij ter zake van deze termijnoverschrijding redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Dit een en ander leidt tot de slotsom dat het Hof tot geen ander oordeel had kunnen komen dan dat de Inspecteur bij zijn uitspraak op bezwaar van 16 maart 2019 het bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.Het tegen die uitspraak op bezwaar ingestelde beroep was, zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 4.5.1 is geoordeeld, tijdig en had dus, gelet op het voorgaande,ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Aangezien ook een ongegrondverklaring van het beroep bij de Rechtbank in de weg zou hebben gestaan aan beoordeling van de door belanghebbende bepleite verhoging van het vastgestelde verlies, zou met cassatie op deze grond evenwel geen redelijk belang zijn gediend. De Hoge Raad zal daarom het beroep in cassatie ongegrond verklaren.6.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑03‑2025
Vgl. HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2655, rechtsoverweging 2.3.2.
Vgl. HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4894, rechtsoverweging 5.1, ten aanzien van een rechtspersoon die als gevolg van een fusie is opgehouden te bestaan.
Vgl. HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL6905, rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3, en HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:267, rechtsoverweging 2.2.2.
Vgl. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033, rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3, en HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, rechtsoverwegingen 4.1.4 en 4.1.5.
Conclusie 15‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Aanslag, verliesvaststelling en verzuimboete opgelegd aan gesplitste en verdwenen rechtspersoon, op diens laatst bekende adres. Eén rechtsopvolger is/blijft gevestigd op het adres van de verdwijner; de andere elders. (In)correcte tenaamstelling en bekendmaking van de aanslag c.a.? Moest de aanslag c.a. naar beide rechtsopvolgers en/of de gemachtigde? Moesten die bekend zijn bij de Inspecteur? Uitwisseling met KvK-register. Verschoonbare termijnoverschrijding? Feiten: nadat de belanghebbende aangifte Vpb 2014 heeft gedaan, is zij per 31 december 2016 opgehouden te bestaan na een zuivere splitsing met twee verkrijgende rechtspersonen. Op 14 oktober 2017 heeft de Inspecteur haar op één aanslagbiljet een aanslag Vpb 2014, verliesvaststellingsbeschikking 2014 en verzuimboetebeschikking opgelegd, geadresseerd aan het laatst bij de Inspecteur bekende adres van de belanghebbende. Eén van haar twee rechtsopvolgers is op dat adres gevestigd (gebleven). Op 7 februari 2019 heeft de belanghebbende een herziene aangifte Vpb 2014 ingediend, die de Inspecteur heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag c.a. (bezwaar 1). Bij brief van 16 maart 2019 heeft hij dat bezwaar 1 niet-ontvankelijk verklaard, maar ambtshalve het verlies hoger vastgesteld. Niet in geschil is dat die brief de belanghebbende heeft bereikt. Op 27 maart 2019 heeft de belanghebbende opnieuw een herziene aangifte Vpb 2014 ingediend, waarin zij niet eerder opgevoerde huisvestingskosten in aftrek bracht. De Inspecteur heeft ook deze herziening aangemerkt als bezwaar (bezwaar 2) en dat bij brief van 29 mei 2019 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Wel heeft hij de belanghebbende verzocht om een toelichting op de huisvestingskosten voor de ambtshalve beoordeling ervan. Na die toelichting heeft hij het verzoek om aftrek van huisvestingskosten afgewezen bij brief van 14 april 2020. Daartegen heeft de belanghebbende op 25 mei 2020 beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat er voor de vennootschapsbelasting geen bezwaar en beroep openstaat tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering. Het Hof heeft geoordeeld dat de aanslag c.a. van 14 oktober 2017 correct bekend is gemaakt, nu de Inspecteur heeft aangetoond dat het aanslagbiljet bij PostNL ter bezorging is aangeboden en er geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onjuiste adressering. Belanghebbendes stelling dat de uitspraak op bezwaar 1, van 16 maart 2019, moet worden aangemerkt als de aanslag, is door het Hof verworpen. De bezwaartermijn is dan daags na 14 oktober 2017 aangevangen. Nu niet in geschil is dat de belanghebbende de uitspraak op bezwaar 1 en ambtshalve verliesverhoging van 16 maart 2019 heeft ontvangen, is haar beroep van 25 mei 2020 te laat ingediend. Het Hof heeft het hogere beroep ongegrond verklaard. A-G Wattel leest in belanghebbendes cassatieberoepschrift vier klachten. Klacht (i) bestrijdt het oordeel dat de aanslag correct bekend is gemaakt. Volgens belanghebbende had de aanslag ten name van haar rechtsopvolgers gesteld moeten worden en geadresseerd moeten worden aan haar beide rechtsopvolgers of aan haar gemachtigde. De aanvang van de bezwaartermijn lag dan niet daags na de aanslagdatum van 14 oktober 2017, maar daags na de datum van de brief van 16 maart 2019. Zij bestrijdt verder de oordelen van het Hof (ii) dat de aanslag correct ter post is bezorgd en (iii) dat zij niet weersproken heeft dat de bestanden van de Inspecteur ten tijde van de verzending van de aanslag geen ander adres bevatten en dat hem geen adreswijziging vanwege de belanghebbende heeft bereikt. Verder stelt zij (iv) dat zij er rechtens op mocht vertrouwen dat de brief van 16 maart 2019 van de Inspecteur de aanslag was. A-G Wattel meent ad (i) dat de tenaamstelling van de aanslag c.a. juist is. Uit de parlementaire geschiedenis van de fiscale begeleidingswetgeving bij de juridische splitsing volgt dat een aanslag over een periode vóór splitsing maar opgelegd na splitsing, op naam van de gesplitste rechtspersoon gesteld moet worden; niet op naam van de verkrijgende rechtspersonen. Voor de vraag of de aanslag c.a. op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, moet worden beoordeeld (a) of de aanslag überhaupt bekend is gemaakt (regelmatig ter bezorging is aangeboden aan PostNL) en zo ja, (b) of hij naar het juiste adres is gestuurd en zo neen, (c) of dat aan de Inspecteur te wijten is. De A-G constateert ad (a) dat het Hof voldoende gemotiveerd heeft geconcludeerd dat de Inspecteur overtuigend bewezen heeft dat het aanslagbiljet op 12 oktober 2017 regelmatig ter postbezorging is aangeboden. Aan dat bewijsoordeel kan de cassatierechter niets afdoen, zodat het cassatieberoep ook op dit punt doel mist. Ad (b) volgt uit art. 8(1) IW dat een aanslag wordt verstuurd naar de belastingschuldige; dat is volgens art. 2(1)(k) IW degene te wiens naam de aanslag is gesteld, i.e. de belanghebbende. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor een andere adressering bij een na splitsing opgelegde aanslag ten name van een door splitsing verdwenen rechtspersoon die ziet op een jaar vóór splitsing. De litigieuze aanslag moest dus naar belanghebbendes adres gestuurd worden, tenzij zij, haar rechtsopvolgers of haar bevoegde vertegenwoordiger de belastingdienst gevraagd zouden hebben een ander adres te gebruiken. Dat laatste heeft de belanghebbende niet gesteld; zij stelt slechts dat de Inspecteur spontaan het handelsregister had moeten raadplegen, maar die stelling heeft volgens de A-G geen feitelijke grondslag (er bestaat wel degelijk gegevensuitwisseling, die echter niet leidt tot eigenmachtige adreswijziging) en vindt overigens geen steun in de rechtspraak. De Inspecteur zou overigens ook in het handelsregister weer het adres van de belanghebbende gevonden hebben, dat immers óók het adres is/bleef van één van haar twee rechtsopvolgers. Het lag volgens de A-G op de weg van de (rechtsopvolgers van de) belanghebbende om de fiscus te informeren op welk ander adres dan het bij de Inspecteur bekende adres van de belanghebbende (tevens het adres van één van haar rechtsopvolgers) zij aanslagen wensten te ontvangen. Hun verzuim om de Inspecteur te instrueren, is niet te wijten aan de belastingdienst. Dat haar ene rechtsopvolger, nog steeds gevestigd op haar bij de fiscus bekende oude adres, mogelijk niet wenste te communiceren met haar elders gevestigde andere rechtsopvolger, lijkt mij evenmin te wijten aan de belastingdienst. De belanghebbende stelt verder dat de aanslag c.a. (ook) aan haar gemachtigde had moeten worden gezonden. Het Hof heeft geoordeeld dat zij noch haar rechtsopvolgers de belastingdienst in kennis hebben gesteld van die wens en dat de Inspecteur ook anderszins niet op de hoogte hoefde te zijn van die wens. Ook dat feitelijke oordeel is mijns inziens in cassatie onaantastbaar omdat het voldoende gemotiveerd is en geenszins onbegrijpelijk. Dat geldt met name voor ‘s Hofs bewijsoordeel dat de belanghebbende op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur uit een vaststellingsovereenkomst naar aanleiding van een splitsingsverzoek had moeten opmaken dat hij haar aanslagen c.a. aan de gemachtigde moest sturen. Die documenten lijkt zij overigens niet eens overgelegd te hebben aan het Hof. Ad klacht (iii) ziet de A-G in het dossier geen aanwijzingen dat de belanghebbende de stellingen van de Inspecteur weersproken heeft dat hem geen ander adres bekend was en geen adreswijziging had bereikt. Zij betoogde bij het Hof immers iets anders, nl. dat de Inspecteur een ander adres in zijn bestanden had moeten opnemen, nl. dat van haar andere rechtsopvolger of dat van haar gemachtigde. Die stelling is onjuist, zoals bleek. Een beroep op het vertrouwensbeginsel (iv) kan niet voor het eerst in cassatie gedaan worden omdat feitelijk onderzocht zou moeten worden welk vertrouwen dan wel aan welke uitlating of handeling van de Inspecteur ontleend kon worden. De belanghebbende geeft ook niet aan om welke uitlating of handeling van de Inspecteur het zou gaan. Het mogelijk in belanghebbendes klachten te lezen beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel lijkt de A-G ongegrond, nu de vastgestelde feiten niet de conclusie toelaten dat de belastingdienst dat beginsel geschonden heeft. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00908
Datum 15 maart 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2014
Nr. Gerechtshof 21/00487
Nr. Rechtbank 20/2965
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
Staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
1.1
Na diverse uitnodigingen en een aanmaning tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2014 heeft de belanghebbende uiteindelijk op 26 oktober 2016 aangifte Vpb 2014 gedaan. Zij heeft een verlies aangegeven.
