Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.3.2
5.3.2 Verdragsrechtelijke ‘rechtvaardigingsgronden’
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS360706:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Over de constitutionele eisen aan billijkheidsuitzonderingen gaat hoofdstuk 3.
Hoofdstuk 1, par. 1.4, c.
De keuze voor juist deze grondrechten is gemaakt omdat beslissingen over uitzonderingen in verband ermee bekend zijn en tot de verbeelding spreken. Dat neemt niet weg dat evengoed andere grondrechten gekozen hadden kunnen worden.
Mendelts 2002, p. 97-99; Vermeulen 2005; annotatie J.L.W. Broeksteeg bij EHRM 6 mei 2014, 28167/07, ECLI:NL:XX:2015:335, EHRC 2014/246 (Fränklin-Beentjes en Ceflu-luz da Floresta t. Nederland).
Een van oorsprong Braziliaanse kerk, die ook actief is in Nederland (www.santodaime.nl, geraadpleegd 7 maart 2017).
Rb. Amsterdam 21 mei 2001, ECLI:NL:RBAMS:2001:AB1739, AB 2001/342, m.nt. B.P. Vermeulen.
HR 9 januari 2007, AB 2007/181, m.nt. L.C. Groen en B.P. Vermeulen. Cassatie was ingesteld tegen een beschikking van het hof waarin een verzoek tot teruggave van in beslag genomen ayahuasca (art. 552a Sv) was afgewezen. Het EHRM achtte het arrest niet in strijd met het EVRM (EHRM 6 mei 2014, 28167/07, ECLI:NL:XX:2015:335, EHRC 2014/246 m.nt. J.L.W. Broeksteeg (Fränklin-Beentjes en Ceflu-luz da Floresta t. Nederland)).
Hof Amsterdam 24 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6888. Vergelijkbaar is Rb. Noord-Holland 8 september 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:7557.
Anders dan de Hoge Raad, die beoordeelde of de strafbepaling dat in abstracto was, en pas daarna inging op de omstandigheden van de individuele zaak.
Rb. Noord-Holland 8 september 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:7555.
Verdachte had een transactievoorstel gekregen voor overtreding van art. 447e Sr; Rb. Den Haag 17 februari 2012, mondeling vonnis, http://www.rechtspraak.nl/Organisatie/Rechtbanken/Den-Haag/Nieuws/Pages/Uitspraak-kantonrechter-in-zaak-over-identificatieplicht.aspx (geraadpleegd 12 februari 2015).
Hof Den Haag 26 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ2283.
Nieuwenhuis & Janssens 2011, p. 3, 7, 8.
Hof Amsterdam 1 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:299. Vergelijkbaar is de uitspraak van de rechtbank in deze zaak: Rb. Amsterdam 21 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7866.
HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:220.
HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583, NJ 2015/108, m.nt. N. Rozemond. Groepsbelediging is strafbaar krachtens art. 137c Sr, haatzaaien volgens art. 137d Sr.
Hof Amsterdam 1 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:296.
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5690 (Stegeman). Ten laste gelegd was art. 225 Sr.
Hof Den Haag 4 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:620.
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3057 (Stegeman II).
Janssens 1995; Cleiren & S.R. Bakker 2011; Nieuwenhuis & Janssens 2011, p. 56-62; S.R. Bakker & Van de Wetering 2015.
Cleiren & S.R. Bakker 2011, p. 40; S.R. Bakker & Van de Wetering 2015, p. 186.
HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:485, NJ 2014/172; in dezelfde zaak eerder HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6181, NJ 2012/502, m.nt. J.M. Reijntjes (daarin werd niet ingegaan op art. 10 EVRM). Ten laste gelegd was art. 285 Sr.
Conclusie A-G F.W. Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2014:101, onder verwijzing naar Nieuwenhuis & Janssens 2011, p. 322.
Bijv. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237 (bedreiging, art. 285 Sr); HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5690 (valsheid in geschrift, art. 225 Sr); HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:485, NJ 2014/172 (verweer was dat vrijspraak moest volgen, maar het hof ontsloeg van rechtsvervolging voor bedreiging, art. 285 Sr).
Bijv. HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203 en ECLI:NL:HR:2001:AA9367, NJ 2001/204, beide m.nt. J. de Hullu (groepsbelediging, art. 137c Sr, en openbaarmaking van groepsbeledigende uitingen, art. 137e Sr); HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. J. de Hullu (Danslessen) (groepsbelediging, art. 137c Sr, en belediging, art. 266 Sr); HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003/261, m.nt. P.A.M. Mevis (groepsbelediging, art. 137c Sr); Rb. Amsterdam 21 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7866 (openbaarmaking van groepsbeledigende uitingen, art. 137e Sr).
