Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.2
8.2 De begrippen materiële en formele procespartij
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652299:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Anders is dat bijv. als de eiser failliet is en de curator een aansprakelijkheidsvordering van de rechtspersoon instelt. De gefailleerde is dan enkel materiële procespartij. Stelt de curator namens de gezamenlijke schuldeisers een Peeters/Gatzen-vordering in als bedoeld in HR 14 januari 1983, NJ 1983/597, m.nt. B. Wachter; JOR 2021/234, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Peeters/Gatzen), dan is de gefailleerde formele procespartij, noch materiële procespartij.
Zie bijv. Asser 1999, p. 488; Biemans 2011, p. 116; Snijders, Klaassen & Meijer 2017/65; Hugenholtz/Heemskerk & Teuben 2021/25; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/27.
Een aansprakelijkheidsprocedure kan overigens ook worden gevoerd op grond van zaakwaarneming (art. 6:198 BW), vgl. HR 15 juni 2018 (r.o. 1.3.5), V-N 2018/32.13, waarover ook Van Eekhout 2018, p. 18-19. Deze wat atypische wijze van procesvoering laat ik hier verder onbesproken. Vgl. over volmacht par. 6.5.2.3, lastgeving par. 6.5.2.4 en 305a-organisaties par. 6.5.2.5.
Beekhoven van den Boezem 2003, p. 22; Reehuis 2010/11; Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 26.2.3 (2012); Rongen 2012, p. 669, met verwijzingen; Snijders & Rank-Berenschot 2017/309; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/103-104. Zie ook Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 314.
Hof ’s-Gravenhage 6 april 1999, JOR 1999/142, m.nt. G. van Solinge (Verto/Drenth). Zie ook Rb. Amsterdam 26 maart 2008, JOR 2008/126 (Hestia); Rb. Midden-Nederland 3 december 2014, RO 2015/20. In de literatuur werd dit al wel verdedigd, zie Wezeman 1998, p. 77.
Anders nog HR 24 april 2009 (r.o. 3.4.4.2), NJ 2009/416, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/22, m.nt. N.E.D. Faber (Dekker q.q./Lutèce), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de curator de bevoegdheid mist over de Peeters/Gatzen-vordering als bedoeld in HR 14 januari 1983, NJ 1983/597, m.nt. B. Wachter; JOR 2021/234, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Peeters/Gatzen) te beschikken door haar aan een derde over te dragen. Hiertoe behoeft de curator last, toestemming of volmacht van de gezamenlijke schuldeisers.
Vgl. bijv. Rb. Amsterdam 2 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5512 (SCC/KLM e.a.); Rb. Amsterdam 13 september 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6607 (Equilib/KLM e.a.).
HR 2 september 1990 (r.o. 3.2), NJ 1991/52, m.nt. J.M.M. Maeijer (Den Toom/De Kreek).
Ik behandel hier niet uitgebreid de vereisten voor en complicaties bij openbare en stille cessie. Zie hierover bijv. Biemans 2011; Rongen 2012, p. 471 e.v.
Zie hierover bijv. ook Rb. Midden-Nederland 20 juli 2016 (r.o. 4.11 e.v.), ECLI:NL:RBMNE:2016:4284 (East West Debt/United Technologies e.a.), bevestigd in Hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1060 (East West Debt/United Technologies e.a.).
HR 9 februari 1939, NJ 1939/865, m.nt. E.M. Meijers (Woldijk/Nijman). Zie ook Rb. Amsterdam 2 augustus 2017 (r.o. 4.11), ECLI:NL:RBAMS:2017:5512 (SCC/KLM e.a.).
De cessionaris is dan bevoegd om rechtsmiddelen in te stellen, ook indien eerdere mogelijkheden daartoe door hem niet zijn benut, zie HR 8 juni 1973, NJ 1974/76, m.nt. D.J. Veegens (Nauta/Staat); HR 5 juni 1992, NJ 1993/204, m.nt. H.J. Snijders (Bayfine/Van Leeuwen); HR 23 april 1993, NJ 1993/382 (Philips/Solid International). Zie ook Hof ’s-Gravenhage 6 april 1999 (r.o. 3), JOR 1999/142, m.nt. G. van Solinge (Verto/Drenth).
Biemans 2011, p. 118-119.