1.2
Per 31 december 2016 is zij opgehouden te bestaan na een zuivere splitsing in de zin van art. 2:334a(2) BW die haar vermogen onder algemene titel deed overgaan op twee verkrijgende rechtspersonen. Haar laatst in het bestand van de Inspecteur vermelde adres is: [a-straat 1] te [Q] . Eén van haar twee rechtsopvolgers is op dat adres gevestigd (gebleven).
1.3
Met dagtekening 14 oktober 2017 heeft de Inspecteur de belanghebbende op één aanslagbiljet een aanslag Vpb 2014, een verliesvaststellingsbeschikking 2014 en een verzuimboetebeschikking opgelegd, geadresseerd aan [a-straat 1] te [Q] . De belanghebbende noch haar rechtsopvolgers hebben daarop gereageerd.
1.4
Op 7 februari 2019 heeft de belanghebbende elektronisch een herziene aangifte Vpb 2014 ingediend, die de Inspecteur heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag c.a. (bezwaar 1). Bij brief van 16 maart 2019, geadresseerd aan [a-straat 1] te [Q] heeft hij dat bezwaar 1 niet-ontvankelijk verklaard, maar wel van ambtswege het vastgestelde verlies 2014 verhoogd naar € 129.276. Niet in geschil is dat de belanghebbende deze brief heeft ontvangen.
1.5
Op 27 maart 2019 heeft de belanghebbende opnieuw een herziene aangifte Vpb 2014 ingediend, waarin zij niet eerder opgevoerde huisvestingskosten in aftrek bracht. De Inspecteur heeft ook deze herziening 2 aangemerkt als bezwaar tegen de aanslag c.a. (bezwaar 2). Hij heeft bij brief van 29 mei 2019 ook bezwaar 2 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Wel heeft hij de belanghebbende verzocht om een toelichting op de opgevoerde huisvestingskosten ten behoeve van ambtshalve beoordeling ervan.
1.6
Bij brief van 14 april 2020 heeft de Inspecteur belanghebbendes verzoek om aftrek van huisvestingskosten afgewezen. Daartegen heeft de belanghebbende op 25 mei 2020 beroep ingesteld.
1.7
De Rechtbank heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat er voor de vennootschapsbelasting geen bezwaar en beroep openstaat tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering.
1.8
Op belanghebbendes hogere beroep daartegen heeft het Hof overwogen dat de aanslag c.a. op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, nu de Inspecteur heeft aangetoond dat het aanslagbiljet bij PostNL ter bezorging is aangeboden en er geen sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onjuiste adressering. Belanghebbendes stelling dat de uitspraak op bezwaar 1, van 16 maart 2019, moet worden aangemerkt als de aanslag, is daarom door het Hof verworpen. De bezwaartermijn is dan daags na 14 oktober 2017 aangevangen. Nu niet in geschil is dat de belanghebbende de brief met uitspraak op bezwaar 1 en ambtshalve verliesverhoging van 16 maart 2019 heeft ontvangen, is haar beroepschrift van 25 mei 2020 te laat ingediend, aldus het Hof. Het Hof heeft het hogere beroep ongegrond verklaard.
1.9
Ik lees in belanghebbendes cassatieberoepschrift in hoofdlijn vier klachten. Het Hof heeft volgens haar ten onrechte:
(i) geoordeeld dat de aanslag correct bekend is gemaakt; hij had volgens haar (a) ten name van haar rechtsopvolgers gesteld moeten worden en (b) geadresseerd moeten worden aan beide rechtsopvolgers of aan haar gemachtigde. Volgens haar lag de aanvang van de bezwaartermijn daarom niet daags na de aanslagdatum van 14 oktober 2017, maar daags na de datum van de brief van de Inspecteur van 16 maart 2019;
(ii) geoordeeld dat de aanslag (correct) ter post is bezorgd;
(iii) als onweersproken aangemerkt de stellingen van de Inspecteur dat in diens bestanden ten tijde van de verzending van de aanslag geen ander adres stond en dat hem geen adreswijziging vanwege de belanghebbende heeft bereikt.
Verder stelt zij (iv) dat zij er rechtens op mocht vertrouwen dat de brief van 16 maart 2019 van de Inspecteur de aanslag was.
1.10
Uit de parlementaire geschiedenis van de fiscale begeleidingswetgeving bij de invoering van de juridische splitsing en herziening van de fiscale gevolgen van fusies van rechtspersonen volgt dat een aanslag over een periode vóór splitsing maar opgelegd na splitsing, op de naam van de gesplitste rechtspersoon gesteld moet worden; niet op naam van de verkrijgende rechtspersonen. De tenaamstelling van de litigieuze aanslag is dus juist, zodat het cassatieberoep op dat punt doel mist.
1.11
Uit HR BNB 2012/253 volgt dat eventuele onjuiste adressering van het aanslagbiljet geen nietigheid of vernietigbaarheid van de aanslag c.a. ten gevolge heeft. Ook op dat punt strandt belanghebbendes cassatieberoep dus. Wel kan onjuiste adressering betekenen dat de aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, waardoor de bezwaartermijn pas aanvangt als de belastingplichtige het biljet alsnog krijgt. De belanghebbende stelt primair dat de aanslag niet is verzonden en subsidiair dat hij onjuist was geadresseerd en verzonden had moeten worden naar haar rechtsopvolgers en/of haar gemachtigde.
1.12
Beoordeeld moest dus worden (i) of de aanslag überhaupt bekend is gemaakt (regelmatig ter bezorging is aangeboden aan PostNL) en zo ja, (ii) of hij naar het juiste adres is gestuurd en zo neen, (iii) of dat aan de Inspecteur te wijten is.
1.13
Het Hof heeft in detail onderzocht of het aanslagbiljet regelmatig bij PostNL is aangeboden en heeft gemotiveerd geconcludeerd dat de Inspecteur overtuigend bewezen heeft dat het aanslagbiljet op 12 oktober 2017 regelmatig ter postbezorging is aangeboden. Aan dat bewijsoordeel kan de cassatierechter mijns inziens niets afdoen omdat het een ruim voldoende gemotiveerd oordeel over feiten is. Ook op dit punt mist het cassatieberoep doel.
1.14
Dan resteert de adressering. Op grond van art. 8(1) IW wordt een belastingaanslag verstuurd naar de belastingschuldige; dat is volgens art. 2(1)(k) IW degene te wiens naam de aanslag is gesteld, i.e. de belanghebbende. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor een andere adressering bij een na splitsing opgelegde aanslag ten name van een door splitsing verdwenen rechtspersoon die ziet op een jaar vóór splitsing. De litigieuze aanslag moest dus naar belanghebbendes adres gestuurd worden, tenzij de belanghebbende, haar rechtsopvolgers of haar bevoegde vertegenwoordiger de belastingdienst gevraagd hadden een ander adres te gebruiken.
