Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.2.1
2.2.1 Karakter van de vennootschap
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389442:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handboek Van der Heijden 1931, nr. 45. Van der Heijden had eerder op basis van de voorontwerpen voor wat uiteindelijk de regeling in het WvK 1929 zou worden een andere omschrijving van de N.V. gegeven: “De naamlooze vennotschap is de vennootschap, met een in aandeelen verdeeld maatschappelijk kapitaal, waarin ieder der vennooten een of meer aandeelen heeft en slechts voor het bedrag zijner aandeelen tot inbreng is gehouden, zonder voor de verbintenissen van de vennootschap persoonlijk aansprakelijk te zijn.” Zie E.J.J. van der Heijden, ‘De definitie der Naamlooze Vennootschap’, R.M. 1919, p. 334, opgenomen in C.J.H. Jansen & G. van Solinge, Verspreide geschriften van E.J.J. van der Heijden, Van der Heijden-reeks nr. 67, Deventer: Kluwer 2001, p. 42.
Handboek Van der Heijden 1931, nr. 44.
Ibid.
Ten tijde van de inwerkingtreding van het WvK 1929 luidde het opschrift van de betreffende afdeling in het BW nog “Van Maatschap of Vennootschap”. De aanduiding is gewijzigd in enkel “Van Maatschap” bij wet van 2 juli 1934, Stb 1934, 347.
Handboek Van der Heijden 1931, nr. 44. De toepasselijkheid en relevantie van de artikelen 1655 e.v. BW op de N.V. was kennelijk algemeen aanvaard. Ter illustratie zij erop gewezen dat de wettenbundel van Fruin destijds in het commentaar bij de artikelen 15 en 36 WvK een expliciete verwijzing bevatte naar artikelen 1655-1698 BW. Zie J.A. Fruin, De Nederlandsche Wetboeken, bewerkt door Th.A Fruin, Den Haag: Martinus Nijhoff 1936, aantekeningen bij artikel 15 WvK (p. 613) en 36 WvK (p. 616).
Raaijmakers Th. 1987, p.1 (verwijzend naar E.J.J. van der Heijden, De ontwikkeling van de Naamlooze Vennootschap in Nederland vóór de Codificatie, diss. Utrecht 1908, p. 77-83).
E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de Naamlooze Vennootschap, 4e druk, bewerkt door W.C.L. van der Grinten, Zwolle: Tjeenk Willink 1946, nr. 44.
Handboek Van der Heijden 1931 en Handboek Van der Grinten 1946, nrs. 42 en 43.
Zie over deze eerste codificatie in kort bestek Handboek Van der Heijden 1931, nrs. 11-13.
Artikel 36 WvK gaf de volgende wettelijke definitie van de N.V.: “De naamlooze vennootschap is de vennootschap met een in aandeelen verdeeld maatschappelijk kapitaal, waarin ieder der vennooten voor een of meer aandeelen deelneemt. De vennooten (aandeelhouders) zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam der vennootschap wordt verricht. De vennoootschap wordt, op straffe van nietigheid, opgericht bij een enotarieele akte.” Hiermee was evenwel nog geen sluitend antwoord gegeven op de vraag wat een N.V. nu eigenlijk was: niet alle elementen die de rechtsfiguur van de N.V. kenmerkte waren in deze definitie inbegrepen. In aanvulling op deze wettelijke definitie gaf Van der Heijden de volgende omschrijving van de N.V.: “De vennootschap, met een in aandeelen verdeeld, maatschappelijk kapitaal, waarin elk der vennooten deelneemt voor een of meer aandelen, welke den maatstaf vormen voor zijn inbreng en zijn rechten, aangegaan om in gemeenschappelijke naam te handelen onder aansprakelijkheid uitsluitend van het vennootschappelijk vermogen.”1
