Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.5.3.5
6.5.3.5 Vrees voor te vergaande overheidsaansprakelijkheid ongegrond
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303965:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 december 2010, NJ 2012/155, m.nt. Hartlief (Wilnis). Zie ook Hof Amsterdam 29 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN3671 (Voetbaltrainer) betreffende een vordering ex 6:174 jegens de gemeente; Rb. Rotterdam 13 oktober 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO3418 (Loopplank) betreffende een vordering ex art. 6:173 jegens een gemeentelijk havenbedrijf.
Hof Leeuwarden 22 juni 2010, JA 2010/115 (X/Politie Regio Ijsselland).
Het Hoogheemraadschap (of meer algemeen: waterschappen) riep niet zelf een gevaar in het leven en verhoogde geen risico’s: integendeel, het spande zich juist in om het bestaande risico op overstroming en wateroverlast tegen te gaan.
Een waterschap beoogt geen winst en heeft zelf geen profijt van zijn activiteiten: het zijn in beginsel juist derden die profiteren van de ‘risicoverlagende’ activiteiten van de waterschappen. De activiteiten van waterschappen kosten enkel geld, en hebben als oogmerk de veiligheid (van burgers en bedrijven) te vergroten.
Nederlandse verzekeraars beschouwen schade bij dijkdoorbraken als onverzekerbaar, omdat geen enkele verzekeraar de risico’s kan dragen voor de schade die een overstroming in ons land aan kan richten. Nu deze schade van dekking van woningverzekeringen van (potentieel) benadeelden is uitgesloten, ligt het niet voor de hand dat waterschappen in essentie dezelfde schade wél onbeperkt zouden kunnen verzekeren. Vgl. nader A-G Spier in zijn conclusie sub 5.13-5.16.2 voor het Wilnis- arrest.
De aansprakelijkheid van de overheid werd blijkens het eindarrest Hof Den Haag 6 mei 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1539 (Wilnis) uiteindelijk niet aangenomen omdat niet was voldaan aan het gebreksvereiste van art. 6:174.
Zie uitvoerig par. 7.5.1.
Zie par. 5.4.
Zie reeds par. 5.3.1.
Juridische en/of rechtspolitieke argumenten om de overheid als gebruiker van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken en dieren bij de toepassing van art. 6:181 een bijzondere positie te laten innemen, zijn er mijns inziens niet. Steun voor de opvatting dat de overheid (zowel het overheidsbedrijf als de klassieke overheid) onder het bedrijfsbegrip van art. 6:181 valt, kan in mijn ogen nog worden gevonden in het feit dat op deze ‘organisatie’ óók in de hoedanigheid van bezitter van dergelijke zaken1 en dieren2 de kwalitatieve aansprakelijkheid van de art. 6:173, 174 en 179 kan rusten. Illustratief is het Wilnis-arrest waarin het Hoogheemraadschap, een overheidslichaam, als bezitter van een verschoven veendijk onder het toepassingsbereik van art. 6:174 viel. Dit terwijl niet eens aan de gedachte van gevaarverhoging,3 het profijtbeginsel4 en het verzekeringsargument5 was voldaan.6 Het gaat uiteraard te ver om vanwege het enkele feit dat een bepaalde (rechts)persoon ex art. 6:173, 174 en 179 (ook) als bezitter kwalitatief aansprakelijk kan zijn, aan te nemen dat diezelfde persoon dáárom ook als ‘bedrijfsmatige’ gebruiker ex art. 6:181 kan hebben te gelden. Ware dat anders, dan zou in feite eenieder als ‘bedrijfsmatige’ gebruiker ex art. 6:181 aangemerkt kunnen worden, aangezien in theorie ook eenieder bezitter van een schadeveroorzakend(e) zaak of dier kan zijn. Niettemin meen ik dat hier toch een steunargument vóór overheidsaansprakelijkheid ex art. 6:181 valt te signaleren: indien men, uit angst voor een te vergaande aansprakelijkheid, een principiële uitsluiting van de overheid van de kwalitatieve aansprakelijkheden ex art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 zou hebben voorgestaan, zouden deze aansprakelijkheden ook niet op de overheid als bezitter hebben kunnen rusten. Niet ter discussie staat echter dat de overheid als bezitter kwalitatief aansprakelijk kan zijn op grond van art. 6:173, 174 en 179. Ik zie niet in dat een dramatisch andere uitkomst bereikt zou moeten worden wanneer diezelfde overheid de in deze artikelen bedoelde zaken bij de uitvoering van haar taken gebruikt (art. 6:181) zónder daarvan bezitter te zijn. Hierbij valt nog aan te tekenen dat het argument van ‘gevaarverhoging’ – de grondgedachte achter de aansprakelijkheden van de art. 6:173, 174 en 179 -7 in de regel juist zal opgaan zodra de overheid een zaak niet enkel bezit maar in het kader van haar activiteiten ‘gebruikt’.
Dat de overheid ‘integraal’ onder het toepassingsbereik van art. 6:181 valt, sluit aan bij de dogmatische plaatsbepaling van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:170 en 171: niet art. 6:171 maar art. 6:170 fungeert als inspiratiebron voor de toepassing van art. 6:181.8 Relevant is dat waar art. 6:171 enkel ziet op het overheidsbedrijf en niet ook op de klassieke overheid als opdrachtgever van zelfstandige hulppersonen, een dergelijk onderscheid door art. 6:170 niet wordt gemaakt aangezien íeder overheidslichaam ex art. 6:170 ‘verantwoordelijk’ is voor fouten van zijn ondergeschikten begaan bij de taakvervulling.9
Ten slotte is een voordeel van de door mij voorgestane benadering, waarin de overheid ‘integraal’ onder de reikwijdte van art. 6:181 valt, dat ter toepassing van deze bepaling het lastige en toch enigszins gekunstelde onderscheid tussen het overheidsbedrijf en de klassieke overheid – anders dan op het terrein van art. 6:171 – niet gemaakt hoeft te worden.