1.15
De belanghebbende heeft niet gesteld dat zij of haar rechtsopvolgers of gemachtigde enige adreswijziging naar de belastingdienst hebben gestuurd. Zij stelt dat de Inspecteur spontaan het handelsregister had moeten raadplegen, mede gegeven het hem bekende splitsingsverzoek, maar die stelling heeft mijns inziens geen feitelijke grondslag (er bestaat wel degelijk gegevensuitwisseling, die echter niet leidt tot eigenmachtig de adreswijziging) en vindt overigens geen steun in de rechtspraak. De Inspecteur zou overigens ook in het handelsregister weer het adres van de belanghebbende gevonden hebben, dat immers óók het adres is/bleef van één van haar twee rechtsopvolgers. Het lag mijns inziens op de weg van de (rechtsopvolgers van de) belanghebbende om de fiscus te informeren op welk ander adres dan het bij de Inspecteur bekende adres van de belanghebbende (tevens het adres van één van haar rechtsopvolgers) zij aanslagen wensten te ontvangen. Hun verzuim om de Inspecteur te instrueren, is niet te wijten aan de belastingdienst. Dat haar ene rechtsopvolger, nog steeds gevestigd op haar bij de fiscus bekende oude adres, mogelijk niet wenste te communiceren met haar elders gevestigde andere rechtsopvolger, lijkt mij evenmin te wijten aan de belastingdienst.
1.16
De belanghebbende stelt verder dat de aanslag c.a. (ook) aan haar gemachtigde had moeten worden gezonden. Het Hof heeft geoordeeld dat zij noch haar rechtsopvolgers de belastingdienst in kennis hebben gesteld van die wens en dat de Inspecteur ook anderszins niet op de hoogte hoefde te zijn van die wens. Ook dat feitelijke oordeel is mijns inziens in cassatie onaantastbaar omdat het voldoende gemotiveerd is en geenszins onbegrijpelijk. Dat geldt met name voor ‘s Hofs bewijsoordeel dat de belanghebbende op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur uit een vaststellingsovereenkomst naar aanleiding van een splitsingsverzoek had moeten opmaken dat hij haar aanslagen c.a. aan de gemachtigde moest sturen. Die documenten lijkt zij overigens niet eens overgelegd te hebben aan het Hof.
1.17
Klacht (iii) stelt mijns inziens ten onrechte dat de belanghebbende wél weersproken zou hebben dat de Inspecteur geen ander adres bekend was en dat hem geen adreswijziging vanwege de belanghebbende had bereikt. Ik zie in het dossier geen aanwijzingen dat zij die stellingen weersproken heeft. Zij betoogde bij het Hof immers iets anders, nl. dat de Inspecteur een ander adres in zijn bestanden had moeten opnemen, nl. dat van haar andere rechtsopvolger of dat van haar gemachtigde. Die stelling is onjuist, zoals bleek.
1.18
Een beroep op het vertrouwensbeginsel (iv) kan niet voor het eerst in cassatie gedaan worden omdat feitelijk onderzocht zou moeten worden welk vertrouwen dan wel aan een uitlating of handeling van de Inspecteur ontleend kon worden. De belanghebbende geeft overigens niet aan om welke uitlating of handeling van de Inspecteur het zou gaan. Deze klacht lijkt een herhaling in andere woorden van andere klachten, en moet daarom het lot ervan delen.
1.19
Het mogelijk in belanghebbendes klachten te lezen beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel lijkt mij ongegrond, nu de vastgestelde feiten niet de conclusie toelaten dat de belastingdienst dat beginsel geschonden heeft. Eerder lijken de belanghebbende, haar rechtsopvolgers of haar gemachtigde onachtzaam te zijn geweest met betrekking tot het (niet) doorgeven aan de belastingdienst dat aanslagen en dergelijke ten name van de belanghebbende niet naar haar adres, tevens adres van een rechtsopvolger gestuurd moesten worden, maar naar haar andere rechtsopvolger en/of naar een gemachtigde.
1.20
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
Bij brief van 25 juni 2015 heeft de Inspecteur op verzoek van de belanghebbende [X] BV uitstel van aangifte Vpb 2014 verleend. Bij brief van 22 januari 2016 is de belanghebbende eraan herinnerd dat de aangifte Vpb 2014 niet was ingediend, dat verder uitstel niet wordt verleend en dat de aangifte uiterlijk 5 februari 2016 moest zijn ingediend. Met dagtekening 4 maart 2016 is de belanghebbende een aanmaning gestuurd met uiterste inleverdatum op 18 maart 2016 en aankondiging van een verzuimboete van minimaal € 2.639 bij niet-tijdige indiening.
2.2
Pas op 26 oktober 2016 heeft de belanghebbende aangifte Vpb 2014 gedaan naar een belastbaar bedrag van negatief € 51.640. Zij is per 4 januari 2017 uitgeschreven uit het handelsregister, dat als reden vermeldt haar verdwijning door zuivere splitsing per 31 december 2016. Haar laatstelijk ingeschreven adres luidt: [a-straat 1] [Q] .
2.3
Een uittreksel uit het Handelsregister vermeldt dat de bij de splitsing verkrijgende rechtspersonen [A] BV en [B] BV zijn. Volgens dat uittreksel is [a-straat 1] [Q] ook het vestigingsadres van één van die twee verkrijgende rechtspersonen, nl. dat van [A] BV. Dat uittreksel vermeldt kennelijk niet het adres van [B] BV (zie r.o. 2.16 Hof). Kennelijk is ook geen uittreksel ter zake van van [B] BV overgelegd; wel ter zake van [A] BV (zie r.o. 2.17 Hof).
2.4
Met dagtekening 14 oktober 2017 heeft de Inspecteur ten name van de belanghebbende bij één biljet een aanslag Vpb 2014 naar een belastbaar bedrag van nihil opgelegd, haar verlies 2014 bij beschikking vastgesteld op € 51.640 en haar bij beschikking een verzuimboete van € 2.639 opgelegd. De adressering van het aanslagbiljet luidt: [a-straat 1] [Q] . De belanghebbende noch haar rechtsopvolgers hebben daarop gereageerd.
2.5
Op 7 februari 2019 heeft de belanghebbende elektronisch een herziene aangifte Vpb 2014 ingediend naar een belastbaar bedrag van negatief € 139.640. De Inspecteur heeft die herziening aangemerkt als bezwaar tegen de aanslag 2014 c.a. Bij brief van 16 maart 2019, verstuurd naar het adres [a-straat 1] te [Q] , heeft hij dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, maar tegelijk belanghebbendes verlies 2014 van ambtswege verhoogd naar € 129.276. Niet in geschil is dat die brief de belanghebbende heeft bereikt (zie r.o. 4.16 Hof).
2.6
Op 27 maart 2019 heeft de belanghebbende nogmaals een herziene aangifte Vpb 2014 ingediend, nu naar een belastbaar bedrag van negatief € 239.640 wegens een niet eerder opgevoerde aftrekpost ad € 100.000 aan huisvestingskosten.
2.7
Bij brief van 29 mei 2019 heeft de Inspecteur ook die tweede herziening aangemerkt als bezwaar tegen de aanslag 2014 c.a. en ook dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Wel heeft hij de belanghebbende verzocht om een toelichting op de opgevoerde huisvestingskosten ten behoeve van ambtshalve beoordeling. Daarop heeft de gemachtigde bij brief van 19 februari 2020 de Inspecteur laten weten dat de huisvestingskosten nimmer als kosten in 2013 zijn opgenomen en daarom in mindering op de winst 2014 moeten komen.
2.8
Bij brief van 14 april 2020 heeft de Inspecteur het verzoek om het verlies 2014 te verhogen met de gestelde huisvestingskosten afgewezen omdat die kosten zijns inziens niet zijn onderbouwd en hoe dan ook op 2013 en niet op 2014 zien.
2.9
Bij brief van 25 mei 2020 heeft belanghebbendes gemachtigde beroep ingesteld bij de Rechtbank Gelderland tegen de afwijzende brief van de Inspecteur van 14 april 2020.
De Rechtbank Gelderland1.
2.10
De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat zij de beslissing van de Inspecteur van 14 april 2020 als beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering beschouwde, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Er bestaat geen rechtsregel op grond waarvan naar analogie van art. 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering dat niet de inkomstenbelasting maar de vennootschapsbelasting betreft.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden2.
2.11
Voor het Hof was in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De belanghebbende meende van niet. Zij betoogde dat:
- de aanslag 2014 c.a. niet (op de juiste wijze) is bekendgemaakt;
- daarom de brief van de Inspecteur van 16 maart 2019 opgevat moet worden als de aanslag 2014 c.a.;
- haar tweede herzieningsverzoek van 27 maart 2019 daarom opgevat moet worden als haar tijdig ingediende bezwaarschrift tegen die aanslag en
- de afwijzende brief van de Inspecteur van 14 april 2020 als uitspraak op dat bezwaar moet worden beschouwd, zodat haar op 25 mei 2020 daartegen ingestelde beroep tijdig is ingesteld.
De belanghebbende betoogde tot adstructie primair dat de aanslag c.a. niet ter bezorging aan PostNL was aangeboden en subsidiair dat de aanslag c.a. niet naar het juiste adres was verzonden als gevolg van nalatigheid van de belastingdienst.
2.12
Het Hof heeft belanghebbendes primaire standpunt verworpen omdat hij na gedetailleerd onderzoek de Inspecteur met de door hem ingebrachte verzenddocumentatie en toelichting daarop zelfs geslaagd achtte in het – ter zake van de boetbeschikking vereiste – overtuigende bewijs dat het aanslagbiljet op 12 oktober 2017 ter bezorging aan PostNL was aangeboden.