In deze ruimere omschrijving werd in aanvulling op de tekst van artikel 36 WvK het element van de inbreng expliciet benoemd. Van der Heijden zag in de verplichting tot inbreng een wezenlijk onderscheid tussen de N.V. enerzijds en andere vormen van ‘vennootschap’ anderzijds: “Wanneer bij maatschap en vennootschap onder firma de vennooten mogen inbrengen, beveiligen zij zich daardoor niet tegen verder gaand verlies. Bij de n.v. is dit anders. Met het voldoen aan den inbreng is de verplichting, welke de vennooten daar op zich nemen, uitgeput. Hun plicht tot samenwerking lost zich op in dien tot storting. Is aan laatstgenoemden plicht voldaan, dan houden zij slechts aanspraken over. Het zelf handelen namens de vennootschap behoort even weinig tot hun plicht als tot hun bevoegdheid. Hierdoor vervalt het strikte belang der aandeelhouders bij de personen hunner medevennooten, voor zoover deze laatsten aan hun stortingsplicht voldaan hebben. Na dien is het lidmaatschap in beginsel vatbaar voor overdracht.”2 Met de tweede toevoeging in de omschrijving, het handelen onder gemeenschappelijke naam, beoogde Van der Heijden het doel van het bijeenbrengen van middelen van aandeelhouders tot uitdrukking te brengen.3
Onder het (in 1934 ingetrokken) artikel 14 WvK kwalificeerde de N.V. als ‘vennootschap van koophandel’ en op grond van artikel 15 WvK was op de N.V. naast de bepalingen van het WvK en de ‘overeenkomsten der partijen’ ook het ‘Burgerlijk Regt’ van toepassing. Volgens Van der Heijden was hiermee gegeven dat de artikelen 1655 – 1689 van het toenmalige Burgerlijk Wetboek, houdende bepalingen betreffende de maatschap en de vennootschap,4 ook op de N.V. van toepassing waren voor zover zij niet door bijzondere bepalingen of de daaruit blijkende aard van de vennootschap terzijde werden gesteld.5 Reeds in zijn dissertatie van 1908 had Van der Heijden betoogd dat de N.V. te beschouwen was als een ‘gekwalificeerde maatschap’.6 In de eerste door Van der Grinten bewerkte druk van het Handboek (1946) was de koppeling van de N.V. aan de rechtsfiguur van de maatschap nog nadrukkelijker gelegd door de N.V. te omschrijven als een “een bijzondere, jegens derden werkende, vorm van maatschap.”7 In het verlengde hiervan merkten zowel Van der Heijden als ook Van der Grinten (althans in zijn vroegere bewerkingen van het Handboek) de N.V. als ‘vennootschap’ aan als een contractuele rechtsbetrekking – meer in het bijzonder een vorm van contractuele vereniging – die ontstaat bij overeenkomst.8
De kwalificatie van de N.V. als een bijzondere vorm van maatschap en dus als contractuele rechtsbetrekking was in lijn met de strekking en systematiek van de eerdere wettelijke regeling van de N.V. in het op de Franse Code de Commerce geënte WvK van 1838.9 Aandeelhouders van een N.V. waren net als bij een maatschap vennoten die zich bij overeenkomst in een N.V. hadden verenigd om via de N.V. aan het economisch verkeer deel te nemen en om daarmee een gezamenlijk doel na te streven. Anders dan bij een maatschap was de plicht tot inspanning en samenwerking voor de aandeelhouders/vennoten in een N.V. bij wijze van lex specialis in het WvK ten opzichte van de algemene wettelijke regels betreffende de maatschap in het BW beperkt tot de plicht om de door hen genomen aandelen vol te storten. Het bedrag van deze storting vormde tevens de grens voor de omvang van aansprakelijkheid van de individuele aandeelhouders/vennoten. Het aldus bijeengebrachte vennootschappelijk vermogen van de N.V. was een middel om de werkzaamheden of activiteiten te verrichten zoals omschreven in de door de aandeelhouders/vennoten in de statuten bepaalde doelomschrijving (artikel 36c WvK). Ook in dit opzicht kon de N.V. als een bijzondere vorm van maatschap worden gezien: vennoten in een N.V. hoefden weliswaar niet samen te werken om gezamenlijk een onderneming, bijvoorbeeld een handel in koffie, te drijven, maar zij brachten wel geld bijeen met het uitdrukkelijke doel om vanuit de N.V. een handel in koffie te doen drijven. Ook de vennoten in een N.V. waren aldus door een gezamenlijk doel verbonden.