Sleutels voor personenvennootschapsrecht
Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/4.3.3.3:4.3.3.3 Toepassing bij de maatschap
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/4.3.3.3
4.3.3.3 Toepassing bij de maatschap
Documentgegevens:
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591625:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie 2.4.4.5.
Zie 4.3.2.1.
Vgl. 4.3.2.2.
Art. 7:404 BW, HR 15 maart 2013, JOR 2013/133, NJ 2013/290 (Biek Holdings),HR 18 september 2015, JOR 2015/289, NJ 2016/66(Alasco Vastgoed BV).
Zie 2.5.5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In mijn benadering is de maatschap geen rechtssubject. De vennoten zijn partij bij de in naam van de maatschap aanvaarde opdracht. Zij zijn gezamenlijke opdrachtnemers. Hun persoonlijke aansprakelijkheid wordt in mijn benadering geheel beheerst door het commune recht.1Artikel 7:407 lid 2 BW kan in deze visie rechtstreeks worden toegepast. Dit geldt ook voor hetgeen is aangegeven over de collectieve verantwoordelijkheid, de relevante graad van verwijtbaarheid en de disculpatiemogelijkheden bij een pluraliteit van opdrachtnemers. Het door Salomons bepleite ruime toerekenings-criterium, dat interne controle en sturing aanmoedigt,2 sluit hier goed bij aan. Disculpatie op basis van een taakverdeling is mogelijk. En een expliciete taakverdeling biedt meer zekerheid dan een impliciete. Dat van een vennoot geen zorg voor de ‘algemene gang van zaken’ verwacht zou mogen worden, en geen maatregelen om de gevolgen van een hem bekende tekortkoming van een collega af te wenden, mag niet snel worden aangenomen. In de regel mag van vennoten verwacht worden dat zij gezamenlijk of in groepen zorgdragen voor een infrastructuur die continue dienstverlening op een geëigend kwaliteitsniveau mogelijk maakt. Dit schept verantwoordelijkheden die verder reiken dan die van de specifieke vennoot, belast met de uitvoering van een specifieke opdracht.3 Het kan ook verantwoordelijkheden scheppen voor nieuwe vennoten, los van de vraag of zij bij een aan ‘de maatschap’ verleende opdracht partij zijn geworden. Onzorgvuldigheid kan tot aansprakelijkheid leiden.
In de praktijk worden opdrachten vaak aanvaard door een onder gemeenschappelijke naam optredende maatschap van verschillende vennoten (BV’s) en wordt slechts één van degenen die via zijn persoonlijke BV vennoot is, met de feitelijke uitvoering van een bepaalde opdracht belast. Maakt de betrokken beroepsbeoefenaar een fout, dan kan hij persoonlijk aansprakelijk zijn jegens de opdrachtgever, ook al is hij persoonlijk geen vennoot. Zijn aansprakelijkheid berust dan op onrechtmatige daad.4 Daarnaast kan sprake zijn van wanprestatie onder de overeenkomst van opdracht. Daarvoor zijn dan de vennoten hoofdelijk aansprakelijk, voor zover de tekortkoming aan hen kan worden toegerekend (art. 7:407 lid 2 BW). De fout van de betrokken beroepsbeoefenaar zal aan diens BV worden toegerekend.
Het kan ook zijn dat een beroepsfout wordt gemaakt door een medewerker die in dienst is van de maatschap. In dit geval kunnen de vennoten in het door mij bepleite maatschapsregime aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:170 BW (risicoaansprakelijkheid voor werknemers). Bij het concipiëren van deze wetsbepaling is voor zover ik heb kunnen nagaan geen rekening gehouden met het geval van een pluraliteit van werkgevers. Ik zou willen aannemen dat, in het geval van een gezamenlijk aanvaarde opdracht, voor de toepassing van artikel 6:170 BW mag worden uitgegaan van hetzelfde toerekeningscriterium als bij artikel 7:407 lid 2 BW. Zo kan de werkgeversaansprakelijkheid in veel gevallen beperkt worden tot de vennoot die functioneel verantwoordelijk is voor de gemaakte fout.
Het maatschapsvermogen vormt in mijn benadering een afgescheiden vermogen. Tot dat vermogen behorende schulden kunnen worden verhaald op de daartoe behorende goederen. Dit roept de vraag op of de verplichting tot schadevergoeding wegens een beroepsfout, gemaakt in de uitvoering van een aan ‘de maatschap’ verleende opdracht, tot het maatschapsvermogen behoort. Uitgangspunt is m.i. dat alleen schulden van alle vennoten gezamenlijk op het afgescheiden vermogen verhaald kunnen worden. Kunnen een of meer vennoten zich disculperen, dan wordt aan dit criterium niet voldaan en is verhaal op het maatschapsvermogen dus in beginsel uitgesloten. De verkeersopvattingen kunnen in voorkomende gevallen tot een ander oordeel leiden.5
Al met al kent de maatschap in de door mij bepleite opzet dus een partial shield aansprakelijkheidsbeperking, geheel gebaseerd op het commune recht. Zoals hierboven uiiteengezet, wijkt de invulling van dit partial shield af van de regeling in het Ontwerp-Maeijer en van de oplossing die de werkgroep-Van Olffen voorstelt.