2.13
Het Hof heeft ook belanghebbendes subsidiaire standpunt verworpen, daartoe overwegende als volgt:
“4.13. Het Hof overweegt dat subsidiair niet in geschil is dat het aanslagbiljet naar het adres van belanghebbende is verzonden. Dat was in die zin volgens belanghebbende een onjuiste adressering omdat belanghebbende inmiddels was opgehouden te bestaan en daarom niet meer op dit adres was gevestigd. Voor de vraag of niettemin sprake is van een bekendmaking op een voorgeschreven wijze is bepalend of die vermeende onjuiste adressering aan de Inspecteur is te wijten.3.De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat in zijn bestanden ten tijde van de verzending van de aanslag geen ander adres dan het [a-straat 1] te [Q] stond vermeld en dat hem geen adreswijziging heeft bereikt.
4.14.
Het Hof stelt vast dat door belanghebbende of diens gemachtigde niet aan de Inspecteur is meegedeeld dat voor de adressering van stukken gericht aan belanghebbende voortaan, althans na het verdwijnen van belanghebbende ten gevolge van de splitsing, gebruik moest worden gemaakt van alternatieve adresgegevens, in dit geval de adresgegevens van gemachtigde. Dat dit mogelijkerwijs in de vaststellingsovereenkomst bij de splitsing heeft gestaan, maakt belanghebbende op geen enkele wijze aannemelijk. Het voorgaande houdt in dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de Inspecteur op de hoogte heeft gebracht van andere adresgegevens dan het tot dusverre bekende en gebruikte adres ‘ [a-straat 1] te [Q] ’. Daarbij komt dat uit het handelsregister blijkt dat één van de (onder algemene titel) verkrijgende vennootschappen op hetzelfde adres is gevestigd (...). Het Hof is daarom van oordeel dat de Inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aanslagbiljet aan het juiste adres is verzonden. Dat mogelijkerwijs ten gevolge van de ‘ruzie tussen de rechtsopvolgers onder algemene titel’ waar gemachtigde naar verwijst, de andere rechtsopvolger ( [B] B.V.) ‘onder algemene titel’ (…) niet op de hoogte is gebracht van het bestaan van de aanslag, verliesvaststelling- en boetebeschikking, maakt dit niet anders.
4.15.
Het voorgaande leidt het Hof tot het oordeel dat de Inspecteur met de toezending van het onderhavige aanslagbiljet naar het adres: [a-straat 1] te [Q] de Inspecteur de aanslag, verlies- en boetebeschikking op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.”
2.14
Daaruit volgt, aldus het Hof, dat de bezwaartermijn daags na 14 oktober 2017 begon te lopen en dat de brief van de Inspecteur van 16 maart 2019 als uitspraak op bezwaar moet worden aangemerkt, zodat beoordeeld moet worden of de belanghebbende tijdig (verschoonbaar te laat) beroep heeft ingesteld tegen die uitspraak. Dat is volgens het Hof niet het geval:
“4.18. Nu vaststaat dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag, verliesvaststellings- en boetebeschikking tijdig heeft ontvangen, 29 april 2019 derhalve de laatste dag van de beroepstermijn is (...), het beroepschrift is ingediend op 25 mei 2020 (...) en belanghebbende niets ter verschoning van deze beroepstermijn heeft aangevoerd, is het Hof van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.”
2.15
Voor zover de belanghebbende bij de Rechtbank beroep wilde instellen tegen de beslissing van de Inspecteur van 14 april 2020 op haar (tweede) verzoek om ambtshalve vermindering, is ook dat beroep niet-ontvankelijk, aldus het Hof, omdat tegen een dergelijke beslissing geen beroep openstaat bij de belastingrechter.
2.16
Volgens het Hof heeft de Rechtbank belanghebbendes beroep dus terecht niet-ontvankelijk verklaard, al was het deels op andere gronden.
3. Het geding in cassatie
3.1
De belanghebbende heeft tijdig en ook overigens regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
3.2
Het cassatieberoepschrift van belanghebbendes gemachtigde formuleert acht ‘grieven’, waarin ik de volgende vier bezwaren tegen ’s Hofs oordelen lees. Het Hof heeft ten onrechte:
(i) in r.o. 4.14 en 4.15 geoordeeld dat de aanslag c.a. van 14 oktober 2017 correct is bekend gemaakt en ter post is bezorgd.4.Het aanslagbiljet had ten name van haar rechtsopvolgers gesteld moeten worden en had naar belanghebbendes gemachtigde of naar haar beide rechtsopvolgers verzonden moeten worden, nu de belanghebbende ten tijde van de verzending al was opgehouden te bestaan en de Inspecteur dat had moeten weten uit (a) de vermelding daarvan in het handelsregister en (b) een (vaststellingsovereenkomst ter zake van een) splitsingsverzoek van 4 april 2016. Zij acht de aanslag c.a. van 14 oktober 2017 daarom nietig, zodat de bezwaartermijn pas is gaan lopen daags na de brief van de Inspecteur van 16 maart 2019, die zij als aanslag aanmerkt. Het Hof maakt volgens haar het openbare, voor een ieder toegankelijke handelsregister tot een farce als de belastingdienst daarvan geen enkele notie hoeft te nemen.
(ii) in r.o. 4.10 geoordeeld dat de aanslag c.a. van 14 oktober 2017 ter post is bezorgd.5.
(iii) in r.o. 4.13 overwogen dat de Inspecteur onweersproken heeft gesteld dat in zijn bestanden ten tijde van de verzending van de aanslag geen ander adres dan [a-straat 1] te [Q] stond en dat hem geen adreswijziging heeft bereikt.6.Volgens de belanghebbende lag het op de weg van de Inspecteur om zijn adresgegevens bij te houden, nu de verkrijgende rechtspersonen in het door de Inspecteur ontvangen splitsingsverzoek worden vermeld en de Inspecteur adresgegevens en tenaamstellingen zou moeten koppelen aan de gegevens in het handelsregister.
(vi) miskend dat de belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de brief van 16 maart 2019 de (eerste) aanslag was, zodat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt.7.
3.3
Bij verweer sluit de Staatssecretaris zich aan bij het oordeel van het Hof, dat volgens hem de rechtskundig juiste maatstaven en bewijslastverdeling heeft gebruikt. Hij meent dat belanghebbendes klachten over onjuiste tenaamstelling van de verliesvaststellings-beschikking en de boetebeschikking en over schending van het vertrouwensbeginsel bij de feitenrechter niet zijn aangevoerd en daarom als ontoelaatbare nova in cassatie moeten worden beschouwd. Er kan niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan op een regel of beginsel waarvan de toepassing een vaststelling of waardering van feiten vergt die bij de feitenrechter niet heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de overige klachten meent de Staatssecretaris dat zij oordelen bestrijden die berusten op aan het Hof voorbehouden waardering van feiten, omstandigheden en bewijsmiddelen. Deze feitelijke oordelen acht hij voldoende en begrijpelijk gemotiveerd.
4. De wet en de wetsgeschiedenis
4.1
De hoofdregel van bekendmaking van beschikkingen in art. 3:41(1) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:
“De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."
4.2
In overeenstemming daarmee luidt art. 8(1) van de Invorderingswet 1990 (IW):
“De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.”
4.3
Art. 2(1)(k) IW definieert ‘belastingschuldige’ als:
“(…) degene te wiens naam de belastingaanslag is gesteld; (…)”
4.4
Art. 6:8(1) Awb bepaalt over de bezwaar- of beroepstermijn:
“De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.”
4.5
Art. 22j van de Algemene wet rijksbelastingen (AWR) bevat een lex specialis voor de aanvang van de termijn voor bezwaar tegen belastingaanslagen:
“In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan:
a. met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking (…).”
4.6
Art. 6:11 Awb bepaalt dat een bezwaar- of beroepstermijnoverschrijding verschoonbaar kan zijn:
“Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.”
4.7
De AWR kent geen bepalingen over de tenaamstelling en adressering van een aanslag opgelegd aan een rechtspersoon die ten gevolge van een splitsing is verdwenen. Simonis e.a.8.schrijven daarover:
“Een aanslag kan alleen aan de ‘belastingplichtige’ worden opgelegd. Een vraag is of, nadat de splitsende rechtspersoon is verdwenen, aanslagen over de periode dat deze nog bestond, moeten worden opgelegd ten name van de verdwijnende rechtspersoon of aan een of meer van de verkrijgende rechtspersonen.”
Wat de tenaamstelling van zo’n aanslag betreft, wijzen zij op de memorie van toelichting bij de wijziging van een aantal fiscale wetten bij de invoering van de juridische splitsing in het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.8
Die MvT vermeldt het volgende:9.