Bijv. Hof Amsterdam 1 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:296 (groepsbelediging, art. 137c Sr, en haatzaaien, art. 137d Sr).
Par. 5.2.1.
Par. 5.2.2, a en par. 5.5.
Artikel 94 Gw biedt de tweede grondslag voor strafrechtelijke billijkheidsuitzonderingen. Is een strafbepaling gezien haar formulering overtreden, maar is strafbaarheid in een concreet geval in strijd met een eenieder verbindende verdragsbepaling, dan verplicht artikel 94 Gw tot het buiten toepassing laten van de strafbaarheid. Verdragsrechtelijke grondrechten fungeren zo als ‘rechtvaardigingsgronden’: zij ontnemen de wederrechtelijkheid aan een feit. Een uitzondering krachtens artikel 94 Gw verschilt in zoverre van de reeds beschreven strafuitsluitingsgronden dat toepassing van een wettelijk voorschrift in strijd wordt geacht met hoger, internationaal recht. De constitutionele eisen hieraan verschillen van die van ongeschreven en wettelijke uitzonderingen: omdat artikel 94 Gw de rechter toestaat en verplicht om wetgeving te toetsen aan internationaal recht, hoeft hij hier niet te aarzelen in het vaarwater van de nationale wetgever te komen.1 Van een billijkheidsuitzondering is echter alleen sprake wanneer een voorschrift dat op grond van artikel 94 Gw buiten toepassing wordt gelaten niet in abstracto in strijd met een verdragsbepaling is, maar toepassing in concreto wel, waardoor de geldigheid van het voorschrift niet wordt beoordeeld.2
Hieronder komen uitzonderingen ter sprake op grond van artikel 94 Gw juncto de artikelen 9 en 10 EVRM (respectievelijk het recht op godsdienstvrijheid, subpar. a, en het recht op vrijheid van meningsuiting, subpar. b).3
a. De godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM)
Ten eerste worden op basis van artikel 94 Gw strafbepalingen buiten toepassing gelaten vanwege de godsdienstvrijheid in artikel 9 EVRM. Lid 1 waarborgt het recht op vrijheid van ‘gedachte, geweten en godsdienst’. Dit kan volgens lid 2 aan beperkingen worden onderworpen die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, de openbare orde, gezondheid, goede zeden of de rechten en vrijheden van anderen. De toepassing van een strafbepaling kan een dergelijke beperking opleveren. Acht de strafrechter een veroordeling niet ‘noodzakelijk’ gezien één van de genoemde doelen, dan moet hij vanwege artikel 94 Gw de strafbepaling buiten toepassing laten. De evaluatieve term ‘noodzakelijk’ wijst erop dat de rechter hiertoe een eigen belangenafweging moet maken, net als de termen ‘godsdienst’ en het ‘belijden’ daarvan.4
Verdachten van drugsdelicten stelden bijvoorbeeld dat de rechter de Opiumwetbepaling die ayahuasca een strafbare harddrug maakt vanwege de godsdienstvrijheid buiten toepassing moest laten. In de Santo Daime-kerk5 wordt de drank namelijk geschonken als onderdeel van de eredienst. Verschillende rechters oordeelden over dergelijke uitzonderingen.
In 2001 stond een leidinggevende van de kerk terecht voor het vervoeren en aanwezig hebben van de drank.6 Dat vond zij een schending van haar godsdienstvrijheid. Die werd volgens de rechtbank inderdaad beperkt. Hoewel de Opiumwet het legitieme doel dient van de volksgezondheid, achtte de rechtbank de beperking van de godsdienstvrijheid in concreto niet gerechtvaardigd. Het drinken van ayahuasca had geen noemenswaardige risico’s, en de informatie van de kerk en het gecontroleerde gebruik van de drank binnen de geloofsgemeenschap waren voldoende waarborgen voor de volksgezondheid.
De Hoge Raad zag in 2007 in een andere ayahuascazaak geen reden voor een uitzondering vanwege de godsdienstvrijheid.7 Het verbod in de Opiumwet was noodzakelijk voor de gezondheid (art. 9 lid 2 EVRM), en dat ‘het concrete gebruik dat de klaagster van dit middel maakt[e] niet of nauwelijks gevaar voor de (volks)gezondheid oplevert’ deed daaraan niet af. Verder vond de Hoge Raad de beperking van de godsdienstvrijheid niet onevenredig. De klaagster kon haar godsdienst ook belijden zonder ayahuasca.
