Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.2.2
4.2.2 Nationaal toewijzingsbesluit
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS610635:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Niet zijnde nieuwkomers als bedoeld in artikel 3 onder h Richtlijn ETS.
Zie hierover subparagraaf 3.4.2.5.
Artikel 27 lid 1 aanhef en onder a Richtlijn ETS.
Zie hierover subparagraaf 3.4.2.5.
Deze keuzemogelijkheid vloeit voort uit de samenhang tussen de leden 3-5 van artikel 33 Rhe. Immers, op grond van lid 5 worden de gegevens per broeikasgasinstallatie als bedoeld in lid 4 verstrekt. Echter, de broeikasgasinstallaties als bedoeld in lid 4 worden pas bepaald, indien er op grond van lid 3 een verzoek tot aanlevering per broeikasgasinstallatie is ingediend.
Dit volgt ook uit MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 94.
Bijvoorbeeld in het geval van Yara Sluiskil B.V (Nationaal Toewijzingsbesluit broeikasgasemissierechten 2013-2020, IENM/BSK-2013/226553, Stcrt. 2013, 30507, p. 23 en bijlage I).
Stcrt. 2011, 23268, p. 2 en 3.
Artikel 3 onder e Richtlijn ETS.
Naar analogie: Guidance on Interpretation of ‘Installation’ and ‘Operator’ for the purposes of the IPPC-Directive.
Over de interpretatie van het begrip ‘installatie’ zijn door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels prejudiciële vragen gesteld: ABRvS 1 april 2015, ECLI: NL: RVS: 2015: 1006. Deze vragen zijn door het Hof beantwoord in haar arrest van 9 juni 2016 (HvJ EU 9 juni 2016, C‑158/15 (EPZ)). Uit de conclusie van A-G Kokott kan worden afgeleid dat de vaste technische eenheid zodanig kan worden geïnterpreteerd dat hier tevens de rechtstreeks samenhangende activiteiten die in technisch verband met de bijlage I Richtlijn ETS activiteit staan onder vallen (conclusie A-G Kokott, HvJ EU 3 maart 2016, C-158/15 (EPZ), overweging 25-27).
Dit standaardformulier is niet meer beschikbaar op de website van de NEa, maar heeft de NEa aan mij per e-mail verstrekt.
Standaardformulier ‘Formulier verzoek berekening per broeikasgasinstallatie’, p. 4. Dit formulier is ten behoeve van dit onderzoek op 9 maart 2015 per e-mail aan mij verstrekt door de NEa.
Artikel 16.1 lid 2 Wm. Vgl. Artikel 3 onder e Richtlijn ETS.
Immers, voor de toevoeging van nieuwe activiteiten/broeikasgassen geldt de procedure van artikel 24 Richtlijn ETS. Voor de wijziging van Richtlijn 2009/29/EG vereiste bijlage I van Richtlijn ETS evenwel dat eenzelfde soort activiteiten die in dezelfde installatie of op hetzelfde bedrijfsterrein plaatsvonden, bij elkaar moesten worden opgeteld om te bepalen of de drempelwaarde van de betreffende activiteit was bereikt, en dus of er sprake was van een activiteit die onder het ETS valt. Met Richtlijn 2009/29/EG is bijlage I echter vervangen. Blijkens de nieuwe bijlage wordt ten aanzien van de drempelwaarde nog slechts naar de activiteiten binnen de installatie gekeken. De motivering achter deze wijziging is echter niet in de wetsgeschiedenis terug te vinden. Weliswaar was schrapping van punt 2 van bijlage I van de oorspronkelijke Richtlijn 2003/87/EG voorgesteld door de commissie internationale handel van het EP, dit voorstel werd niet overgenomen door de verantwoordelijke commissie milieu van het EP en werd dus ook niet in de resolutie overgenomen. Wanneer echter de samenvatting van het standpunt in eerste lezing van het EP wordt geraadpleegd, blijkt dat de uiteindelijk aangenomen amendementen een compromis tussen het EP en de Raad betreft. Wanneer de stemmingsuitslag van het EP wordt geraadpleegd, blijkt dat naast door de commissie milieu voorgestelde amendementen, ook door individuele Europarlementariërs nog een amendement was ingediend en aangenomen in de plenaire vergadering. Aangezien alle amendementen van de commissie milieu, op een na, blijkens de stemmingsuitslag zijn afgewezen, en de amendementen van deze commissie slechts op kleine onderdelen van de tekst van het voorstel zagen, moeten vrijwel alle overige wijzigingen van het andere amendement afkomstig zijn. Artikel 150 lid 1 onder c Rules of Procedure van oktober 2008, dat destijds van toepassing was, verbiedt echter dat een amendement meer dan één individueel artikel of paragraaf wijzigt. Uitzondering hierop is wanneer het amendement een compromis-amendement betreft (artikel 150 lid 1 onder c). Uit de hierboven genoemde samenvatting blijkt dat sprake was van een compromis, hetgeen verklaart waarom er met slechts twee aangenomen amendementen zulke grote wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel hebben kunnen plaatsvinden. Kennelijk is de uiteindelijk aangenomen tekst, en dus de schrapping van het onderdeel ‘of hetzelfde bedrijfsterrein’ het gevolg van een politiek compromis, waarvan de motivering niet te achterhalen is. In het vervolg van dit onderzoek ga ik uit van de tekst, zoals deze in de uiteindelijke officiële publicatie openbaar is gemaakt. Zie voor de wetsgeschiedenis en documenten over de beraadslaging in het EP: http://www.europarl.europa.eu/oeil/ (zoeken op: 2008/0013(COD), geraadpleegd op 14 februari 2017).