“Ingevolge het voorgestelde artikel 334j, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek mag een rechtsverhouding waarbij de splitsende rechtspersoon partij is niet worden gesplitst, maar moet in haar geheel overgaan. Tot een dergelijke rechtsverhouding dienen formele en materiële belastingschulden te worden gerekend. Onder het splitsingsverbod vallen dan ook de belastingschulden die, al dan niet geformaliseerd, voor of ten tijde van de splitsing (zijn) ontstaan. Belastingaanslagen die worden opgelegd na de splitsing van de belastingplichtige worden ten name van de belastingplichtige vastgesteld. Uit de beschrijving van de verdeling van het vermogen van de splitsende rechtspersoon zal doorgaans blijken of en op welke verkrijgende rechtspersoon de genoemde belastingschulden overgaan. Voor het geval zulks niet blijkt bevat het voorgestelde artikel 334s van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een voorziening. Indien het gehele vermogen van de gesplitste rechtspersoon is overgegaan, kan iedere verkrijgende rechtspersoon als rechtsopvolger van de gesplitste rechtspersoon worden aangesproken – als schuldenaar – voor het volle bedrag van de betreffende belastingschulden van de gesplitste rechtspersoon. Indien niet het gehele vermogen van de gesplitste rechtspersoon is overgegaan, kan de gesplitste rechtspersoon worden aangesproken voor de betreffende belastingschulden. Ingevolge het voorgestelde artikel 334t van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn voorts de verkrijgende rechtspersonen en, zo deze blijft bestaan, de gesplitste rechtspersoon elk voor het geheel aansprakelijk tot nakoming van de belastingschulden van de belastingschulden van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing. Zij zijn niet tot nakoming gehouden voordat de rechtspersoon waarop de belastingschuld is overgegaan of, ingeval de belastingschuld niet is overgegaan, de gesplitste rechtspersoon in de nakoming is tekortgeschoten. (…).”
4.9
Diezelfde MvT zegt hetzelfde over de tenaamstelling van aanslagen opgelegd aan een belastingplichtige die als gevolg van een fusie is opgehouden te bestaan:10.
“In geval van een fusie gaat het hele vermogen van de verdwijnende rechtspersoon over op de verkrijgende rechtspersoon. Tot dit vermogen behoren de materiële en formele belastingschulden. Belastingaanslagen die worden opgelegd na de fusie van de belastingplichtige (verdwijnende rechtspersoon) worden ten name van de belastingplichtige vastgesteld.”
4.10
De nota naar aanleiding van het verslag vermeldt:11.
“De leden van de VVD-fractie vragen wie als schuldenaar de belastingaanslag van de gesplitste rechtspersoon krijgt opgelegd indien het gehele vermogen van de gesplitste rechtspersoon is overgegaan en hoe onderling verhaal is geregeld. In het geval uit de beschrijving van de verdeling van het vermogen niet blijkt op welke verkrijgende rechtspersoon de, al dan niet ten tijde van de splitsing geformaliseerde, belastingschulden van de splitsende rechtspersoon zijn overgegaan, zijn ingevolge artikel 334s van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek alle verkrijgende rechtspersonen hoofdelijk verbonden. De belastingaanslag wordt ten name gesteld van de gesplitste rechtspersoon (de belastingplichtige) en dus niet ten name van een of meer van de verkrijgende rechtspersonen. Voor betaling van de belastingschulden van de gesplitste rechtspersoon kunnen de verkrijgende rechtspersonen rechtstreeks worden aangesproken; (…).”
4.11
Art. 2:334s BW, waarop de geciteerde parlementaire geschiedenis ziet, luidt als volgt:
“1. De leden 2 tot en met 4 zijn van toepassing indien van een vermogensbestanddeel aan de hand van de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon daarop na de splitsing rechthebbende is.
2. Indien het gehele vermogen van de gesplitste rechtspersoon is overgegaan, zijn de verkrijgende rechtspersonen gezamenlijk rechthebbende. Elke verkrijgende rechtspersoon deelt in het vermogensbestanddeel naar evenredigheid van de waarde van het deel van het vermogen van de gesplitste rechtspersoon dat hij verkrijgt.
3. Indien niet het gehele vermogen is overgegaan, is de gesplitste rechtspersoon rechthebbende.
4. Voor zover verkrijgende rechtspersonen uit hoofde van lid 2 aansprakelijk zijn voor schulden, zijn zij hoofdelijk verbonden.”
4.12
De geciteerde opmerkingen van de medewetgever over de tenaamstelling gaan niet in op de adressering van een belastingaanslag ten name van een verdwenen rechtspersoon over een periode waarin hij nog bestond, maar pas opgelegd na zijn verdwijning. Wel heeft de regering het volgende opgemerkt over de invordering van een dergelijke aanslag:12.
“De heer Fortuin stelt de vraag of de navorderingsaanslag in geval van een zuivere splitsing of van een civielrechtelijke fusie wel valt in te vorderen bij de verkrijgende vennootschap(pen). Zoals ik heb opgemerkt in de memorie van toelichting zal ingeval de verleende faciliteit wordt teruggenomen alsnog moeten worden geheven op het moment van de splitsing onderscheidenlijk de fusie. De belastingschuld ontstaat ten tijde van de splitsing onderscheidenlijk de fusie. De navorderingsaanslag wordt opgelegd ten name van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige is opgehouden te bestaan, zal de belasting worden ingevorderd bij de verkrijgende rechtspersonen, omdat op die rechtspersonen de (latente) schulden van de belastingplichtige zijn overgegaan.”
4.13
Ik maak uit wettekst noch wetsgeschiedenis op dat het aanslagbiljet ten name van een verdwenen rechtspersoon (ook) naar een ander adres dan dat van die rechtspersoon verstuurd moet worden als die rechtspersoon, diens rechtsopvolgers of diens bevoegde vertegenwoordiger de belastingdienst niet van die wens in kennis hebben gesteld en bovendien, zoals in casu, één van de twee verkrijgende rechtspersonen gevestigd is/blijft op het adres van de verdwenen rechtspersoon. Dat een aanslag ten name van de verdwenen rechtspersoon ingevorderd kan worden bij zijn rechtsopvolgers impliceert geenszins dat bekendmaking van die aanslag aan het adres van de verdwenen rechtspersoon niet correct zou zijn als de belastingdienst geen ander adres heeft en ook niet had behoren te kennen. (Potentiële) aansprakelijkheid is iets anders dan belastingplicht of belastingschuld.
5. Rechtspraak
5.1
In uw rechtspraak zijn aan de orde geweest de vragen (i) wanneer de tenaamstelling van een aanslag onjuist is en wat daarvan het gevolg is, (ii) wat het gevolg is van onjuiste adressering en (iii) in welke omstandigheden een (kopie van een) aanslagbiljet verzonden moet worden aan een gemachtigde. Maar de vraag naar welk(e) adres(sen) een aanslagbiljet ten name van een door splitsing verdwenen rechtspersoon moet worden verzonden, is bij mijn weten nog niet aan u voorgelegd. Wel heeft u geoordeeld over de vraag (iv) wie in bezwaar en beroep wordt aangemerkt als belanghebbende ter zake van een aanslag opgelegd aan een door fusie verdwenen rechtspersoon.
Ad (i): onjuiste tenaamstelling
5.2
In HR BNB 1998/33513.oordeelde u dat onjuiste tenaamstelling van een aanslagbiljet in het algemeen niet kan leiden tot een betalingsverplichting, tenzij het gaat om een zodanig geringe onvolkomenheid dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan over de vraag voor wie het biljet is bestemd.
5.3
In de zaak HR BNB 2009/19614.fuseerde stichting B op 31 maart 2000 als verdwijnende rechtspersoon met stichting A (later stichting C) als verkrijgende rechtspersoon. Een naheffingsaanslag voor door stichting B verschuldigde omzetbelasting over 1996 (vóór fusie) werd door de inspecteur opgelegd aan – dus ten name gesteld van – stichting C. In geschil was of de tenaamstelling van die naheffingsaanslag juist was. In afwijking van de conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Van Hilten, die op basis van de boven (4.8) geciteerde parlementaire geschiedenis meende dat de aanslag ten name van Stichting B gesteld had moeten worden, oordeelde u dat de Inspecteur kon kiezen:
“3.3. Bij een juridische fusie treedt de verkrijgende rechtspersoon - onder verkrijging van het vermogen onder algemene titel - als rechtsopvolger van de verdwijnende rechtspersoon in de verplichtingen van deze laatste rechtspersoon. Vaststaat dat vóór de juridische fusie Stichting B een bedrag aan verschuldigde omzetbelasting niet heeft voldaan, maar dat deze stichting ten tijde van het vaststellen van de aanslag - vanwege de juridische fusie - was opgehouden te bestaan. In een dergelijk geval heeft de inspecteur de keuze om in het aanslagbiljet ter zake van deze belastingschuld hetzij de naam van de verdwenen rechtspersoon hetzij de naam van de verkrijgende rechtspersoon te bezigen. Daarbij verdient opmerking dat in zowel het ene als het andere geval rechtsmiddelen tegen de aanslag dienen te worden aangewend door de verkrijgende rechtspersoon (zie HR 29 april 2005, nr. 39181, BNB 2005/318).
