Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.3.4.2
IV.3.4.2 De hoogte en samenstelling van de bezoldiging
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242769:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2.1 lid 1 jo. 2.3 lid 1 WNT. Topfunctionarissen mogen op grond van deze bepalingen niet meer verdienen dan de Balkenende-norm, uitzonderingen daargelaten. In 2019 bedroeg deze norm € 194.000. Voor leden van toezichthoudende organen ligt het bezoldigingsplafond op 10% van de Balkenende-norm, zo volgt uit art. 2.2 lid 1 jo. 2.3 lid 1 WNT. Voor niet-uitvoerende bestuurders geldt mijns inziens een maximum van € 194.000. Volgens art. 5 lid 2 van de Beleidsregels WNT 2019 wordt namelijk slechts een bestuurder die uitsluitend belast is met toezichthoudende taken als toezichthoudende topfunctionaris aangemerkt. “Indien een topfunctionaris evenwel mede uitvoerende taken heeft dan wel mede leiding geeft aan de gehele rechtspersoon, wordt [hij, NK] voor de toepassing van de wet als leidinggevende topfunctionaris – geen toezichthoudende topfunctionaris – aangemerkt”, aldus art. 5 lid 2 van de Beleidsregels WNT 2019. Art. 1.2 en 1.3 geeft aan welke NV’s en BV’s onder het bereik van de WNT vallen.
Eenzelfde bepaling is al sinds 2003 te vinden in de UK Corporate Governance Code. Voor de thans vigerende bepaling verwijs ik naar code provision 34 van de UK CGC 2018.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 6 (NV).
Op basis van de mediaan, zie PwC Executive and non-executive remuneration survey 2016, p. 14. De beloningen van niet-uitvoerende bestuurders varieerden tussen € 50.000 en € 123.102. De mediaan bedroeg € 70.000. De beloningen van commissarissen varieerden tussen € 32.000 en € 51.500. De mediaan bedroeg € 40.315. Voor de volledigheid wijs ik erop dat PwC in 2018 opnieuw onderzoek deed naar de beloningen van niet-uitvoerende bestuurders. In dit onderzoek is helaas geen onderscheid gemaakt tussen de hoogte van de beloning van niet-uitvoerende bestuurders en commissarissen.
Op basis van de mediaan, zie PwC Executive and non-executive remuneration survey 2016, p. 14. De beloning van een niet-uitvoerende voorzitter lag volgens het onderzoek tussen € 60.000 en € 740.242. De mediaan bedroeg € 236.686. De beloning van een president-commissaris varieerde tussen € 46.000 en € 77.500. De mediaan bedroeg € 57.500.
Zie Boschma e.a. 2018, p. 77-78.
Boschma e.a. 2018, p. 77-78. Bij geen van de vijf in Nederland genoteerde beurs-NV’s die ik in mijn onderzoek heb betrokken (zie § I.3.4), ontvangt de niet-uitvoerende bestuurder een variabele beloning. Zie Altice Europe NV Annual Report 2019, p. 136; Amsterdam Commodities NV Annual Report 2019, p. 43; OCI NV Annual Report 2019, p. 69; en Unilever NV Annual Report & Accounts 2019, p. 71.
Ik wijs ter illustratie op Mylan NV en UniQure NV, zie Dutch statutory board report and financial statements of Mylan N.V. for the fiscal year ended 31 December 2019, p. 163-165; en UniQure NV Annual Report 2019, p. 54-55. Niet bij alle beurs-NV’s in den vreemde ontvangt de niet-uitvoerende bestuurder een variabele beloning. Bij bijvoorbeeld CNH Industrial NV, Ferrari NV en Fiat Chrysler Automobiles NV is de beloning van de niet-uitvoerende bestuurder niet afhankelijk van de resultaten van de vennootschap, zie CNH Industrial NV Annual Report 2019, p. 109; Ferrari NV Annual Report 2019, p. 160; en Fiat Chrysler Automobiles NV Annual Report 2019, p. 142.