Een aansprakelijkheidsprocedure kan worden gestart door een eiser die een zelfstandige vordering heeft op bestuurders of commissarissen van de geënquêteerde rechtspersoon, bijvoorbeeld uit hoofde van art. 6:162 BW. Deze eiser is dan in beginsel de materiële en formele procespartij.1
De materiële procespartij is degene wiens materiële belang in de procedure wordt gediend; de formele procespartij is degene die (namens de materiële procespartij) de benodigde beslissingen in de procedure neemt. De materiële en formele procespartij hoeven niet overeen te komen.2 Een aansprakelijkheidsprocedure kan ook worden gestart door een ander, als formele procespartij, handelend op basis van volmacht of lastgeving, of als 305a-organisatie.3
Hiernaast is cessie van bestuurdersaansprakelijkheidsvorderingen mogelijk. Vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet, zo bepaalt art. 3:83 lid 1 BW. De aard van een vordering staat aan overdracht in de weg als de vordering een (hoogst)persoonlijk karakter heeft doordat zij zozeer is gebonden aan de persoon van de schuldeiser, dat de vordering slechts door deze behoort te kunnen worden uitgeoefend.4 Ook bestuurdersaansprakelijkheidsvorderingen zijn in beginsel overdraagbaar (vatbaar voor cessie). In Verto/Drenth bevestigde het Hof ’s-Gravenhage dat een vordering op grond van art. 2:9 BW (jo. art. 2:149/259 BW) kan worden gecedeerd.5 Ook voor andere bestuurdersaansprakelijkheidsvorderingen, bijvoorbeeld op grond van art. 6:162 BW, heeft dat in beginsel te gelden.6 Bestuurdersaansprakelijkheidsvorderingen kunnen ook worden gecedeerd aan een specifiek daartoe opgerichte partij (litigation special purpose vehicle).7
De vordering op grond van art. 2:138/248 BW is niet vatbaar voor cessie. In Den Toom/De Kreek oordeelde de Hoge Raad dat de aard van deze vordering – het ging in deze procedure om een vordering op grond van art. 2:248 BW – zich verzet tegen overdracht, omdat de vordering en de daarbij horende bewijslastverdeling is verleend aan de curator, die deze instelt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, onder toezicht van de rechter-commissaris, en welke hem is verleend teneinde hem een sterkere positie te geven tegenover de bestuurders van een failliete vennootschap en het minder moeilijk te maken een bestuurder ‘die door verwaarlozing van zijn taak het faillissement in de hand heeft gewerkt persoonlijk aan te spreken.’8 Volgens de Hoge Raad ‘strookt niet met dit systeem dat een derde zich de vordering van de curator zou kunnen doen overdragen en aldus de aan de curator terzake toekomende ruime bevoegdheid te eigen bate en los van de afwikkeling van het faillissement zou kunnen uitoefenen, waarbij ook de waarborg van toezicht door de rechter-commissaris zou ontbreken.’9
Levering van een bestuurdersaansprakelijkheidsvordering kan op twee wijzen geschieden, door openbare of stille cessie.10 Een openbare cessie vereist een akte van cessie en een (vormvrije) mededeling aan de schuldenaar, de bestuurders en commissarissen die het betreft, zo volgt uit art. 3:94 lid 1 BW. Een stille cessie geschiedt door middel van een authentieke akte van cessie of een onderhandse geregistreerde akte van cessie, zonder dat (direct) mededeling hoeft te worden gedaan aan de aan te spreken bestuurders en commissarissen. Zolang de cessie hen niet is medegedeeld, kan de levering hen echter niet worden tegengeworpen (art. 3:94 lid 3 BW). Art. 3:94 lid 4 BW bepaalt in dit verband nog:
‘De personen tegen wie het recht moet worden uitgeoefend, kunnen verlangen dat hun een door de vervreemder gewaarmerkt uittreksel van de akte en haar titel wordt ter hand gesteld. Bedingen die voor deze personen van geen belang zijn, behoeven daarin niet te worden opgenomen. Is van een titel geen akte opgemaakt, dan moet hun de inhoud, voor zover voor hen van belang, schriftelijk worden medegedeeld.’11
Daarbij komt dat de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vordering rechtsgeldig is overgedragen rust op de cessionaris, ingevolge het uitgangspunt van art. 150 Rv.12
De cessionaris die na cessie een dagvaarding uitbrengt, is zowel de materiële als formele procespartij. Brengt de cedent voor de cessie een dagvaarding uit, dan is hij tot het moment van cessie zowel de materiële als formele procespartij. Gaat de vordering over tijdens de procedure, dan verandert de materiële procespartij. De cessionaris wordt dan de materiële procespartij. De hoedanigheid van formele procespartij gaat niet van rechtswege over. Hiervoor is een procesrechtelijke handeling nodig zoals de schorsing van de procedure, gevolgd door een vervanging van de formele procespartij (art. 225 Rv jo. art. 227 Rv), of het instellen van een rechtsmiddel, waarmee de cessionaris toetreedt tot de procedure (als hangende de instantie de cessionaris procesbevoegd is geworden zonder dat hij de procedure heeft overgenomen, of na de uitspraak, hangende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel, de cessionaris procesbevoegd is geworden13). Verder zijn voeging en tussenkomst door de cessionaris mogelijk (art. 217 Rv). Vinden deze handelingen niet plaats, dan blijft de cedent de formele procespartij.14