Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.3.2.5
2.3.2.5 Voorlichtende taak op grond van het beginsel van de dienende overheid
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661516:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Scheltema 1989, par. 2.4. Zie paragraaf 2.2.3 en 2.3.2.5 over het beginsel van dienende overheid; Niessen 2012, par. 11 verwijst naar de gedachte dat de overheid tot taak heeft het algemeen belang te dienen, wat in het Franse rechtsontwikkeling is gekarakteriseerd als de “service public”.
Schlössels 2004, p. 29 (geciteerd via Van Steenbergen 2013, p. 161). Vgl. conclusie Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.3: ‘(…) de overheid de burger graag helpt en voorlicht ter zake van de door haar uit te voeren regels. (…) de overheid wil graag voorlichten’.
Nicolaï 1990, p. 460-462 en zie p. 178. Zie ook het kritische commentaar van Damen in AB 2009, 27, onder punt 7.
Feteris 2007, par. III.2.4. Van de Belastingdienst mag ook begrijpelijk taalgebruik worden verwacht (par. III.2.7).
Feteris 2007, p. 65. Vgl. Hofstra 1992, par. 12.5 over het ‘klantvriendelijk beleid’ van de Belastingdienst; Niessen 2012, par. 5.11.
Gribnau 2006, par. 28.7.2.
Smit 2012, p. 81. Zie ook Pechler 1999, p. 98.
Schonis 2009, p. 303. Vgl. Adriaansen-Keulers 1996, par. 2.5.3.3 (over de kosten voor de belastingbetaler van proces van heffing en inning), p. 162.
Hof 's-Hertogenbosch 14 september 2001, nr. 98/3322, V-N 2002/10.1.17, r.o. 4.2. Daar voegt het Hof direct aan toe dat deze informatievoorziening echter ‘haar grenzen’ kent; zie paragraaf 2.4.2.
Consumentenbond 2018, p. 16 in het kader van het onderzoek naar de BelastingTelefoon: ‘We vinden het oprecht vervelend om weer een onvoldoende te moeten uitdelen aan de Belastingtelefoon. Want wie maak je nu blij met de boodschap dat gratis advies dat betrouwbaar klinkt, toch onbetrouwbaar is? Bovendien is er geen goed alternatief. Wij vinden dat particulieren goed aangifte moeten kunnen doen, zónder kosten te hoeven maken om de regels boven water te krijgen. De Belastingtelefoon is dus een basisvoorziening. Wie vertrouwt op antwoorden van de Belastingtelefoon over alledaagse situaties (…) betaalt soms honderden euro’s te veel. Foute antwoorden zijn dus echt een probleem.’
Het vierde rechtsstatelijke beginsel als juridische grondslag voor de voorlichtende taak van de Belastingdienst is het beginsel van de dienende overheid.
In een rechtsstaat behoort de overheid ‘dienend’ te zijn aan de samenleving, zo verwoordt Scheltema’s beginsel van de dienende overheid.1 Schlössels meent dat de overheid uit dienstbetoon voorlichting moet geven aan burgers over de inhoud van regelgeving en de toepassing ervan.2 Nicolaï betoogt dat de administratie in het kader van ‘actief dienstbetoon’ een dienstvaardige en behulpzame opstelling zou moeten hebben.3
Ook in de fiscale literatuur wordt voorlichting door de Belastingdienst beschouwd als uitvloeisel van een dienende houding. Zo betoogt Feteris dat van de overheid – waaronder de Belastingdienst – méér wordt verlangd dan dat de overheid zich (slechts) onthoudt van tegenwerking van haar burgers bij het uitoefenen van hun rechten’.4 Er mag van de overheid ook – aldus Feteris – ‘een zekere hulpvaardigheid, een zeker dienstbetoon worden verwacht’. De Belastingdienst legt volgens Feteris ‘dan ook terecht veel nadruk op een dienstverlenende houding en voorlichting.’5 Gribnau legt een expliciete link met het beginsel van de dienende overheid en betoogt dat dit beginsel onder andere betekent ‘dat de belastingdienst de verantwoordelijkheid heeft voor bijvoorbeeld goede en snelle voorlichting aan belastingplichtigen’.6 Smit benadrukt dat belastingplichtigen doorgaans afhankelijk zijn van een goede taakbehartiging door de fiscale overheid.7 Hij acht het in dat kader van groot belang dat het ‘dienend karakter’ van de Belastingdienst ten opzichte van belastingplichtigen wordt vormgegeven door een actief, klantgericht optreden (‘dienstbetoon’). Schonis betoogt dat de Staat die hoge eisen stelt aan zijn burgers daar zelf adequaat handelen tegenover moet stellen.8 Dan gaat het volgens hem niet alleen om een houding met dienstbetoon bij de heffing en invordering, maar ook aan goede voorlichting (zowel algemeen als individueel).
In de fiscale rechtspraak is soms te zien dat van de Belastingdienst uit oogpunt van ‘behoorlijkheid’ voorlichting mag worden verwacht. Zo overweegt Hof Den Bosch in zijn uitspraak van 14 september 2001:
‘Op grond van algemeen aanvaarde opvattingen over behoorlijk overheidsoptreden, die hun uitdrukking hebben gevonden in rapporten van de Nationale ombudsman, mag van een bestuursorgaan verlangd worden dat het zorg draagt voor een adequate en actieve informatievoorziening aan burgers die daarbij belang hebben. (…).’9
Kortom, de voorlichtende taak van de Belastingdienst is niet louter ‘service’, maar vloeit voort uit een norm voor de overheid om zich dienstbaar op te stellen jegens haar burgers. Het voorgaande roept de vraag op of de belastingrechter daarmee voldoende rekening houdt, nu het risico op onjuiste voorlichting in beginsel bij de burger ligt (paragraaf 4.3, 4.7, 7.3). Wordt de burger dan een ‘dienst’ verleend?10