Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.3.3
3.3.3 Opvolgende zaaksvervanging en ‘toerekening’
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS947991:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 83 en T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 25.
Zie in die zin bijvoorbeeld B. Breederveld, ‘De bankrekening, de huwelijksgemeenschap en echtscheiding’, WPNR 2014/7006, p. 150, die schrijft: “[…] Indien derhalve een privévordering – bijvoorbeeld de verknochte vordering op grond van een aanspraak op smartengeld – van een echtgenoot door de schuldenaar wordt voldaan door overmaking op de betreffende bankrekening, dan gaat het ontvangen bedrag – als onderdeel van het saldo dat te vorderen is van de bank – deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap. Hetzelfde geldt evenzo voor de bijschrijving op de bedoelde bankrekening van de opbrengst van een privégoed na de vervreemding ervan of de uitkering in geld van een erfenis, verkregen onder uitsluitingsclausule. De eventuele beleggingen en wederbeleggingen door aanwending van het saldo van deze bankrekening is een besteding van de gemeenschap en de daarmee verkregen goederen vallen vervolgens overeenkomstig het hoofdstelsel eveneens in de gemeenschap. Het betalingsverkeer dat dus verloopt via deze bankrekening is telkens de voldoening van prestaties uit het vermogen van de gemeenschap en is geen wederbelegging van privévermogen.”
Zie F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/3.1 en B.A. Schuijling, Verrekening (Mon. BW nr. B40) 2019, mede onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1332; Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 520 en HR 21 september 1988,ECLI:NL:HR:1988:ZC3905, NJ 1989/11.
Zie voor een vergelijkbaar voorbeeld T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 84 en T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 26.
Zie reeds eerder T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 83-84 en T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: J. Tighelaar (red.), Actuele Ontwikkelingen in het familierecht (vijftiende UCERF symposium) 2021, p. 25-26.
Zie over deze laatste mogelijkheid paragraaf 3.4 hierna.
Zie paragraaf 4.4 van hoofdstuk 7, en vgl. randnummer 623 van paragraaf 3.3.1 hiervóór.
Zie paragraaf 2.2.2 hiervóór.
Zie paragraaf 3.3.2 hiervóór.
Zie anders, maar uiteindelijk met hetzelfde resultaat, L.H.M. Zonnenberg, ‘Vergoedingsvordering en zaaksvervanging’, EB 2013/60. Zonnenberg meent dat in beginsel een vergoedingsrecht is gegeven wanneer privévermogen wordt gestort op een bankrekening waarvan het saldo tot de huwelijksgemeenschap behoort. In dat geval is immers sprake van vermenging van privégeld met gemeenschapsgeld, waarbij niet meer traceerbaar zou zijn welke euro afkomstig is uit privégeld en welke euro gemeenschappelijk is. Op deze – naar mijn mening onjuiste – regel brengt hij echter een nuancering aan voor die gevallen dat privégeld slechts voor korte tijd op die rekening wordt geparkeerd met als doel te worden doorgestort naar een privébankrekening of te worden aangewend voor de aankoop van een onroerende zaak. In dat geval wordt de gemeenschapsrekening uitsluitend – in de woorden van Zonnenberg – als ‘stallingsruimte’ gebruikt en is geen sprake van vermenging met gemeenschapsgeld. In dat geval is volgens hem geen vergoedingsrecht ontstaan, en zal het later doorgestorte bedrag, of de aangekochte onroerende zaak, op grond van zaaksvervanging buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Zie in gelijke zin C.M. Mellema & E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 41. Zie voor kritiek op deze visie T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 75.
