Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.2.3
2.2.3 De N.V. als rechtspersoon
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS385805:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de Naamlooze Vennootschap, 7e druk, bewerkt door W.C.L. van der Grinten, Zwolle: Tjeenk Willink 1962, nr. 50 (“Aan de theorieën over de rechtspersoonlijkheid zullen wij voorbij gaan.”). Zie daarvoor E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de Naamlooze Vennootschap, 6e druk, bewerkt door W.C.L. van der Grinten, Zwolle: Tjeenk Willink 1955, nrs 51-58. De traditie van beschouwingen over rechtspersoonlijkheid is onlangs weer hersteld met de uitgebreide verhandeling in Asser/Maeijer & Kroeze 2-I*, 9e druk, Deventer: Kluwer 2015, nrs. 2-31.
Handboek Van der Heijden 1931, nr. 48.
Handboek Van der Grinten 1962, nr. 48.
Zie L. Timmerman, ‘Samenwerking, rechtspersoon en het staart schudt hond-verschijnsel’, in L. Timmerman et al (reds.), Samenwerken in het ondernemingsrecht, IVO-reeks nr. 80, Deventer: Kluwer 2011, p. 3-4 met verwijzing naar een recent door J.M. de Jongh herontdekt arrest van de Hoge Raad van 18 januari 1901, W. 7553: “dat de naamlooze vennootschap is een zelfstandig subject van rechten, geheel afgescheiden van de personen harer aandeelhouders.”
Handboek Van der Heijden 1931, nr. 49. Dit citaat is in de volgende drukken van het Handboek telkens overgenomen en pas losgelaten in de zevende druk. Zie Handboek Van der Grinten 1962, nr. 49.
Handboek Van der Heijden 1931, nr. 202. Van der Heijden lichtte in dezelfde paragraaf deze opmerking summier toe: “Bij de N.V. is de bevoegdheid tot besluiten voor een deel aan andere organen toevertrouwd dan die tot handelen. De macht tot het vaststellen van den wil, die de vennootschappelijke handeling zal bepalen, komt in hoogsten aanleg aan de aandeelhouders toe. Deze zullen die macht in den regel in algemeene vergadering moeten uitoefenen.”
Ibid, nr. 78.
Ibid, nr. 233.
Een laatste wezenlijk kenmerk van de N.V. in het WvK 1929 was haar kwalificatie als rechtspersoon (artikel 37 WvK). Interessant gegeven hierbij is dat de wet de N.V. als rechtspersoon benoemde terwijl in de wetenschap en in de praktijk op dat moment nog geen eenvormig beeld bestond over hoe het verschijnsel rechtspersoonlijkheid dogmatisch moest worden geduid. Illustratief zijn de uitgebreide beschouwingen die de eerste drukken van het Handboek wijdden aan theorieën van rechtspersoonlijkheid: pas in de zevende druk uit 1962 werd deze verkenning van theorieën geschrapt.1 Ook valt op dat aanvankelijk weinig belang gehecht leek te worden aan de wettelijke kwalificatie van de N.V. als rechtspersoon. Tijdens de parlementaire behandeling van het betreffende artikel in het wetsontwerp had Minister Heemskerk zich op het standpunt gesteld dat het weinig belangrijk was of de wet al of niet zou zeggen dat de N.V. een rechtspersoon is.2 Later is door Van der Grinten – in het kader van een uiteenzetting waarin hij juist het belang van duidelijke wettelijke kwalificaties van het al dan niet toekennen van rechtspersoonlijkheid bepleitte – aangevoerd dat de rechtspersoonlijkheid van de N.V. ook onder het oude recht werd aangenomen zonder dat de wet (het WvK 1838) dit expliciet bepaalde.3 Het is evenwel niet zo dat de rechtspersoonlijkheid van de N.V. onder het oude recht van meet af aan is aangenomen. Een paar jaar geleden hebben Timmerman en De Jongh de aandacht gevestigd op de wetenschappelijke richtingenstrijd over deze vraag die zich aan het einde van de 19e eeuw voltrok en die uiteindelijk door een arrest van de Hoge Raad uit 1901 werd beslecht.4 De conclusie van Van der Grinten was echter in zoverre juist dat de expliciete erkenning van de rechtspersoonlijkheid van de N.V. als vervat in artikel 37 WvK 1929 geen verandering ten opzichte van de toenmalige rechtsopvatting met zich bracht.
