Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/3.2.3
3.2.3 Het pre-Woolf tijdperk
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS601886:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mulheron 2004, p. 94-5. Men kan speculeren over de exacte oorzaak van deze storm, maar er zijn sterke aanwijzingen dat een en ander niet per se te maken had met een plotseling gedaalde kwaliteit van allerlei producten. Zie voor deze discussies Hodges 2001a, p. 332-9, Mildred 2000, p. 421-2, noot 4.
Deze berekening is gebaseerd op het overzicht (van 15 meest spraakmakende multi-party acties) dat Hodges 2001, p. 305-6 geeft. De meeste acties betroffen letselschade als gevolg van beweerdelijk gebrekkige producten. Voor een uitgebreid overzicht en een bespreking zie Hodges 2001, p. 319-503, Mildred 2000, p. 398-409. Het overzicht van Andrews 2003, p. 974-6 is beknopter. Zie ook 3.7.3.
Hodges 2001, p. 5, 11.
Onder meer Mildred 2000, p. 410.
Hodges 2001, p. 11.
Hodges 2001, p. 11.
The Times, 15 february 1990, waarin aan Horrocks v. Ford Motor Co Limited (niet gepubliceerd) werd gerefereerd en Hodges 2001, p. 11-2.
Naar aanleiding van 'the Hillsborough Stadium disaster die resulteerde in 900 claims voor letsels-en overlijdensschade als gevolg van het instorten van het stadion. Zie ook de volgende noot.
Chapman v. The Chief Constable of South Yorkshire Police and others; Rimmer v. The Chief Constable of South Yorkshire Police and others, The Times, 20 maart 1990, Hodges 2001, p. 13.
Hodges 2001, p. 5, 13.
Aldus the Law Society in het rapport Group actions made easier, 1995: 6.9.1 en 6.9.4: Hodges 2001, p. 13.
Hodges 2001, p. 5, 13.
De inhoud van het huidige Engelse regime is in belangrijke mate beïnvloed door ervaringen met de benadering van massaschade in de praktijk en rechtspraak in de jaren tachtig. Een goed begrip van de nieuwe regeling is niet mogelijk zonder kort stil te staan bij de omstandigheden die tot die regeling hebben geleid. Het Engelse rechtssysteem werd halverwege de jaren tachtig, begin jaren negentig bedolven onder een storm van multi-party acties.1 Het aantal claims per geval was gemiddeld 11.000.2 Bij de kleinste actie waren 39 claims ingesteld, bij de grootste 75.000. Aangezien er noch een wettelijke regeling, noch enige ervaring bestond die de rechter of partijen aanknopingspunten bood om met dergelijke voorbeelden van schaalvergroting in het proces om te gaan, zagen de betrokkenen zich genoodzaakt om hieruit een uitweg te vinden.3 In zekere opzichten zou men dit als een toestand van processuele overmacht kunnen zien. En in tijden van overmacht zijn 'noodmaatregelen' nodig en toegestaan: maatregelen die op ad hoc basis moesten worden genomen. Later zou blijken dat de nood in de spreekwoordelijke 'deugd' zou veranderen.
Door de gerechten werden procedurele technieken ontwikkeld om met de opgetreden schaalvergroting om te gaan. Die technieken waren uiteenlopend van aard, maar hadden alle gemeen dat ze vernieuwend en onconventioneel waren. Gedacht kan worden aan de ontwikkeling van verschillende methodes voor de selectie van test cases, aan de aanhouding van overige procedures totdat in de test cases was beslist op voor de acties cruciale gemeenschappelijke vraagstukken, of aan beslissingen die verband hielden met de oproeping van belanghebbenden. Ook werden door de rechters kosten-baten afwegingen uitgevoerd om een actie al dan niet ontvankelijk te verklaren, terwijl het klassieke Engelse procesrecht niet in dergelijke analyses voorzag.4 Daarbij zijn die rechters niet gespeend gebleven van kritiek, vooral van diegenen die daardoor benadeeld warden.5 De vraag is of de gerechten redelijkerwijs een andere keuze hadden. Achteraf kan worden geconcludeerd dat ze juist door hun onconventioneel optreden erin geslaagd zijn om controle over de zaken te behouden en te verhinderen dat de situatie `unmanagable' werd.6
Een belangrijke factor in het bovenstaande betrof het feit dat de lagere rechters een luisterend oor vonden bij het Court of Appeal dat in een serie uitspraken zijn goedkeuring aan dit rechterlijke activisme gaf. De noodzaak voor de toepassing van nieuwe case management technieken werd onderkend, evenals de ruime discretionaire bevoegdheid van 'the management court' te dien aanzien:
‘Inevitably, High Court judges assigned to the control of such litigation must depart from traditional procedures and adopt interventionist case management techniques. If the judges charged with the control of such actions did not undertake this innovative role, the system of justice in respect of such cases would break down entirely. That result could not be tolerated. Not surprisingly, the Court of Appeal has given its imprimatur to the creative role, in procedural terms, of judges to whom such litigation is assigned.'7
Steyn J. gaat zelfs een stap verder:8
`(This)...is complex multiparty litigation. In such litigation the sporting theory of justice, or what Prof Wigmore called the 'instinct to give the game fair play', ought to have no place. In such litigation, in the public interest, the concept of a party being dominus litis ought, as far as possible, to be subordinated to case management techniques controlled by the court. Subject to preserving the protections offered by the adversarial system, the court ought to control the pace of the litigation'.9
De ervaringen opgedaan bij de afwikkeling van verschillende categorieën multi-party acties hebben tot waardevolle inzichten geleid, waarvan de opstellers van Part 19.111 hebben geprofiteerd. Een belangrijke ontdekking was dat de verschillende soorten massaschade verschillende kenmerken hebben, hetgeen een specifieke benadering vereist en dat het onjuist is om te veronderstellen dat kwesties binnen dezelfde categorie, bijvoorbeeld gebrekkige producten, zonder meer volgens dezelfde blauwdruk kunnen worden afgewikkeld.10 Het is mogelijk en zelfs noodzakelijk om een wettelijk raamwerk te creëren, waarbinnen de rechter en partijen kunnen opereren, maar het zou onwenselijk zijn om de rechterlijke vrijheid bij de ontwikkeling van nieuwe relevante procedurele oplossingen al te zeer te sturen of te beperken. Opmerkelijk is dat deze conclusies niet alleen door de rechterlijke macht, maar ook door de advocatuur werden gedragen:
`We believe that considerable procedural flexibility is essential (...) It is not practicable to lay down criteria that will be applicable to all cases, even if it were desirable to do so.' 11
Vermeldenswaard is dat Lord Woolf oorspronkelijk van plan was om Part 19.I11 in een meer voorschrijvende stijl op te stellen, maar daarvan later heeft afgezien en voor de huidige, meer flexibele, vorm van de regeling heeft gekozen.12 Veel van datgene wat hierna over Part 19.111 zal worden opgemerkt, is te verklaren door deze 'historische' achtergrond.