In hetgeen het Hof heeft overwogen met betrekking tot de tenaamstelling van de aanslag ligt besloten het oordeel dat belanghebbende uit het aanslagbiljet voldoende duidelijk heeft kunnen opmaken ter zake waarvan de aanslag werd opgelegd. Dat oordeel kan als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Uitgaande van dat oordeel kan niet worden gezegd dat het aanslagbiljet niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het middel faalt derhalve.”
De opvatting dat de inspecteur bij de tenaamstelling mag kiezen tussen de verdwijner en de verkrijger, strookt niet met de 4.8 geciteerde parlementaire geschiedenis, waaruit volgt dat belastingaanslagen ten laste van de verdwijner over een periode vóór de fusie, maar opgelegd na de fusie, ten name van de inmiddels verdwenen belastingplichtige gesteld worden. Maar die parlementaire behandeling vond plaats in vergaderjaar 1997-1998, terwijl het litigieuze belastingjaar 1996 was. Wellicht achtte u daarom die posterieure wetgeving(sgeschiedenis) niet beslissend. Wat daarvan zij, HR BNB 2009/196 helpt de belanghebbende niet, nu het de Inspecteur volgens dat arrest vrij stond om de aanslag c.a. Vpb 2014 ten name van de verdwenen belanghebbende te stellen.
Ad (ii): bekendmaking op de voorgeschreven wijze; (onjuiste) adressering
5.4
Het is vaste jurisprudentie dat een aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt als de aanslag de belanghebbende niet heeft bereikt als gevolg van een onjuiste adressering die aan de belastingdienst te wijten is.15.Zo overwoog u in HR BNB 2004/200:16.
“3.2. Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. De evenvermelde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de belastingdienst (bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de belastingdienst is te verwijten). In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.”
5.5
Op 28 juni 2016 oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden over de vraag of de onjuiste adressering van een aanslagbiljet aan de belastingdienst was te wijten.17.Ter zake van de belanghebbende vermeldde het handelsregister naast een vestigingsadres ook een correspondentieadres. Volgens de belanghebbende had het aanslagbiljet niet naar haar vestigingsadres, maar naar haar correspondentieadres gestuurd moeten worden. Het Hof verwierp deze stelling:
“4.6. Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat het aanslagbiljet belanghebbende niet tijdig heeft bereikt, niet het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. De Ontvanger heeft de verzending van het aanslagbiljet op juiste wijze uitgevoerd, nu het door hem gehanteerde adres [b-straat] 3 te [D] het vestigingsadres van belanghebbende betrof zoals zij dit aan de Kamer van Koophandel heeft doorgegeven. In artikel 1, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007 wordt onder een vestiging verstaan een gebouw of complex van gebouwen waar duurzame uitoefening van de activiteiten van een onderneming of rechtspersoon plaatsvindt. Uitsluitend dit vestigingsadres was als authentiek gegeven in het BVR-systeem van de Belastingdienst18.verwerkt. Naar het oordeel van het Hof is de Ontvanger, nu belanghebbende geen postadres aan de Belastingdienst heeft doorgegeven voor de toezending van de aanslagbiljetten, terecht uitgegaan van het adres waarop belanghebbende gevestigd is en was hij niet gehouden het bij de Kamer van Koophandel geregistreerde correspondentieadres te gebruiken.
4.7.
Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat de Ontvanger, door het aanslagbiljet te verzenden naar [b-straat] 3 te [D] , de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, zodat daags na de dagtekening van het aanslagbiljet de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is aangevangen. Het bezwaarschrift is alsdan niet voor het einde van de termijn ingediend.”
Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door u ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81(1) Wet RO.19.
5.6
Staat vast dat een aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, dan vangt volgens HR BNB 2012/25320.de bezwaartermijn pas aan op de dag van ontvangst alsnog door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger:
“3.3.2. Het middel betoogt terecht dat bekendmaking van een besluit geen voorwaarde is voor de totstandkoming daarvan. Op grond van artikel 3:40 van de Awb is bekendmaking slechts een voorwaarde voor de inwerkingtreding van een besluit, nadat het tot stand is gekomen.
3.3.3.
De enkele omstandigheid dat een aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is geen grond voor vernietiging van die aanslag en geeft evenmin grond om aan te nemen dat die aanslag van rechtswege nietig is (vgl. HR 25 november 2005, nr. 39 529, LJN AU6887, BNB 2006/43).
3.3.4.
Wel leidt die omstandigheid ertoe dat de bezwaartermijn pas aanvangt op de dag van de ontvangst door de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger van het aanslagbiljet of van een afschrift daarvan (zie HR 15 maart 2000, nr. 34 999, LJN AA5141, BNB 2000/220).”
Ik meen dat hierop belanghebbendes betoog afstuit, ook als juist zou zijn haar betoog dat de tenaamstelling of adressering niet correct zou zijn, dat de te haren name gestelde en naar haar adres verzonden aanslag c.a. nietig zou zijn.
Ad (iii): vereiste toezending (kopie) aanslagbiljet aan de gemachtigde
5.7
In de zaak HR BNB 2001/33621.oordeelde u dat de inspecteur geen (kopie) aanslagbiljet aan een gemachtigde hoeft te verzenden als daar niet door of namens de belanghebbende is verzocht. Zonder zo’n verzoek is de regel dat aanslagen verzonden worden naar de belastingplichtige zelf:
“3. Voorzover het middel betoogt dat de Inspecteur, op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel, belanghebbendes gemachtigde in kennis had moeten stellen van de aan belanghebbende verzonden aanslag faalt het eveneens. Van de inspecteur kan niet worden verlangd het aanslagbiljet zelf of een kopie daarvan aan een gemachtigde te verzenden, indien niet door of namens belanghebbende daarom is verzocht. Het Hof heeft vastgesteld dat een zodanig verzoek niet is gedaan.”
5.8
Ook in de zaak HR BNB 2003/20422.stond vast dat de belanghebbende niet had verzocht om toezending van aanslagen aan haar gemachtigde, maar in die zaak overwoog u dat de inspecteur in de specifieke omstandigheden van dat geval toch gehouden kon zijn de gemachtigde ‘op enigerlei wijze in kennis te stellen’ van het feit dat de aanslag was opgelegd. Nalaten daarvan zou een termijnoverschrijding bij het instellen van bezwaar of beroep verschoonbaar kunnen maken in de zin van art. 6:11 Awb. Die specifieke omstandigheden waren de volgende: de aanslag was vastgesteld na een briefwisseling tussen de gemachtigde en de inspecteur over een door de inspecteur aangekondigde afwijking van de aangifte. De laatste brief in die wisseling was afkomstig van de gemachtigde en bevatte het verzoek aan de inspecteur om te reageren op de standpunten van die gemachtigde. De inspecteur had dat niet gedaan en in plaats daarvan de aanslag opgelegd, volgens de hoofdregel geadresseerd aan de belastingplichtige zelf:
“3.4. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat overigens geen omstandigheden zijn gebleken waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel zich te dezen niet een geval voordoet als bedoeld in dat artikel. Het Hof heeft daaraan nog toegevoegd dat de Inspecteur door het opleggen van de aanslag na de brief van belanghebbende van 18 oktober 1999 niet zodanig in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld dat de termijnoverschrijding door belanghebbende verschoonbaar moet worden geacht.
De tegen dit oordeel gerichte motiveringsklacht slaagt. Zonder nadere motivering, welke echter ontbreekt, is niet duidelijk waarom de Inspecteur in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder na de brief van de gemachtigde van 18 oktober 1999, niet gehouden was de gemachtigde op enigerlei wijze in kennis te stellen van het feit dat hij de aanslag had opgelegd. Hierbij wordt het volgende opgemerkt. Artikel 2:1 van de Awb bepaalt dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. In de Memorie van toelichting bij [de] Algemene wet bestuursrecht (…) is ter toelichting van artikel 2:1 van de Awb vermeld:
‘Een bestuursorgaan dat, wetend dat een gemachtigde is aangesteld, bepaalde stukken niet (tevens) aan deze gemachtigde doet toekomen, kan daarom in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding handelen (...). Niet altijd impliceert echter het optreden van een gemachtigde, dat ieder contact tussen het bestuursorgaan en belanghebbende uitsluitend via de gemachtigde moet lopen. Veel zal van de omstandigheden afhangen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van de belanghebbende zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen’ (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 49).
Indien de Inspecteur in vorenbedoeld opzicht niet behoorlijk heeft gehandeld en tevens ervan mag worden uitgegaan dat bij wél behoorlijk handelen door de Inspecteur wél tijdig bezwaar zou zijn gemaakt, zou zulks kunnen gelden als een omstandigheid op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege dient te blijven.”
Ad (iv): wie heeft procesbelang in bezwaar en beroep tegen een aan een verdwenen rechtspersoon opgelegde aanslag?