Zie bijvoorbeeld Altice Europe NV Annual Report 2019, p. 134 en 136; OCI NV Annual Report 2019, p. 69; en Unilever NV Annual Report & Accounts 2019, p. 71.
Voorstel tot herziening van de Nederlandse Corporate Governance Code van 11 februari 2016, p. 45 en 74. Zie over dit voorstel de discussie tussen Vletter-van Dort en Kemperink: Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2016/22; Kemperink, Ondernemingsrecht 2016/50; en Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2016/51.
Zie code provision D.1.3 van de UK CGC 2016. Interessant is dat MM&K/Directorbank/Hansen Green in 2012 onderzoek heeft gedaan naar de bezoldiging van non-executive directors. Uit dit onderzoek blijkt dat in 2012 6% van de non-executives opties op aandelen had. Zie Weight 2014, p. 598.
Zie code provision B.1.1 van de UK CGC 2016. Deze bepaling is thans te vinden in code provision 10 van de UK CGC 2018.
Verantwoording van het werk van de Commissie van 8 december 2016, p. 22.
Zie code provision 34 van de UK CGC 2018. Voor zover ik heb kunnen nagaan, maakte de Financial Reporting Council geen woorden vuil aan de reden achter deze koerswijziging. In de Proposed Revisions to the UK Corporate Governance, is slechts te vinden dat code provision D.1.3 van de UK CGC 2016 gedeeltelijk geschrapt wordt, zie Code Appendix C – Summary of Changes from 2016 UK Corporate Governance Code.
Omdat de Code uitgaat van het comply or explain-principe, is nog altijd denkbaar dat een non-executive director in opties op aandelen wordt beloond. Ook code provision 10 van de UK CGC 2018 houdt daar rekening mee. Ingevolge laatstgenoemde bepaling heeft de non-executive namelijk als niet-onafhankelijk te gelden wanneer zijn beloning uit opties op aandelen bestaat.
Het door MM&K/Directorbank/Hansen Green verrichte onderzoek toonde aan dat zo’n 60% van de non-executive directors in 2012 aandelen hield in de vennootschap. Zie Weight 2014, p. 597.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/374; Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2016/22; die haar standpunt herhaalt in Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2016/51. Zie hierover uitgebreid Muhammad, MvO 2017, afl. 1-2, p. 36-41.
Zie best practice bepaling 3.3.3 van de Code. Deze best practice bepaling is volgens de toelichting op principe 5.1 van de Code eveneens van toepassing op niet-uitvoerende bestuurders.
Zie Unilever NV Annual Report & Accounts 2019, p. 72.
In het vorenstaande gaf ik antwoord op de vraag wie de bezoldiging van de niet-uitvoerende bestuurder bepaalt. De volgende vraag is waaruit de bezoldiging van de niet-uitvoerende bestuurder bestaat. Kan zijn bezoldiging afhankelijk worden gesteld van de resultaten van de vennootschap? En kan hij ook in aandelen en/of rechten op aandelen beloond worden? Voordat ik deze vragen beantwoord, sta ik stil bij de hoogte van de bezoldiging van de niet-uitvoerende bestuurder.
