Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.3:8.5.3 Strafvermindering als alternatief voor bewijsuitsluiting in VS
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.3
8.5.3 Strafvermindering als alternatief voor bewijsuitsluiting in VS
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613054:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Strunk v. United States, 412 U.S. 434 (1973).
Zie par. 4.2.4.1.
Zie ook par. 8.4.3.1.
Calabresi 2003, p. 116-117.
Kamisar 2003, p. 135-136.
Vgl. Starr 2009, p. 1512.
Zie daarover par. 4.2.4.2.
468 U.S. 1032 (1984).
Kamisar 2003, p. 137-139.
Kamisar 2003, p. 140.
Starr 2009, p. 1512-1513.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Hooggerechtshof heeft strafvermindering als mogelijke reactie op schending van het grondwettelijk recht op een ‘speedy trial’ in 1973 expliciet van de hand gewezen.1Interessant is te zien dat in de Verenigde Staten in de recente literatuur verschillende voorstellen zijn gedaan om strafvermindering toe te passen als alternatief voor de bewijsuitsluitingsregel.
Calabresi stelde in 2003 voor om in een aparte procedure, nadat het onderzoek ter terechtzitting is afgerond en een veroordeling is uitgesproken, mogelijk te maken om te klagen over de wijze van bewijsverkrijging met als inzet de mogelijkheid van strafvermindering. Voor verdachten blijft dan een prikkel bestaan om te procederen over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging, terwijl het effect van vervorming van het recht2 – dat bij bewijsuitsluiting optreedt omdat de rechter aan toepassing daarvan probeert te ontkomen – lang zo sterk niet zal zijn.3 Strafvermindering zou daarbij gekoppeld moeten worden aan een automatische bestraffing van de betrokken agent die navenant in hevigheid toeneemt naarmate de ernst van de grondwetschending of de mate van schuld aan de zijde van de agent groter is.4
In zijn reactie op dit voorstel wijst Kamisar erop dat niet kan worden verwacht dat politieagenten zich door het vooruitzicht van strafvermindering zullen laten weerhouden van ongrondwettig handelen. Hoewel hij ervan overtuigd is dat de politie niet onverschillig staat tegenover de uitkomst van een strafzaak in termen van een veroordeling of vrijspraak, acht hij onaannemelijk dat de politie erin is geïnteresseerd of de verdachte tot vijf, tien of twaalf maanden gevangenisstraf wordt veroordeeld. Vanuit het perspectief van de politie telt dat de verdachte is veroordeeld en dat hun optreden resultaat heeft gehad: ‘their illegal actions paid off’.5 De effectiviteit van het voorstel van Calabresi wat betreft het beïnvloeden van politiegedrag, zo stelt Kamisar vast, moet daarom komen van de individuele bestraffing van de agent en daarin heeft hij weinig fiducie: ‘the police are politically powerful, and judges have historically been loath to closely supervise and sanction them’.6 Zijns inziens valt daarom te verwachten dat wanneer de politie denkt dat een dergelijk systeem van directe individuele bestraffing echt zal werken, zij zich daartegen zal verzetten met het argument dat dat leidt tot ‘overdeterrence’.7 En hoewel de politie geen invloed heeft op de geheel aan de discretie van de rechter onderworpen toepassing van de bewijsuitsluitingsregel, kan zij via de politiek wel mede de vorm bepalen van alternatieven voor die regel: ‘(...) the exclusionary rule is not something the police can fight and defeat in the political arena − it is a remedy that judges control and can apply without being dependent upon the actions of other branches of government’. Voor zover dit onderdeel van het voorstel van Calabresi al ooit in betekenisvolle vorm zou worden aangenomen, is het gevaar levensgroot dat het in de praktijk niet wordt toegepast, maar een papieren bestaan zal leiden, aldus Kamisar. Hij wijst daarbij als voorbeeld naar de afwijzing van toepassing van de bewijsuitsluitingsregel in INS v. Lopez-Mendoza,8waarbij er in de meerderheidsopinie onder meer op werd gewezen dat de INS (Immigration and Naturalization Services) een eigen stelsel heeft, waarin INS-agenten instructie krijgen over de eisen die het Vierde Amendement aan hun optreden stelt en dat een procedure kent voor het onderzoeken en bestraffen van agenten die dit Amendement schenden. Het bestaan van dit programma en deze procedure voor bestraffing vermindert volgens het Hooggerechtshof de meerwaarde van toepassing van de bewijsuitsluitingsregel. ‘The trouble was, as dissenting Justice White was quick to point out, that the Lopez- Mendoza majority failed to cite a single instance in which INS procedures had been invoked.’9 Mocht een voorstel als dat van Calabresi daadwerkelijk voet aan de grond krijgen, dan lijkt het Kamisar verstandig niet direct de bewijsuitsluitingsregel af te schaffen, maar eerst na een aantal jaren met het nieuwe stelsel te hebben gewerkt, te evalueren of dat inderdaad de gewenste invloed op politiehandelen heeft.10
Van nog recenter datum is het voorstel van Starr uit 2009 om strafvermindering toe te passen als een remedie voor ‘prosecutorial misconduct’. Zij acht de argumenten van Kamisar tegen strafvermindering plausibel waar het gaat om sturing van het gedrag van politieambtenaren, maar meent dat ze niet opgaan ten aanzien van de prosecutor, omdat deze wel geïnteresseerd is in de hoogte van de opgelegde straf.11 Een nadere bespreking van haar voorstellen gaat het bestek van dit onderzoek te buiten.