In afwezigheid van een vastomlijnd en eenduidig concept van rechtspersoonlijkheid gaf Van der Heijden een pragmatische invulling aan de ratio van de kwalificatie van de N.V. als rechtspersoon. Hij beschouwde de rechtspersoonlijkheid als een instrument om de contractuele rechtsbetrekking van de N.V. van een absolute werking jegens derden (dat wil zeggen: jegens anderen dan aandeelhouders/vennoten) te voorzien. Hij schreef hierover het volgende: “De contractueele betrekking tusschen de vennooten kan [bij een N.V.] door en tegen een ieder worden ingeroepen. De oprichters zonderen een deel van hun vermogen af ten dienste van de N.V.. Derden hebben dit te eerbiedigen en missen verhaal daarop voor de eigen schulden der aandeelhouders. Voor de handelingen, welke de aandeelhouders ten name hunner betrekking doen verrichten, missen derden verhaal op aandeelhouders persoonlijk. Zij moeten zich de verwijzing naar het vennootschappelijk vermogen getroosten. De gezamenlijke aandeelhouders nemen dus op een bijzondere wijze deel aan het rechtsverkeer. Zij treden in bijzonderen rechtstoestand jegens derden.”5 Van der Heijden benaderde het concept van rechtspersoonlijkheid vanuit het perspectief van de gezamenlijke aandeelhouders die via de N.V. deelnamen aan het rechtsverkeer. De rechtspersoonlijkheid strekte in deze benadering tot een vermogensrechtelijke verbijzondering van de hoofdregels van maatschap en vennootschap onder firma waarbij de vennoten immers wel persoonlijk aansprakelijk waren voor de verplichtingen van de vennootschap. Rechtspersoonlijkheid werd hier dus als het ware gebruikt om ordening aan te brengen in de vermogensrechtelijke positie van de gezamenlijke vennoten. De N.V. zelf lijkt slechts een hieraan dienstbare positie te zijn toebedacht.
Alles overziende had Van der Heijden een vrij helder conceptueel beeld van de rechtsfiguur van de N.V.. Zijn beroemde opmerking in het Handboek dat de hoogste macht binnen de N.V. bij de gezamenlijke aandeelhouders berustte6 lijkt in de betreffende paragraaf slechts terloops te zijn gemaakt, maar deze opmerking is wel consistent met zijn visie op de N.V.. Van der Heijden zag kennelijk geen discontinuïteit in de codificatie van 1929 ten opzichte van de regeling van het WvK 1838. Vanuit het perspectief van het WvK 1838 benaderde hij de N.V. conceptueel als een verbijzonderde vorm van een vehikel tot gezamenlijke deelname van vennoten aan het economisch verkeer. De vennootschappelijke doelomschrijving zoals bepaald door de aandeelhouders nam hierin bij Van der Heijden een centrale plaats in. Hij merkte het doel van de vennootschap (dat wil zeggen de beschrijving van de werkzaamheden of activiteiten ten behoeve waarvan het vennootschappelijk vermogen door de vennoten/ aandeelhouders bijeen was gebracht) aan als “het belangrijkste deel der vennootschappelijke constructie.”7 Ook ligt het voor de hand dat het ‘belang’ van de N.V. (artikel 51 WvK) in de visie van Van der Heijden als het belang van de gezamenlijke vennoten in het verlengde van de vennootschappelijke doelomschrijving gelegen zou zijn.
Het was ook deze doelomschrijving waarnaar het bestuur zich bij de vervulling van zijn bestuurstaak diende te richten. Hetgeen het bestuur dienstbaar achtte aan verwezenlijking van het door de vennoten bepaalde doel, moest het bestuur doen, hetgeen daarbuiten viel moest het laten. Binnen de grenzen van zijn bestuurstaak was het bestuur zelfstandig en vrij en was hij de N.V. enkel achteraf rekening en verantwoording over zijn handelen verschuldigd. In de visie van Van der Heijden was de zelfstandige bevoegdheid van het bestuur als lasthebber van de N.V. evenwel beperkt tot zaken die tot de gewone dagelijkse bedrijfsuitoefening konden worden gerekend. De besluitvorming over aangelegenheden die daarbuiten vielen behoorde op grond van artikel 43 WvK toe aan de gezamenlijke aandeelhouders via de AVA. Bij de bepaling van wat bij een specifieke N.V. tot de gewone dagelijkse bedrijfsuitoefening behoorde en wat niet was volgens Van der Heijden de statutaire doelomschrijving en het gebruik ervan een belangrijk gezichtspunt.8 Aldus waren het juridisch gezien de gezamenlijke aandeelhouders die bij akte van oprichting (in het toenmalig spraakgebruik ook wel aangeduid als de oprichtingsovereenkomst), al dan niet gewijzigd bij latere statutenwijziging, de lijnen uitzetten voor het speelveld waarin het bestuur zich vrijelijk mocht bewegen. De ‘hoogste macht’ van Van der Heijden kan dan ook worden begrepen als een uitdrukking van het conceptuele primaat van de gezamenlijke aandeelhouders binnen de contractuele rechtsbetrekking van de N.V..