Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.1:4.1 Inleiding
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de bezwaren vooral Damaška 1986, p. 3 e.v. De begrippen worden echter nog steeds veelvuldig gebruikt in de rechtsvergelijkende literatuur. Jackson & Summers 2012, p. 5-6.
Omaan de beperkingen van strikte dichotomieën te ontkomen, wordt in de rechtsvergelijkende literatuur ook wel gesproken van rechtsfamilies (‘legal families’) of processtijlen. Zie Nijboer 1994, p. 43-46.
Damaška 1986, p. 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Getuigenverklaringen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan strafrechtelijke waarheidsvinding, mits de getuige een oprechte poging doet een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen en toereikende waarborgen zijn gelegen in de strafrechtelijke procedure om eventuele gebreken te voorkomen dan wel tijdig te detecteren en te ondervangen. De manier waarop met informatie afkomstig van getuigen wordt omgesprongen, verschilt echter per rechtsstelsel. Het doel van dit hoofdstuk is om inzichtelijk te maken waar in grote lijnen de verschillen liggen als het gaat om de verwerking en toetsing van getuigenverklaringen met het oog op het benutten van die kennis bij het zoeken naar een ‘optimale’ aanpak voor wat betreft de toetsing van de kwaliteit van getuigenverklaringen.
In dit hoofdstuk wordt een rechtsvergelijkende methode gehanteerd voor wat betreft de vormgeving van het strafproces. In dit verband worden twee ‘procesmodellen’ tegenover elkaar gezet, namelijk het continentale procesmodel en het Anglo-Amerikaanse procesmodel. Wanneer namelijk wordt gekeken naar de rechtsstelsels op het West-Europese continent, dan is een grote variëteit zichtbaar in de wijze waarop het strafrechtelijk onderzoek wordt ingericht en het streven om de waarheid te achterhalen wordt vormgegeven. Tussen de verschillende continentale strafrechtsstelsels bestaan echter ook veel overeenkomsten voor wat betreft de wijzen waarop het strafproces is vormgegeven. Deze overeenkomsten worden vooral zichtbaar wanneer zij worden vergeleken met Anglo-Amerikaanse stelsels. Reflectie op de gemeenschappelijke kenmerken en de wortels van het continentale procesmodel moet bijdragen aan een beter inzicht in het functioneren en de grondslagen van het eigen nationale stelsel, terwijl de vergelijking met het Anglo-Amerikaanse model perspectieven opent van hoe het (mogelijk) ook anders kan. Het accent ligt daarbij op de wijze van informatieoverdracht op het onderzoek ter terechtzitting en manieren waarop wordt getracht te bevorderen dat de rechter of jury zoveel mogelijk rechtstreeks kennis neemt van de oorspronkelijke bron. Dit alles ten behoeve van de - in het laatste deel te beantwoorden - vraag of er in het Nederlandse stelsel noodzaak bestaat tot aanpassing van de werkwijzen en regelingen voor wat betreft de omgang met getuigenverklaringen.
Bij de rechtsvergelijking op het niveau van procesmodellen moet een kanttekening worden gemaakt. Er is getracht de gemeenschappelijke kenmerken van stelsels die voortkomen uit de Anglo-Amerikaanse en de continentale rechtstraditie te beschrijven. Daarbij is uitdrukkelijk gekozen om de huidige stelsels niet te duiden in termen van inquisitoir of accusatoir, vanwege de bezwaren die tegen dit begrippenpaar in de literatuur naar voren zijn gebracht.1 De indeling zou vooral historische waarde hebben, begripsverwarring veroorzaken, te simplistisch zijn en leiden tot te scherpe contrasten.2 De bezwaren die gelden ten aanzien van de dichotomie inquisitoir-accusatoir gelden evenwel tot op zekere hoogte ook voor het in dit hoofdstuk gehanteerde onderscheid tussen continentale en Anglo-Amerikaanse rechtsstelsels.3 Waar gesproken wordt van procesmodellen gaat het in de kern om abstracties. Er bestaat immers binnen de rechtsstelsels die vallen binnen het continentale dan wel het Anglo-Amerikaanse model veel variatie, hetgeen de vraag oproept of er wel in algemene termen iets zinvols valt te zeggen. Maar, aan de verschillende modellen komt wel verklarende waarde toe. Met name voor een goed begrip van het onmiddellijkheidsbeginsel of de hearsay-doctrine is het noodzakelijk enige kennis te hebben van de context waarbinnen deze mechanismen functioneren. Om de nuance niet geheel verloren te laten gaan, zal in de paragrafen waar het specifiek de omgang met getuigenverklaringen betreft, ook enige aandacht worden besteed aan de verschillen binnen enkele stelsels die voortkomen uit de Anglo-Amerikaanse en de continentale traditie.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Allereerst worden de contouren van beide procesmodellen geschetst, voor wat betreft de inrichting van het onderzoek naar de feiten en de bewijsbeslissing (§ 4.2). Daarna wordt gekeken naar de verschillende mechanismen die in beide procesmodellen bestaan om de tegensprekelijkheid van de procedure en de deugdelijkheid van de oordeelsvorming te bevorderen. De invulling en het functioneren van het onmiddellijkheidsbeginsel zoals ontwikkeld binnen de continentale traditie komt als eerste aan bod (§ 4.3). Dan volgt een bespiegeling op de invulling en ontwikkeling van de hearsay-doctrine in de Anglo-Amerikaanse traditie. Zijdelings wordt daarbij ook ingegaan op het recht op confrontatie in Amerika, omdat dit van belang zal blijken te zijn voor de waarborgen waarmee het gebruik van getuigenverklaringen is omkleed (§ 4.4). In de analyse wordt tevens de benadering van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) betrokken ten aanzien van het in artikel 6 lid 3 sub d EVRM neergelegde ondervragingsrecht (§ 4.5). De rechtspraak van het EHRM is immers van groot belang voor de procesvoering in Europa en verbindt de verschillende stelsels tot op zekere hoogte met elkaar en kan van invloed zijn op de wijze waarop de kwaliteit van de waardering van getuigenverklaringen kan worden bevorderd. Tot slot wordt een vergelijking gemaakt van de verschillende mechanismen vanuit een perspectief van een deugdelijke feitenvaststelling (§ 4.6).