Er bestaat immers een absoluut plafond voor kosteloos toe te wijzen emissierechten aan bestaande installaties (artikel 10bis lid 5 Richtlijn ETS).
De Nederlandstalige versie is niet meer te verkrijgen op de website van de NEa, echter de Engelstalige versie is nog steeds te downloaden op: http://ec.europa.eu/clima/policies/ets/cap/allocation/documentation_en.htm (geraadpleegd op 14 februari 2017).
Zie ook: Veelgestelde vragen Gratis Toewijzing 2013-2020, 19 juli 2011 (https://www.emissieautoriteit.nl/documenten/hulpdocument/2014/12/08/veelgestelde-vragen-gratistoewijzing-2013-2020-19-juli-2011 (geraadpleegd 9 januari 2017)).
Broeikasgasinstallaties worden in het Nationaal toewijzingsbesluit afgekort als ‘BKG’ (Nationaal Toewijzingsbesluit broeikasgasemissierechten 2013-2020, p. 23 en bijlage I).
http://ec.europa.eu/environment/ets/, zie onder ‘allocation/compliance’ (geraadpleegd op 14 februari 2017).
Nationaal Toewijzingsbesluit broeikasgasemissierechten 2013-2020, IENM/BSK-2013/226553, Stcrt. 2013, 30507, p. 15.
Terwijl de R&;D-activiteiten in dit kader dan even goed hadden kunnen worden gekwalificeerd als niet onder het ETS vallende activiteiten binnen de installatie, indien de inrichting ten behoeve van de aanvraag als installatie wordt aangemerkt.
Zouden de R&;D-activiteiten wel vallen onder een broeikasgasinstallatie, dan zouden de R&;D-activiteiten sowieso niet als een aparte installatie mogen worden gekwalificeerd.
Stcrt. 2011, 23268, p. 2 en 3.
Dit beoordelingskader werd door de Staatssecretaris gemotiveerd met de overweging dat alle emitterende eenheden van de inrichting onder een broeikasgasinstallatie moeten vallen, omdat alle emissies van de inrichting moeten worden gemonitord en gerapporteerd, en hierover emissierechten moeten worden ingeleverd. Een overweging die overigens ook niet strookt met de Richtlijn ETS, aangezien deze slechts van toepassing is op de activiteiten genoemd in bijlage I Richtlijn ETS (artikel 2 lid 1 Richtlijn ETS).
Zie hierboven.
Bijvoorbeeld: Guidance on Interpretation of Annex I of the EU ETS Directive (excl. aviation activities), 18 March 2010, p. 4 en Guidance Document no 1 on the harmonized free allocation methodology for the ETS post 2012 - General Guidance to the allocation methodology, Final version issued on 14 April 2011 and updated on 29 June 2011, p. 1. Zie ook Jacquier &; Bellassen 2015, p. 148 en 149. Overigens is het eerstgenoemde Guidance document niet geheel consistent in deze benadering, aangezien op pagina’s 6 en 7 van dat document wel weer wordt vastgesteld welke onderdelen deel uitmaken van een installatie, en vaststelt dat de installatiegrenzen zo ruim mogelijk moeten worden vastgesteld (Guidance on Interpretation of Annex I of the EU ETS Directive (excl. aviation activities), 18 March 2010, p. 7).