630. Gaat men er op de hiervóór beschreven wijze van uit dat de enkele voldoening van een privévordering tot betaling van een geldsom, of de enkele overboeking van privégelden, ten gunste van een reeds bestaande (andere) bankrekening nog niet tot betekent dat die gelden door vermenging tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren, dan is het óók mogelijk dat er na een dergelijke betaling/overboeking nogmaals zaaksvervanging optreedt. Dat zal het geval zijn wanneer de vordering die door creditering van de bankrekening is ontstaan niet direct (volledig) door verrekening teniet is gegaan, en die vordering deel is blijven uitmaken van het op enig moment bestaande creditsaldo. Als vervolgens de tegenprestatie voor de verkrijging van een goed voor meer dan de helft ten laste van dat privédeel van het saldo van de bankrekening wordt gebracht, gaat dat privédeel van het saldo teniet, in direct verband waarmee het andere goed wordt verkregen. Dat andere goed valt dan op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap waarin de betreffende echtgenoot is gehuwd.1 Neemt men aan dat door de enkele overboeking of betaling de privégelden wél tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, dan is opvolgende zaaksvervanging niet meer mogelijk. In dat geval kwalificeert het volledige saldo van de bankrekening immers als ‘gemeenschapsvermogen’, zodat er geen sprake meer kan zijn van een situatie waarin privévermogen verloren gaat, in direct verband waarmee een ander goed is verkregen.2 Ervan uitgaande dat opvolgende zaaksvervanging wél mogelijk is, gelden voor de toepassing daarvan uiteraard alle voorwaarden en uitgangspunten die ook in andere gevallen voor toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW gelden. Zo zal van zaaksvervanging geen sprake zijn wanneer het betreffende goed niet wordt geleverd aan de degene wiens privédeel van het saldo van de bankrekening het betrof, en zal evenmin van zaaksvervanging sprake kunnen zijn wanneer de betaling ten laste van het privédeel van het saldo van de bankrekening niet op het moment van verkrijging van het vervangende goed heeft plaatsgevonden.3
631. Het lastige bij dit alles is echter dat de echtgenoot die het vervangende goed krijgt geleverd niet zelf zal kunnen bepalen ten laste van welk deel van het saldo de tegenprestatie voor de verkrijging van dat goed wordt voldaan. Door de betalingsopdracht die de betreffende echtgenoot aan de bank geeft, ontstaat een verbintenis om overeenkomstig de opdracht een betalingstransactie ten laste van de bankrekening uit te voeren. Na aanvaarding van de betaalopdracht is de bank gerechtigd de betaalrekening te debiteren voor het betrokken bedrag. Zoals in paragraaf 2.2.1 reeds aangegeven bestaat in de literatuur geen eenduidige visie over het antwoord op de vraag of een dergelijke debitering tot verrekening leidt. Sommigen bepleiten dat door uitvoering van de betaalopdracht een vordering op de rekeninghouder ontstaat ter grootte van het overgemaakte bedrag, welke vordering de bank verrekent met de schuld die zij aan de rekeninghouder heeft uit hoofde van het bestaande creditsaldo. Anderen bepleiten dat de uitvoering van de betalingsopdracht ertoe leidt dat de bank zijn schuld uit hoofde van het creditsaldo voldoet ten belope van het overgemaakte bedrag. De schuld gaat in dat geval dus niet door verrekening, maar door nakoming teniet. Welke van beide opvattingen men ook volgt, in beide gevallen zal uit de rekening-courantverhouding met de bank voortvloeien dat de oudste vorderingen in het totale creditsaldo van de bankrekening tenietgaan. Is sprake van verrekening, dan volgt dit uit de regel dat verrekening in beginsel naar anciënniteit plaatsvindt.4 Is sprake van nakoming, dan volgt dit uit artikel 6:43 BW lid 2 BW. Dit zou ertoe leiden dat alleen van zaaksvervanging sprake zou kunnen zijn wanneer de tegenprestatie voor de verkrijging van een vervangend goed wordt voldaan precies op het moment dat het privédeel van het saldo van een bankrekening ook het oudste deel van de totale vordering op de bank betreft. Daarmee zou de werking van zaaksvervanging ernstig worden belemmerd. Zo zou geen sprake kunnen zijn van opvolgende zaaksvervanging als een echtgenoot een aan hem in privé geschonken geldbedrag van € 50.000 laat uitbetalen op een bankrekening met een saldo van € 100.000 dat tot dat moment volledig tot de huwelijksgemeenschap behoorde, en hij vervolgens ten laste van die bankrekening een nieuwe auto koopt van € 50.000.5 In de beleving van de betreffende echtgenoot koopt hij die auto van het aan hem in privé geschonken geldbedrag, of in ieder geval omdat hij dat bedrag van € 50.000 geschonken heeft gekregen. Alsdan is de tegenprestatie voor de verkrijging van die auto volledig met eigen middelen is gefinancierd, en zou die auto op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tot zijn privévermogen gaan behoren. Laat men echter de verrekenregels/nakomingsregels in de verhouding tot de bank bepalend zijn, dan is van zaaksvervanging géén sprake. In dat geval is de tegenprestatie voor de verkrijging van de auto immers ten laste gekomen van dat deel van het saldo van de bankrekening dat tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Aldus is de auto eveneens tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, waarbij van het totale saldo dat alsdan resteert nog wel een deel ter grootte van € 50.000 tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoort.