Boek 2 BW bevat geen voorschriften over de hoogte van de bezoldiging van de niet-uitvoerende bestuurder. In sectorspecifieke regelgeving is daarentegen wel het een en ander te vinden. Ik wijs ter illustratie op Wet normering topinkomens, waarin een maximum is opgenomen voor niet-uitvoerende bestuurders van bepaalde NV’s en BV’s in de publieke en semi-publieke sector.1 Ook de Code bevat een voorschrift. Ingevolge best practice bepaling 3.3.1 ontvangen commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders een beloning die de tijdsbesteding en verantwoordelijkheden van de functie reflecteert.2 Hoewel deze best practice bepaling pas in 2016 in de Code is verankerd, nam de minister reeds in 2009 om diezelfde reden aan dat een niet-uitvoerend bestuurder een hogere beloning ontvangt dan een commissaris.3 Hij lijkt het bij het rechte eind te hebben. Uit een onderzoek van PwC naar de beloning van niet-uitvoerende bestuurders en commissarissen blijkt dat niet-uitvoerende bestuurders van in Nederland genoteerde beursvennootschappen in 2015 ongeveer 1,75 keer zoveel verdienden als commissarissen.4 De beloning van de niet-uitvoerende voorzitter van de board lag ruim vier keer zo hoog als de beloning van een president-commissaris.5
In het evaluatieonderzoek is eveneens aandacht besteed aan de beloning van niet-uitvoerende bestuurders. Aan beursvennootschappen die de overstap van een two tier board naar een one tier board hebben gemaakt, is de vraag gesteld of het monistische bestuursmodel duurder uitvalt dan het dualistische bestuursmodel. Zij gaven aan dat dat niet het geval is. Bovendien verschilt de beloningssystematiek van de niet-uitvoerende bestuurders en de commissarissen volgens hen niet.6 Deze bevindingen geven aanleiding de samenstelling van de bezoldiging van een niet-uitvoerend bestuurder nader onder de loep te nemen.
Hoewel Boek 2 BW niet uitsluit dat de bezoldiging van een niet-uitvoerend bestuurder variabel is, blijkt zijn bezoldiging in de praktijk zelden een variabele beloningscomponent te bevatten.7 Enkel bij ‘beurs-NV’s in den vreemde’ komen variabele beloningen voor.8 Bij in Nederland genoteerde beurs-NV’s bestaat de bezoldiging van de niet-uitvoerende bestuurder gewoonlijk uit een vaste basisvergoeding, aangevuld met eventuele extra’s wanneer de niet-uitvoerende bestuurder deel uitmaakt van commissies en/of het voorzitterschap vervult.9
Deze praktijk is in lijn met principe 3.3 van de Code, waarin met zoveel woorden is vastgelegd dat de bezoldiging niet afhankelijk mag zijn van de resultaten van de vennootschap. Deze bepaling kwam er niet zonder slag of stoot. Aanvankelijk wilde de Monitoring Commissie aansluiten bij de Engelse Code.10 De UK Corporate Governance Code stond beloning in opties op aandelen op beperkte schaal toe. Als voorwaarde gold dat de algemene vergadering vooraf goedkeuring verleende en de opties werden aangehouden tot ten minste een jaar nadat de non-executive director zijn functie had neergelegd.11 Een beloning in opties op aandelen had niettemin gevolgen voor de onafhankelijkheid van de non-executive director. Een non-executive met opties op aandelen, werd als niet-onafhankelijk beschouwd.12
Vanwege kritiek uit de praktijk en de pers besloot de Monitoring Commissie toch het voorschrift uit de Code van 2008 te handhaven.13 Dit betekent dat de beloning van een niet-uitvoerend bestuurder niet uit aandelen en/of rechten op aandelen mag bestaan. Ook in Engeland mag dat niet meer.14 De thans geldende UK Corporate Governance Code bepaalt expliciet dat de beloning van de non-executive director niet uit aandelen en/of rechten op aandelen mag bestaan.15 Aandelenbezit door de non-executive directors is daarentegen nog altijd toegestaan.16
Ook de Nederlandse Code snijdt de pas voor aandelenbezit door niet-uitvoerende bestuurders niet af.17 Zij schrijft slechts voor dat het aandelenbezit ter belegging op de lange termijn is.18 In de praktijk wordt dankbaar gebruikt gemaakt van de ruimte die de Code voor aandelenbezit biedt. Bij Unilever NV wordt aandelenbezit door niet-uitvoerende bestuurders zelfs aangemoedigd.19 Wel kan de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders in het geding komen. Houdt een niet-uitvoerend bestuurder ten minste 10% van de aandelen in de vennootschap, dan heeft hij volgens best practice bepaling 2.1.8 van de Code als niet-onafhankelijk te gelden. Op de onafhankelijkheidseisen kom ik in § VI.4.2.4 terug.