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 9 juni 2016, C-158/15 (EPZ).
Conclusie A-G Kokott, HvJ EU 3 maart 2016, C-158/15 (EPZ).
Zie tevens: Thurlings 2016a.
Hetgeen met Richtlijn 2009/29/EG juist wel wordt beoogd, zie onder meer overwegingen 15 en 23 van de considerans van die Richtlijn.
Artikel 16.24 lid 4 jo 16.25 Wm jo artikel 6 Besluit 2011/278/EU.
Onderdeel A.III.1 van het standaardformulier, ‘CIM’ staat voor ‘Commission implementing measures’, waarmee Besluit 2011/278/EU wordt bedoeld. Overigens vloeit ook al reeds uit artikel 7 lid 2 jo artikel 6 lid 1 jo artikel 3 onder b Besluit 2011/278/EU voort dat gelijkwaardige producten die onder dezelfde benchmark vallen moeten worden samengevoegd.
Zie het standaardformulier, onder A.III.2. ‘Fall-back approach’ doelt op subinstallaties, niet zijnde productbenchmark-subinstallaties (warmtebenchmark-, brandstofbenchmark- en procesemissiebenchmark-subinstallaties). Deze worden als ‘fall-back’ gekwalificeerd omdat deze subinstallaties worden toegepast als activiteiten niet onder een product-benchmark kunnen worden gebracht. Dit volgt uit de definitieomschrijvingen van deze ‘fall-back approach’-subinstallaties (zie artikel 3 Besluit 2011/278/EU). Overigens vloeit de regeling uit het standaardformulier al reeds voort uit artikel 7 lid 2 jo artikel 6 lid 1 jo artikel 3 onder b, c, d en h Besluit 2011/278/EU.
Nationaal Toewijzingsbesluit broeikasgasemissierechten 2013-2020, IENM/BSK-2013/226553, Stcrt. 2013, 30507, p. 23.
Artikel 3 onder i-k Besluit 2011/278/EU.
De toewijzing aan bestaande inrichtingen,1 geschiedt overeenkomstig het Nationaal Toewijzingsbesluit. De regeling inzake het Nationaal Toewijzingsbesluit is vastgelegd in artikel 16.24 Wm. In het vorige hoofdstuk is uiteengezet dat artikel 16.24 Wm formeel geen correcte implementatie van de Richtlijn ETS is. De implementatiegebreken zien op twee onderdelen. Ten eerste de onderverdeling naar inrichtingen in plaats van de door artikel 11 Richtlijn ETS vereiste onderverdeling in installaties. Ten tweede de toepassing van artikel 27 Richtlijn ETS op inrichtingen in het toewijzingsbesluit. Nu de Commissie de door Nederland voorgestelde uitsluiting van inrichtingen op grond van artikel 27 Richtlijn ETS heeft afgewezen, heeft dit gebrek voor de praktijk echter geen gevolgen.2 Immers, de termijn voor de voordracht tot uitsluiting aan de Commissie is inmiddels verlopen.3
Voor zover het de onderverdeling naar inrichtingen in plaats van installaties betreft, geldt dat de Commissie hier verder geen opmerkingen over heeft gemaakt. In het vorige hoofdstuk nam ik het standpunt in dat de inrichtingen in het huidige Nationaal Toewijzingsbesluit wellicht ook als installaties zijn aan te merken.4 Zoals hieronder zal blijken bevatte de aan de Commissie overeenkomstig artikel 11 Richtlijn ETS verstrekte lijst van installaties in feite een mix van inrichtingen en broeikasgasinstallaties, die op die lijst allen als ‘installatie’ werden gekwalificeerd, en zijn de toewijzingsregels uit Besluit 2011/ 278/EU daardoor mogelijk verkeerd toegepast.
Van belang in dit kader zijn de regelingen voor de aanlevering van gegevens met het oog op een kosteloze toewijzing als bedoeld in artikel 16.29 onder b Wm. Deze regelingen zijn terug te vinden in de Rhe. In het bijzonder van belang is artikel 33 leden 3-5 Rhe:
‘3. Degene die een inrichting drijft, kan voor 1 oktober 2011 het bestuur van de emissieautoriteit verzoeken om de gegevens per afzonderlijke broeikasgasinstallatie binnen de inrichting te mogen verstrekken. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van een door het bestuur van de emissieautoriteit vastgesteld en elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier.