632. Naar mijn mening dienen in dergelijke gevallen de verrekenregels/nakomingsregels niet bepalend te zijn voor de vraag of zaaksvervanging heeft plaatsgevonden. Wat mij betreft kan in dit soort gevallen ‘toerekening’ plaatsvinden.6 Als vaststaat dat een bepaald goed is verworven juist omdátprivégeld is ontvangen, en de tegenprestatie voor de verkrijging van dat goed voor meer dan de helft ten laste is gekomen van het creditsaldo van een bankrekening waar die privégelden op dat moment nog deel van uitmaakten, is die vaststelling doorslaggevend voor de toepasselijkheid van de regels van zaaksvervanging. Alsdan moet er voor de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW van uit worden gegaan dat de tegenprestatie voor de verkrijging van het verkregen goed ten laste is gekomen van het privédeel van het saldo van de bankrekening. Dat betekent dat het aldus verkregen goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap zal vallen, en tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot gaat behoren. Tegelijkertijd zal dan dat deel van het saldo van de bankrekening dat voorheen als privévermogen van de betreffende echtgenoot kwalificeerde, niet meer als zodanig kwalificeren, ook al is dat specifieke deel van het saldo in de verhouding tot de bank wellicht niet door verrekening of nakoming tenietgegaan. Daarbij kan de echtgenoot wiens privévermogen het betreft bij de verkrijging van het vervangende goed verklaren dat de tegenprestatie ten laste komt van dat deel van het creditsaldo van de bankrekening dat tot zijn privévermogen behoort. Maar ook als een echtgenoot een dergelijke verklaring niet uitbrengt, moet ‘toerekening’ aangenomen kunnen worden; toerekening zal óók plaatsvinden wanneer vaststaat dat een bepaald goed is verworven juist ómdatprivégeld is ontvangen, en dat privégeld op het moment van de verkrijging van het goed nog in het creditsaldo van de bankrekening aanwezig was. Dat betekent dat zaaksvervanging ook plaatsvindt als de betreffende echtgenoot bij de verkrijging van het vervangende goed geen verklaring heeft afgelegd of eigenlijk helemaal niet wil dat de tegenprestatie voor de verkrijging van het vervangende goed wordt ‘toegerekend’ aan zijn privédeel van het saldo van de betreffende bankrekening. Aldus kan worden voorkomen dat een echtgenoot een goed koopt juist omdát hij privégelden heeft ontvangen, dat goed daarna tenietgaat of minder waard wordt, en hij vervolgens bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap alsnog aanspraak kan maken op teruggave van zijn privégelden (omdat deze op dat moment nog deel uitmaken van het creditsaldo van de bankrekening) of op een vergoedingsrecht (omdat zijn privégelden later zijn aangewend voor de voldoening van gemeenschapsschulden).7 De toerekening in het kader van artikel 1:95 lid 1 BW werkt in die zin dus twee kanten op.