In 2012 liet het Hof Amsterdam (wél) een strafbepaling buiten toepassing bij import van ayahuasca voor de kerk.8 Het hof beoordeelde of de beperking van de godsdienstvrijheid die een veroordeling in déze zaak zou opleveren, noodzakelijk was in een democratische samenleving.9 Het achtte van belang dat ‘de invoer door de verdachte van de onderhavige ayahuasca-thee ten behoeve van het (gecontroleerde) gebruik daarvan zoals binnen de Santo Daime-kerk in Amsterdam pleegt te geschieden, gepaard gaande met – op het hof geloofwaardig en afdoend overkomend – toezicht en voorlichting, onder de geschetste omstandigheden een zeer gering en dientengevolge aanvaardbaar gevaar voor de gezondheid oplevert’. Toepassing van de strafbepaling was daarom niet noodzakelijk in de zin van artikel 9 lid 2 EVRM. Het verschil met de zaak bij de Hoge Raad was dat het hof als vaststaand aannam dat ayahuasca essentieel was voor het belijden van de godsdienst.
In 2016 gaf de Rechtbank Noord-Holland een leidinggevende van de kerk die voor de ceremonies ayahuasca had ingevoerd ovar.10 De inbreuk op de godsdienstvrijheid door toepassing van de strafbepaling in deze zaak was niet gerechtvaardigd in een democratische samenleving: deze invoer leverde ‘een zeer gering en dientengevolge aanvaardbaar gevaar voor de gezondheid’ op.
Een ander beroep op de godsdienstvrijheid deed een verdachte van overtreding van de Wet op de identificatieplicht.
Hij kon zijn identiteitsbewijs niet tonen aan een politieambtenaar.11 Hij stelde dat hij joods was en zijn bewijs die vrijdag na zonsondergang niet bij zich mocht dragen vanwege de sabbat, de wekelijkse rustdag die op vrijdagavond begint. Bij de totstandkoming van de strafbepaling had de Minister van Justitie in de Tweede Kamer gezegd ervan uit te gaan dat de politie hiermee in de uitvoeringspraktijk rekening zou houden. De kantonrechter ontsloeg de verdachte van rechtsvervolging. Relevant achtte hij de uitlating van de minister, dat een orthodox-joods voorschrift het bij zich dragen van het bewijs verbiedt, dat het slechts een overtreding betrof, en de identiteit alsnog snel kon worden vastgesteld omdat de verdachte later bij hem thuis de politie zijn bewijs had getoond. Volgens het hof verhinderde de godsdienstvrijheid een veroordeling echter niet.12 De beperking van het recht was bij wet voorzien ‘vanuit het eminente belang in de strafrechtsketen van een deugdelijke vaststelling van de identiteit van personen’, en gerechtvaardigd omdat het voor de politie van fundamenteel belang is om de identiteit van burgers te kunnen vaststellen. Het hof toetste dus de strafbepaling (zelf) aan artikel 9 EVRM, en beoordeelde niet of toepassing ervan in dit geval misschien artikel 9 EVRM schond. Dat is in strijd met artikel 94 Gw: op grond daarvan moet ook worden geoordeeld over een eventuele billijkheidsuitzondering, waarvoor hier wellicht ruimte bestond.
b. De vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM)
De rechter maakt ook billijkheidsuitzonderingen vanwege de vrijheid van meningsuiting van artikel 10 EVRM (hierna: de uitingsvrijheid). Dit is ‘de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen’ (lid 1), en kan op dezelfde wijze worden beperkt als de godsdienstvrijheid. In het bijzonder (te gemakkelijke) veroordelingen voor ‘uitingsdelicten’ kunnen in strijd komen met de uitingsvrijheid, zoals groepsbelediging (art. 137c Sr), het aanzetten tot haat tegen bepaalde groepen (art. 137d Sr), smaad (art. 261 Sr), belediging (art. 266 Sr) en bedreiging (art. 285 Sr).13
Zo verklaarde de feitenrechter het weliswaar bewezen dat de verdachte het boek Mein Kampf ter verspreiding in voorraad had gehad met daarin beledigende, discriminerende en haat zaaiende teksten,14 maar volgde ovar omdat een veroordeling een ongeoorloofde beperking van artikel 10 lid 1 EVRM zou zijn.15 Hoewel de beperking bij wet was voorzien en het in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde belang van de bescherming tegen haat en discriminatie diende, was een veroordeling volgens het hof niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Het boek speelde gezien zijn inhoud en symboolwerking een belangrijke rol bij de bestrijding van het antisemitisme als een historische bron van het gedachtegoed daarvan. Het beperken van de verspreiding ervan moest daarom ‘ingevolge de jurisprudentie van het EHRM daarom aan hoge eisen voldoen’. Een veroordeling voor het bezit van enkele exemplaren was onevenredig met het doel van de uitingsvrijheid. De boeken waren niet in voorraad vanwege de verboden passages en werden niet verkocht aan antisemitisten, wat ook verdachte niet was. Ook kon de tekst geraadpleegd worden in bibliotheken en op internet, en werd de vrije verkoop van het boek al geruime tijd in binnen- en buitenland besproken. De Hoge Raad liet het arrest in stand.16
Op de uitingsvrijheid doen politici en journalisten geregeld een beroep.
