Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.6.3:12.6.3 Wanneer is sprake van een bewijsmiddel?
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.6.3
12.6.3 Wanneer is sprake van een bewijsmiddel?
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tenzij deze informatie niet valt te rubriceren onder één van de wettige bewijsmiddelen als bedoeld in art. 339 Sv.
Raad voor de rechtspraak, Rapport toetsingscommissie Promis III: stand van zaken Promis 2010, p. 21.
Men verwijst in dit verband naar HR 23 oktober 2007, LJNxc BA5851 en BA5858, NJ 2008, 69 en 70.
Dit voorbeeld is ontleend aan: de conclusie bij HR 12 januari 2010, LJN BK4421. De Hoge Raad heeft de klacht over het niet vermelden van de vindplaats in het dossier afgedaan met 81 RO.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander punt betreft de vraag wanneer informatie kan/mag worden aangemerkt als bewijs of bewijsmiddel. Men zou denken dat alle informatiebronnen die de rechter aan het beslisproces ten grondslag legt, ook als bewijsmiddel worden aangemerkt.1 In de praktijk lijkt men daar anders tegenaan te kijken. Interessant zijn in dit verband de ontwikkelingen omtrent Promis en de lijn die commissie Promis III hanteert omtrent het vermelden van de informatiebronnen in de voetnoten. Dat is de volgende. Op het moment dat een bepaalde verklaring ‘rechtstreeks’ als bewijs wordt gebruikt, dan dient de vindplaats uit het dossier in de voetnoot te worden opgenomen. Bijvoorbeeld de verklaring van de getuige die aangifte doet van een inbraak en verklaart over de braaksporen die hij heeft waargenomen aan het keukenraam waardoor de inbrekers naar binnen zijn gekomen, levert het bewijs voor het bestanddeel ‘braak’ in artikel 311 lid 1 sub 5 Sr. De gedachte is dat aan de hand van de voetnoten de bewijsconstructie kan worden gekeken of alle onderdelen van de tenlastelegging wel zijn gedekt. Echter, naar bewijsmateriaal dat wordt gebruikt om een betrouwbaarheidsverweer te verwerpen maar dat niet zelfstandig een onderdeel van de bewezenverklaring ondersteunt, hoeft niet met behulp van voetnoten te worden verwezen.2 De reden die hiervoor wordt genoemd, is dat de Hoge Raad deze informatie niet redengevend acht voor de bewezenverklaring.3 Een voorbeeld ontleend rechtspraak betreft de verklaring van een getuige die zegt dat hij de verdachte heeft opgezocht om een telefoonnummer te overhandigen, hetgeen wordt ondersteund door een andere getuige die verklaart over het briefje met daarop het telefoonnummer. Naar de eerste verklaring dient wel te worden verwezen met een voetnoot, naar de tweede verklaring niet.4 Echter, deze gegevens verstevigen wel de bewijsconstructie. Immers, zij maken het waarschijnlijker dat de getuigenverklaring waar is en daarmee de hypothese zoals verwoord in de tenlastelegging juist is. Nu lijkt het al dan niet zetten van een voetnoot betrekkelijk triviaal, maar het voorgaande illustreert wel dat een helder concept over wanneer informatie als ‘bewijs’ kan worden aangemerkt, ontbreekt.