5.9
De zaak HR BNB 2005/31823.betrof een aanslag rioolaansluitrecht 1998 opgelegd aan een stichting X die door fusie met een stichting B ophield te bestaan nadat zij bezwaar had gemaakt maar voordat daarop uitspraak werd gedaan. In geschil was of B ontvankelijk was in haar beroep dat zij ‘namens X’ had ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. U meende van wel:
“5.1. Indien ten name van een bepaalde rechtspersoon een aanslag is opgelegd of een - ingevolge enige bepaling van de belastingwet voor bezwaar vatbare - beschikking is gegeven, dan wel een uitspraak op bezwaar of op (hoger) beroep is gedaan, kan een daartegen gericht bezwaar of beroep (waaronder begrepen hoger beroep of cassatieberoep) slechts worden ingesteld door of namens de rechtspersoon ten aanzien van wie de litigieuze aanslag, beschikking of uitspraak is gedaan.
Indien een bepaalde rechtspersoon ten gevolge van een fusie als bedoeld in artikel 2:309 BW is opgehouden te bestaan, kan die rechtspersoon (hierna: de verdwenen rechtspersoon) echter geen (rechts)handelingen zoals het indienen van een bezwaar- of beroepschrift meer verrichten. Na de fusie dient een bezwaar- of beroepschrift betreffende een aanslag, beschikking of uitspraak ten name van de verdwenen rechtspersoon dan ook te worden ingediend door of namens de verkrijgende rechtspersoon, die immers na de fusie als de belanghebbende ter zake van die aanslag of beschikking moet worden aangemerkt nu het vermogen van de verdwenen rechtspersoon onder algemene titel op hem is overgegaan.”
5.10
Ik leid hieruit af dat ook bij een zuivere splitsing geldt dat de verkrijgende vennootschappen als belanghebbenden worden aangemerkt voor wat betreft de mogelijkheden om bezwaar en (hoger) beroep in te stellen tegen aanslagen, uitspraken op bezwaar, en dergelijke ten name van de verdwenen rechtspersoon. Ook bij een zuivere splitsing gaat immers het vermogen van de splitsende rechtspersoon, die ophoudt te bestaan, onder algemene titel over op de verkrijgende vennootschappen (art. 2:334a(2) BW).
5.11
De vraag kan daardoor rijzen of art. 3:41(1) Awb dan meebrengt dat de litigieuze aanslag c.a. ook verzonden had moeten worden naar belanghebbendes rechtsopvolgers, die immers als ‘belanghebbenden’ in de zin van het geciteerde arrest kunnen worden aangemerkt, en art. 3:41(1) Awb bepaalt dat een besluit dat tot een of meer ‘belanghebbenden’ is gericht, bekend wordt gemaakt door toezending of uitreiking aan hen. Ik meen van niet omdat (i) de aanslag niet tot belanghebbendes rechtsopvolgers is gericht, maar tot de belastingplichtige, (ii) het om twee verschillende belanghebbende-begrippen gaat en (iii) HR BNB 2005/318 alleen de ontvankelijkheid van bezwaar en beroep ingesteld door de verkrijgende rechtspersonen betrof en niet de adressering of bekendmaking, waarvoor bovendien de lex specialis van art. 8(1) IW in plaats van art. 3:41(1) Awb geldt, die het niet over ‘belanghebbenden’, maar alleen over ‘de belastingschuldige’ heeft.
6. Beoordeling van het cassatieberoep
6.1
Uit de parlementaire geschiedenis weergegeven in 4.8 en 4.9 hierboven volgt dat de aanslag 2014 c.a. op naam van de pas ná dat jaar gesplitste en verdwenen rechtspersoon [X] BV gesteld moest worden, wat de Inspecteur ook heeft gedaan, en niet op naam van de verkrijgende rechtspersonen [A] BV en/of [B] BV. De tenaamstelling van de aanslag c.a. was dus juist. Ook het van die geschiedenis afwijkende arrest HR BNB 2009/196 (zie 5.3 hierboven) helpt de belanghebbende niet omdat dat arrest de Inspecteur de keuze geeft tussen de verdwijner en de verkrijger. Op het punt van de tenaamstelling van de aanslag c.a. mist belanghebbendes cassatieberoep dus doel.
6.2
Uit HR BNB 2012/253 (zie 5.6 hierboven) volgt dat eventuele onjuiste adressering van het aanslagbiljet geen nietigheid of vernietigbaarheid van de aanslag c.a. ten gevolge heeft. Ook die stelling van de belanghebbende kan dus niet tot cassatie leiden. Wel kan onjuiste adressering meebrengen dat de aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, waardoor de bezwaartermijn pas aanvangt nadat de belastingplichtige alsnog kennis heeft genomen van het biljet.
6.3
De belanghebbende stelt primair dat de aanslag niet is verzonden en subsidiair dat hij onjuist was geadresseerd omdat hij geadresseerd had moeten worden aan haar beide rechtsopvolgers en/of aan haar gemachtigde.
6.4
Beoordeeld moet dus worden of de aanslag c.a. op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, wat neerkomt op de vragen (i) of de aanslag überhaupt bekend is gemaakt (regelmatig ter postbezorging is aangeboden aan PostNL) en zo ja, (ii) of hij naar het juiste adres is gestuurd en zo neen, (iii) of dat aan de Inspecteur te wijten is.
6.5
Het Hof heeft in detail onderzocht of het aanslagbiljet regelmatig ter bezorging is aangeboden aan PostNL en heeft gemotiveerd geconcludeerd dat de Inspecteur met de verzenddocumentatie en toelichting daarop overtuigend bewezen heeft dat het aanslagbiljet op 12 oktober 2017 regelmatig ter bezorging aan PostNL is aangeboden. Aan dat bewijsoordeel kan de cassatierechter mijns inziens niets afdoen omdat het een ruim voldoende gemotiveerd oordeel over feiten is. Ook op dit punt mist het cassatieberoep doel.
6.6
Dan resteert de adressering. Op grond van art. 8(1) IW wordt een belastingaanslag verstuurd naar de belastingschuldige; dat is volgens art. 2(1)(k) IW degene te wiens naam de aanslag is gesteld, i.e. de belanghebbende. De wetsgeschiedenis (zie 4.7 t/m 4.10 hierboven) biedt geen aanknopingspunt voor een andere adressering in geval van een na splitsing opgelegde aanslag ten name van een door splitsing verdwenen rechtspersoon die ziet op een jaar vóór splitsing. De litigieuze aanslag moest dus naar belanghebbendes adres gestuurd worden, tenzij de belanghebbende, haar rechtsopvolgers of haar bevoegde vertegenwoordiger de belastingdienst anders hadden laten weten dan wel de belastingdienst uit anderen hoofde anders had moeten weten.
6.7
De belanghebbende heeft niet gesteld dat zij, haar rechtsopvolgers of haar gemachtigde enige correspondentie-adreswijziging naar de belastingdienst hebben gestuurd. Het Hof heeft vastgesteld (i) dat de belanghebbende noch haar gemachtigde de Inspecteur heeft gevraagd om een ander adres dan [a-straat 1] te [Q] te gebruiken voor de adressering van stukken die na de splitsing aan haar zouden worden gericht, (ii) dat de litigieuze aanslag c.a. naar dat adres is gezonden, en (iii) dat [A] BV, één van belanghebbendes twee rechtsopvolgers op datzelfde adres is gevestigd.
6.8
Volgens de belanghebbende had de Inspecteur echter spontaan het handelsregister moeten raadplegen, mede gegeven het hem bekende splitsingsverzoek, én had hij de aanslag c.a. (ook?) moeten toesturen naar haar elders gevestigde tweede rechtsopvolger. Die stelling heeft mijns inziens geen feitelijke grondslag, nu de belastingdienst wel degelijk automatisch het register van de kamer van koophandel raadpleegt, maar dat leidt niet tot eigenmachtige adreswijziging (zie 6.9 hieronder). Die stelling vindt overigens ook geen steun in de in onderdeel 5 weergegeven rechtspraak, en de Inspecteur zou bovendien ook in het handelsregister toch weer belanghebbendes adres aan de [a-straat] gevonden hebben, dat immers het adres is/bleef van één van haar twee rechtsopvolgers.