633. Bij dit alles zij opgemerkt dat de hiervóór beschreven ‘toerekening’ ook kan worden toegepast na de girale inning van een vordering tot betaling van de koopsom van een privégoed van een van de echtgenoten. Een dergelijke vordering valt op grond van analoge toepassing van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap.8 Als deze vordering giraal wordt geïnd, en de vordering die door creditering van de bankrekening ontstaat niet direct door verrekening teniet is gegaan, zal dat deel van het saldo van de bankrekening op grond van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW eveneens buiten de huwelijksgemeenschap vallen (zie reeds randnummer 623 hiervóór). Als de betreffende echtgenoot ten laste van het saldo van deze bankrekening vervolgens een vervangend goed koopt juist omdát hij deze privékoopsom heeft geïnd, zal dat vervangende goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW ook weer buiten de huwelijksgemeenschap vallen, omdat de voldoening van de tegenprestatie aan die (in het saldo van de bankrekening opgenomen) giraal geïnde koopsom kan worden ‘toegerekend’. Aldus is ook hier de hele keten van vervanging – i.e. (i) de vordering tot betaling van de koopsom, (ii) het daarop geïnde bedrag en (iii) het daarmee verworven goed – door de regels van zaaksvervanging gedekt. De hiervóór beschreven ‘toerekening’ kan daarnaast óók worden toegepast wanneer privégelden die op een bankrekening zijn gestort naar een andere bankrekening worden door geboekt. Door overboeking van gelden van de ene naar de andere bankrekening gaat een deel van de vordering op de ene bank door debitering teniet, in direct verband waarmee door de creditering van de andere bankrekening een nieuwe vordering ontstaat.9 Ten aanzien van die nieuwe vordering zal dan beoordeeld moeten worden of deze wel of niet tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren.10 Als het saldo van de gedebiteerde bankrekening uit meerdere vorderingsrechten bestaat, waarvan slechts een deel tot het privévermogen van een echtgenoot is gaan behoren en een deel tot de huwelijksgemeenschap behoort, zal de vervangende vordering die door creditering van de andere bankrekening ontstaat niet zonder meer buiten de huwelijksgemeenschap blijven. Ook hier geldt immers dat uit de verhouding met de bank zal voortvloeien dat de debitering van de eerste bankrekening tot het tenietgaan van de oudste vordering(en) in het creditsaldo van die bankrekening zal leiden. Zouden deze verreken-/nakomingsregels óók bepalend zijn voor de vraag of zaaksvervanging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de vordering die door overboeking naar de andere bankrekening is ontstaan, dan zou in veel gevallen die nieuwe vordering niet op grond van zaaksvervanging buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Als bijvoorbeeld een echtgenoot op een bankrekening een privévordering van € 30.000 heeft laten uitbetalen, welke bankrekening op dat moment al een creditsaldo van € 70.000 had dat tot de huwelijksgemeenschap behoorde, en hij vervolgens zijn ‘privégeld’ van € 30.000 naar een andere bankrekening (mede) op zijn naam zou overmaken, zou die overboeking op basis van de verreken-/nakomingsregels ertoe leiden dat deze ten laste komt van dat deel van het saldo van de gedebiteerde bankrekening dat tot de huwelijksgemeenschap behoorde (welk deel immers ‘het oudste’ was). In dat geval heeft dus géén zaaksvervanging plaatsgevonden en zou het naar de andere bankrekening overgeboekte bedrag niet meer als privévermogen van de betreffende echtgenoot kwalificeren. Het overgeboekte ‘privégeld’ zou dan door de enkele overboeking naar een andere bankrekening zijn status als privévermogen verliezen. Ook hier dient wat mij betreft echter ‘toerekening’ plaats te vinden. Als vaststaat dat het de bedoeling van de betreffende echtgenoot was om het ‘privégeld’ van de ene naar de andere bankrekening over te boeken, dan valt de nieuwe vordering die krachtens creditering van de andere bankrekening ontstaat op grond van zaaksvervanging eveneens buiten de huwelijksgemeenschap.11 Uiteraard helpt het daarbij als bij de betreffende overboeking door de betreffende echtgenoot wordt vermeld dat het om de overboeking van zijn ‘privégelden’ gaat. Een strikte voorwaarde voor de toepassing ‘toerekening’ is het echter niet. Bepalend is de bedoeling van de echtgenoot wiens privégelden het betrof, waarbij degene die zich op bepaalde rechtsgevolgen van deze overboeking beroept op grond van de hoofdregels van bewijsrecht daarvan de stelplicht en bewijslast zal dragen.