4. Het bestuur van de emissieautoriteit informeert degene die de inrichting drijft voor 1 november 2011 omtrent het aantal afzonderlijke broeikasgasinstallaties binnen de inrichting, waarvoor bedoelde gegevens kunnen worden verstrekt.
5. Degene die de inrichting drijft, verstrekt het bestuur van de emissieautoriteit voor 1 januari 2012 per afzonderlijke broeikasgasinstallatie als bedoeld in het vierde lid, de in het standaardformulier, bedoeld in het eerste lid, aangewezen gegevens. In afwijking van het standaardformulier worden per broeikasgasinstallatie gegevens verstrekt over de gehele basisperiode van 2005 tot en met 2010, en, voor zover van toepassing, 2011.’
Een drijver kon dus ten behoeve van de aanlevering van gegevens met het oog op kosteloze toewijzing zijn inrichting opsplitsen in broeikasgasinstallaties.5 Zoals in het vorige hoofdstuk is gebleken, is het begrip ‘broeikasgasinstallatie’ de implementatie van het begrip ‘installatie’ van artikel 3 onder e Richtlijn ETS.6 Blijkens het Nationaal Toewijzingsbesluit zijn enkele inrichtingen ook daadwerkelijk opgedeeld in verschillende broeikasgasinstallaties.7 Het beoordelingskader is door de Staatssecretaris bij de invoering van deze opdelingmogelijkheid uiteengezet:
‘Indien een inrichting ervoor kiest om de gegevens ten behoeve van de kosteloze toewijzing per broeikasgasinstallatie binnen die inrichting aan te leveren, dient de inrichting een verzoek hiertoe in bij het bestuur van de emissieautoriteit (hierna: NEa).
Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, waarin de door de inrichting voorgestelde onderverdeling van de inrichting in meerdere installaties gemotiveerd wordt aangegeven. De NEa toetst de door de inrichting voorgestelde onderverdeling aan het begrip broeikasgasinstallatie zoals dit is gedefinieerd in artikel 16.1 van de Wet milieubeheer. De NEa toetst aan de volgende criteria:
is sprake van een vaste technische eenheid?;
worden een of meer activiteiten verricht die behoren tot een categorie aangewezen in bijlage I bij de ETS-richtlijn1?;
vinden er daadwerkelijk broeikasgasemissies plaats uit deze installaties?
Omdat door een onderverdeling in meerdere broeikasgasinstallaties binnen een inrichting de reikwijdte van de vergunning en derhalve de grenzen van de inrichting niet wijzigen, moeten alle emitterende eenheden binnen een broeikasgasinstallatie vallen. Uitgangspunt is immers dat alle emissies van de inrichting worden gemonitord en gerapporteerd en dat over alle emissies emissierechten worden ingeleverd. Ook na de onderverdeling in installaties moet de berekening van het aantal emissierechten in overeenstemming zijn met de geharmoniseerde toewijzingsregels en mag zij niet leiden tot dubbele toewijzing.’8
Hieruit blijkt wederom de overeenkomst tussen de definitie voor broeikasgasinstallatie en de definitie voor installatie uit de Richtlijn ETS. Zij het dat ook rechtstreeks samenhangende activiteiten die in een technisch verband staan met de Annex-I activiteit en op dezelfde plaats worden uitgevoerd, onder de installatie in de zin van de Richtlijn vallen.9 Verdedigbaar is echter dat deze rechtstreeks samenhangende activiteiten zelf tot de vaste technische eenheid behoren.10 Het begrip ‘broeikgasinstallatie’ lijkt in ieder geval op die wijze door de Staatssecretaris te worden toegepast.11
Uit het bovenstaande volgt dat een toewijzing op het niveau van de inrichting in ieder geval formeel in strijd is met artikel 11 Richtlijn ETS, nu deze toewijzing meerdere installaties kan omvatten (namelijk in die gevallen waarin een inrichting over meerdere broeikasgasinstallaties beschikt, maar ervoor heeft gekozen gegevens aan te leveren op het niveau van de inrichting).
