De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.6.2:4.6.2 Ontbinding ten gevolge van totstandkomingsgebreken (artikel 2:21 lid 1 letter a BW)
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.6.2
4.6.2 Ontbinding ten gevolge van totstandkomingsgebreken (artikel 2:21 lid 1 letter a BW)
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232288:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Snijder-Kuipers, GS Rechtspersonen, artikel 21 Boek 2 BW, aant. 3. Zie ook Asser/Rensen 2-III 2017/312; Dijk/Van der Ploeg 2019/3.6.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 2:21 lid 1 letter a BW, kan een stichting worden ontbonden wegens oprichtingsgebreken. De volgende gebreken leiden tot een dergelijke ontbinding:
er is een in notariële vorm opgemaakte, door een notaris ondertekende akte maar deze mist kracht van authenticiteit; of
de oprichtingshandeling is voor wat betreft een of meer oprichters nietig of vernietigbaar vanwege een geestelijke stoornis of wegens strijd met de openbare orde of goede zeden.1
Het onder (i) genoemde gebrek leidt voor de bij dode opgerichte stichting bij letterlijke lezing van artikel 2:4 lid 1 BW tot nietigheid en, anders dan voor de bij leven opgerichte stichting, niet tot ontbinding door de rechter. Ik acht de uitzondering voor de oprichtingshandeling opgenomen in een uiterste wil voor niet geschreven, zo schreef ik in 3.2.2.3.
Hoe zit het met de onder (ii) genoemde totstandkomingsgebreken? Wordt de bij dode opgerichte stichting daar ook anders behandeld dan de bij leven opgerichte stichting?
Interessant is wat Rensen schrijft:
‘De wettelijke voorziening omtrent gebreken bij de totstandkoming derogeert in zekere zin aan de algemene bepalingen omtrent rechtshandelingen van onbekwamen (art. 3:32 BW) en geestelijk gestoorden (art. 3:34 BW) en omtrent rechtshandelingen in strijd met de goede zeden en openbare orde (art. 3:40 BW). De stichting bestaat ondanks deze gebreken. Eventuele vernietiging van de rechtshandeling van oprichting tast haar bestaan niet aan. Zie art. 2:4 lid 2 BW.’2
Dit citaat is daarom zo interessant omdat voor de bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting ook de regels van nietigheid en vernietigbaarheid van uiterste wilsbeschikkingen een rol spelen. Zo lopen dus drie systemen naast elkaar: de nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen in het algemeen uit Boek 3 BW, de nietigheid en vernietigbaarheid voor de rechtshandeling tot oprichting van een rechtspersoon uit Boek 2 BW en tot slot de nietigheid en vernietigbaarheid van uiterste wilsbeschikkingen uit Boek 4 BW. Als deze systemen volledig met elkaar zouden overeenkomen, zou dit uiteraard feitelijk geen probleem zijn, maar dat is niet het geval.
Rensen heeft naar mijn mening gelijk als hij stelt dat de eigen regeling uit Boek 2 BW voorgaat op de regels uit Boek 3 BW. En de regels ten aanzien van nietigheid en vernietigbaarheid van uiterste wilsbeschikkingen uit Boek 4 BW gaan naar ik meen weer voor op de regels van Boek 2 BW. Als de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting bij dode in strijd is met de openbare orde of goede zeden, is deze oprichting nietig op grond van artikel 4:44 BW en ontstaat de stichting niet. Zou het anders zijn en de regels van Boek 2 BW zouden voorgaan, dan kan het zijn dat de uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting vernietigbaar is, en dus dat na de vernietiging van de uiterste wilsbeschikking tot oprichting de stichting bestaat maar dat de met de oprichting verband houdende making ten behoeve van deze stichting wel nietig is. Voorrang voor de regels uit Boek 4 past ook goed binnen het gelaagde systeem van ons Burgerlijk Wetboek, de meer bijzondere regels uit Boek 4 BW gaan voor de bijzondere regels uit Boek 2 BW die op hun beurt weer voorgaan op de algemene regels van Boek 3 BW.
Voor de onder (ii) genoemde gebreken wijkt de bij dode opgerichte stichting dus af van de bij leven opgerichte stichting.