6.9
Navraag bij het Ministerie van Financiën (Klantgegevens Belastingdienst) leert dat een aanslag op naam van een inmiddels verdwenen rechtspersoon over een periode waarin hij nog bestond, verstuurd wordt naar het laatst bekende adres van die rechtspersoon. Elke rechtspersoon heeft een RSIN-nummer waaraan het vestigingsadres in het KvK-register is gekoppeld. Het BVR24.-systeem van de Belastingdienst is gekoppeld aan de gegevens uit het KvK en het VBN-systeem dat wordt gebruikt voor de vennootschapsbelasting neemt de gegevens uit het BVR-systeem over. De aanslag wordt gestuurd naar het vestigingsadres in het KvK (in casu dus dat van de belanghebbende), tenzij een ander postadres is doorgegeven. Vast staat in ons geval dat geen ander adres is doorgegeven. Wordt een rechtspersoon gesplitst en houdt hij op te bestaan, dan krijgen de BVR- en VBN-systemen daarvan automatisch signalen van het KvK en wordt de verdwijner afgevoerd en de verkrijgers opgevoerd, maar het adres waar aanslagen ten name van de verdwijner naartoe gaan, wordt niet eigenmachtig vervangen door of gekoppeld aan het adres/de adressen van de verkrijger(s). De splitsing, de verkrijgers en hun (adres)gegevens zijn dus op zichzelf wel bekend bij de Belastingdienst door de automatische gegevensuitwisseling met de KvK, maar de adressering van aanslagen ten name van de verdwenen rechtspersoon blijft ongewijzigd (het laatst bekende adres van de verdwijner) zolang geen adreswijziging wordt doorgegeven; er wordt niet automatisch aangesloten bij een adres van een rechtsopvolger, waarbij ook de vraag zou rijzen: van welke rechtsopvolger?
6.10
Het lag mijns inziens dus op de weg van de (rechtsopvolgers van de) belanghebbende om de fiscus te informeren op welk ander adres dan het bij de Inspecteur laatst bekende adres van de belanghebbende - dat ook het adres bleef van één van haar rechtsopvolgers - zij aanslagen wensten te ontvangen. Hun verzuim om de Inspecteur te instrueren om belanghebbendes aanslagen naar het adres van een andere rechtsopvolger te sturen, is niet te wijten aan de belastingdienst. Dat haar ene rechtsopvolger, nog steeds gevestigd op haar bij de fiscus bekende oude adres van de belanghebbende, mogelijk niet wenste te communiceren met haar elders gevestigde andere rechtsopvolger, lijkt mij evenmin te wijten aan de belastingdienst.
6.11
De belanghebbende stelt verder dat de aanslag c.a. (ook) aan haar gemachtigde had moeten worden gezonden. Het Hof heeft vastgesteld (r.o. 4.14) dat zij noch haar rechtsopvolgers de Inspecteur daar om hebben verzocht en uit HR BNB 2001/336 (zie 5.7) volgt dat de Inspecteur slechts gehouden is (een kopie van) de aanslag naar een gemachtigde te sturen als daar door of namens de belanghebbende om is gevraagd. Een bijzondere omstandigheid die aanleiding moet zijn om daarvan af te wijken, zoals in de zaak HR BNB 2003/204 (zie 5.8 hierboven), doet zich mijns inziens niet voor. De belanghebbende heeft slechts aangevoerd dat (i) de Inspecteur uit het handelsregister had kunnen opmaken dat zij was opgehouden te bestaan en (ii) de gemachtigde betrokken was geweest bij een splitsingsverzoek en een daarop volgende vaststellingsovereenkomst voorafgaand aan de oplegging van de aanslag. Dat zijn mijns inziens geen omstandigheden vergelijkbaar met die in HR BNB 2003/204: noch uit de vermelding in het handelsregister van belanghebbendes splitsing (die geen wijziging van adres meebracht bij één van haar twee rechtsopvolgers), noch uit mogelijke betrokkenheid van de gemachtigde bij een splitsingsverzoek en een vaststellingsovereenkomst, moest de Inspecteur redelijkerwijs opmaken dat na de splitsing nog aan de belanghebbende opgelegde aanslagen aan de gemachtigde moesten worden verzonden, nu het Hof de belanghebbende ook ‘op geen enkele manier’ geslaagd heeft geacht in aannemelijk maken dat de Inspecteur uit die vaststellingsovereenkomst en/of dat splitsingsverzoek had moeten opmaken dat na de splitsing nog aan de belanghebbende opgelegde aanslagen aan de gemachtigde moesten worden verzonden. Die documenten heeft zij overigens kennelijk niet eens overgelegd aan het Hof. Ook hier gaat het overigens om feitelijke (bewijs)oordelen die mijns inziens in cassatie onaantastbaar zijn omdat zij voldoende gemotiveerd zijn en geenszins onbegrijpelijk.
6.12
Klacht (iii) heeft mijns inziens geen feitelijke grondslag. De belanghebbende betoogt dat zij wél weersproken heeft dat de Inspecteur tijde van de verzending van de aanslag c.a. geen ander adres bekend was en dat hem geen adreswijziging vanwege de belanghebbende had bereikt. Ik zie in het dossier geen aanwijzingen dat zij die stellingen weersproken heeft. Zij betoogde bij het Hof immers iets anders, nl. dat de Inspecteur een ander adres in zijn bestanden had moeten opnemen, nl. dat van haar andere rechtsopvolger of dat van haar gemachtigde. Die stelling is onjuist, zoals bleek.
6.13
Een beroep op het vertrouwensbeginsel (klacht (iv)) kan niet voor het eerst in cassatie gedaan worden omdat feitelijk onderzocht zou moeten worden welk vertrouwen aan een uitlating of handeling van de Inspecteur ontleend kon worden. De belanghebbende geeft niet aan om welke uitlating of handeling van de Inspecteur het zou gaan. Deze klacht lijkt een herhaling in andere woorden van andere klachten, en moet daarom het lot daarvan delen.
6.14
Het mogelijk in haar ‘grieven’ te lezen beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel lijkt mij ongegrond, nu de vastgestelde feiten niet de conclusie toelaten dat de belastingdienst dat beginsel geschonden heeft. Eerder lijken de belanghebbende, haar rechtsopvolgers of haar gemachtigde onachtzaam te zijn geweest met betrekking tot het informeren van de belastingdienst aan welk (ander) adres zij aanslagen en dergelijke ten name van de belanghebbende toegezonden wensten te zien.
7. Conclusie
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑03‑2024
Rechtbank Gelderland 9 maart 2021, nr. AWB 20/2965, ECLI:NL:RBGEL:2021:1105.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 januari 2023, nr. 21/00487, ECLI:NL:GHARL:2023:664.
Voetnoot in origineel: Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885.
Zie ‘Grief III’ en de aangevoerde argumenten onder ‘Grief I’, ‘Grief II’, ‘Grief VI’ en ‘Grief VII’ van de motivering.
Zie ‘Grief I’ van de motivering.
Zie ‘Grief II’ van de motivering.
Zie ‘Grief IV’ van de motivering.
P.H.M. Simonis e.a., Juridische splitsing van kapitaalvennootschappen, Den Haag: SDU 2019, p. 225.
Kamerstukken II, 1997-1998, 25 709 (Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere belastingwetten in verband met de fiscale begeleiding van de overgang van vermogen onder algemene titel bij rechtspersonen op de voet van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek), nr. 3 (MvT), p. 8-9.
Kamerstukken II, 1997-1998, 25, nr. 3 (MvT), p. 9.
Kamerstukken II, 1997-1998, 25 709, nr. 5 (NnavV), p. 13-14.
Kamerstukken II, 1997-1998, 25 709, nr. 9 (Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 april 1998 inhoudende de aanvullende schriftelijke beantwoording van vragen gesteld op 31 maart 1998 tijdens de plenaire behandeling van wetsvoorstel 25 709), p. 7.
HR 31 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2356, BNB 1998/335, r.o. 3.1.
HR 5 juni 2009, na conclusie Van Hilten, ECLI:NL:HR:2009:BD9229, BNB 2009/196, NTFR 2009/1385 met noot Sanders; V-N 2009/28.5 met noot Redactie.
Zie bijvoorbeeld HR 13 juli 2012, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2012:BV1885, BNB 2012/263 met noot Pechler; FED 2012/99 met noot Thomas; AB 2013/381 met noot Ortlep; NTFR 2012/1822 met noot Van de Merwe, r.o. 3.4.2 en voor een overzicht de conclusie van A-G IJzerman van 22 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BV9529, onderdelen 5.22-5.28.
HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, BNB 2004/200 met noot Van Soest; NTFR 2004/349 met noot Pechler; V-N 2004/14.6 met noot Redactie.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:5224.
HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:603.
HR 29 juni 2012, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2012:BW0194, BNB 2012/253, met noot Van Amersfoort; FED 2012/100 met noot Pechler, AB 2012/276 met noot Ortlep; Belastingblad 2013/187 met noot De Bruin; FutD 2012/1723 met noot FutD; NTFR 2012/1746 met noot Van de Merwe; V-N 2012/34.6 met noot Redactie.
HR 24 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2769, BNB 2001/336; FED 2001/593 met noot Thomas; V-N 2001/42.2, met noot Redactie; NTFR 2001/1114, met noot Van der Wal.
HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7094, BNB 2003/204 met noot Van Leijenhorst; FED 2004/136 met noot Okhuizen; V-N 2003/20.5 met noot Redactie; NTFR 2003/668 met noot Van Hassel; JB 2003/163 met noot Niessen-Cobben.
HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4894, BNB 2005/318; FED 2006/108 met noot Weerepas; NTFR 2005/595 met noot S.C.W. Douma; FutD 2005/0858 met noot FutD; V-N 2005/23.6 met noot Redactie.