Een lijsttrekker van een gemeentelijke politieke partij werd beschuldigd van groepsbelediging en haatzaaien omdat hij zich in het openbaar, in een interview met een journalist na afloop van een lijsttrekkersdebat, negatief had uitgelaten over homoseksuelen.17 Volgens de Hoge Raad kon hij worden veroordeeld als de beperking van zijn uitingsvrijheid een gerechtvaardigd doel dient en in een democratische samenleving noodzakelijk is (art. 10 lid 2 EVRM). Dat hangt af van de bewoordingen van de uitlating en haar context; of zij een bijdrage kan leveren aan het publiek debat en niet onnodig grievend is. De rechter moet ‘het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten’ afwegen tegen ‘de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat’. Niet alleen uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie kunnen strijdig zijn met de wet of de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat, maar ook uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid. Daarvan was het hof niet uitgegaan; de Hoge Raad vernietigde deze vrijspraak. Het hof verklaarde vervolgens de feiten bewezen: de uitlatingen waren op zichzelf beledigend en zetten aan tot discriminatie, waren weliswaar gedaan in de context van het maatschappelijk debat, maar waren onnodig grievend want strijdig met ‘de (Grond)wet en de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat’, terwijl ‘de functionaliteit van [de] bijdrage aan het maatschappelijk debat bovendien sterk in twijfel moet worden getrokken’.18 Artikel 10 EVRM beschermde de verdachte niet.19
Een onderzoeksjournalist verdacht van het valselijk opmaken van een KLM-personeelspas deed een beroep op artikel 10 EVRM.20 Hij wilde door het feit een beveiligingslek op Schiphol publiekelijk aan de orde stellen. De Hoge Raad overwoog dat ook journalisten ‘in beginsel’ de strafwet moeten gehoorzamen. Artikel 10 EVRM kan daarop onder ‘bijzondere omstandigheden’ een ‘uitzondering’ maken als de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis heeft gehandeld, en betrouwbare en precieze informatie heeft gegeven in overeenstemming met de journalistieke ethiek. De rechter moet ‘in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift’ afwegen tegen ‘het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid’. Het hof moest onderzoeken of de verdachte zijn openbaarmaking niet anders kon voorbereiden, aangezien een mededader ook zonder vervalste pas onbevoegd op het terrein van Schiphol kon komen. Vervolgens veroordeelde het hof de verdachte omdat hij de vervalsing niet nodig had gehad om de beveiligingsproblemen aan te tonen.21 De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.22
Ook kunstenaars voeren artikel 10 EVRM aan bij overtreding van een strafbepaling; zij beroepen zich op de kunstexceptie (exceptio artis).23 De rechter aanvaardt dat maar zelden.24
Ten laste gelegd was bedreiging met de dood van een politicus in een rapnummer op YouTube.25 De verdachte vroeg om een uitzondering op grond van artikel 10 EVRM omdat zijn rap een kunstuiting was waarmee hij het maatschappelijk debat wilde aanwakkeren. Volgens het hof is de uitingsvrijheid ‘van fundamenteel belang [...] voor het functioneren van een democratische samenleving’, en aan ‘werken van kunst, voor zover zij aan de ontwikkeling van een democratische samenleving bijdragen, [mogen] niet zonder dringende noodzaak door de rechter beperkingen [...] worden opgelegd’. Tegenover de uitingsvrijheid staan echter ‘plichten en verantwoordelijkheden’. De verdachte had de grenzen overschreden, ongeacht of hij een redelijk belang nastreefde of dat zijn rap misschien kunst was. De Hoge Raad liet de veroordeling in stand, volgens de literatuur wellicht omdat bedreiging ten laste was gelegd en niet een uitingsdelict. Door bedreiging worden andere door het EVRM beschermde grondrechten geschonden, waardoor minder ruimte is voor een beroep op artikel 10 EVRM.26
De rechter betrekt artikel 10 EVRM niet alleen bij zijn oordeel over de strafbaarheid van een feit,27 maar ook wel eens bij de beoordeling of bewezen kan worden verklaard (waardoor hij de tenlastelegging verdragsconform uitlegt),28 of bij beide.29 Hoewel de beslissingen inhoudelijk vergelijkbaar zijn, hebben zij verschillende plaatsen in het rechterlijk beslissingsmodel en kunnen ze leiden tot verschillende dicta.30 Verdragsconforme interpretatie is geen billijkheidsuitzondering en wordt daarom elders uitgebreider behandeld.31 Hier volstaat het te constateren dat de keuze voor een uitzondering of interpretatie niet altijd verklaarbaar is.