Echter, ook bij een opdeling van de inrichting in broeikasgasinstallaties is de toewijzing niet zonder meer in overeenstemming met artikel 11 Richtlijn ETS. In de toelichting wordt namelijk overwogen dat alle emitterende eenheden van een inrichting binnen een broeikasgasinstallatie moeten vallen. Het standaardformulier van de NEa ten behoeve van deze opdeling volgt het beoordelingskader uit de toelichting en overweegt hieromtrent:12
‘Nadat de verschillende BKG-installaties zijn gedefinieerd, kan het zijn dat er een aantal vaste technische eenheden ‘overblijven’ (bijvoorbeeld een ketelinstallatie van [amp]lt; 20MWth). Deze eenheden dienen toch bij een gedefinieerde BKG-installatie te worden ondergebracht. Alle broeikasgas emitterende eenheden moeten binnen het ETS vallen. Ook wanneer door veranderingen aan een BKG-installatie, de BKG-installatie buiten het systeem zou vallen (bv. wanneer een ketel wordt verwijderd, waardoor het vermogen kleiner wordt dan 20 MWth) moet deze BKG-installatie worden ondergebracht bij een andere BKG-installatie.’13
Als een installatie echter de drempelwaarde voor de broeikasgasinstallatie niet haalt, dan komt het mijns inziens in strijd met de definitie van broeikasgasinstallatie, om deze bij een andere broeikasgasinstallatie onder te brengen. Activiteiten vallen slechts onder een broeikasgasinstallatie, als deze vallen binnen de grenzen van de vaste technische eenheid en zijn aangewezen in het Bhe, of rechtstreeks met die activiteit samenhangen en in technisch verband staan.14 Als dit echter het geval is, kan mijns inziens ook niet meer gesproken worden van een aparte installatie. Met andere woorden, door installaties onder te brengen bij andere broeikasgasinstallaties, omdat zij anders buiten de reikwijdte van het ETS zouden vallen, wordt er in strijd gehandeld met de definitie van ‘broeikasgasinstallatie’ en daarmee met het begrip ‘installatie’ uit artikel 3 onder e Richtlijn ETS. Immers, eenheden die buiten de grenzen van de installatie vallen, worden hiermee onder de reikwijdte van die installatie gebracht. Hiermee worden installaties en activiteiten die buiten het ETS vallen kunstmatig onder het ETS gebracht, hetgeen niet is toegestaan.15 Dit heeft tot gevolg dat er meer emissies tot het ETS worden gerekend, dan ingevolge de Richtlijn ETS is toegestaan. Daardoor spelen er ook meer emissies mee bij de toewijzing van emissierechten, waardoor er voor de daadwerkelijk onder het ETS vallende installaties minder kosteloze emissierechten overblijven.16
Hieruit volgt tevens dat aanlevering van gegevens op inrichtingniveau naast hierboven genoemde redenen, ook in strijd komt met artikel 11 Richtlijn ETS omdat de inrichting emitterende installaties kan omvatten die überhaupt niet onder de reikwijdte van de Richtlijn ETS vallen. Immers indien voor de inrichting geen onderscheid naar broeikasgasinstallaties wordt gemaakt, wordt de inrichting als installatie gekwalificeerd. Dit volgt uit de toepassing van het standaardformulier voor de aanlevering van gegevens als bedoeld in artikel 33 lid 1 Rhe jo artikel 35 Rhe, welke in feite het standaard formulier is dat door de Commissie ter beschikking is gesteld.17 Dit standaardformulier gaat uit van het begrip ‘installatie’ en kan, bij gebrek aan onderverdeling in broeikasgasinstallaties, slechts dan ten aanzien van de inrichting worden toegepast als deze in zijn geheel als een installatie wordt beschouwd.18 Dat niet opgedeelde inrichtingen als ‘installaties’ worden gekwalificeerd volgt bovendien uit de registratie van deze inrichtingen in het European Transaction Log (hierna: EUTL).19 Voor Nederland staan de inrichtingen uit bijlage I van het Nationaal Toewijzingsbesluit, die niet voor een onderverdeling in broeikasgasinstallaties hebben gekozen,20 als installatie opgenomen in het EUTL.21
Contra-indicatief is evenwel dat in het Nationaal toewijzingsbesluit emissierechten worden toegekend aan DSM Permit B.V. voor de opwekking van warmte die wordt geëxporteerd naar een niet onder het ETS vallende R&D-installatie binnen de inrichting. De identificatie van die installatie lijkt echter vooral te zijn gebaseerd op het feit dat binnen de inrichting R&D-activiteiten worden uitgevoerd, waarnaar warmte wordt geëxporteerd uit activiteiten die wel onder het ETS vallen. In het besluit wordt als volgt overwogen:
‘De directe broeikasgasemissies van de R&D activiteiten binnen de inrichting van DSM vallen niet onder de richtlijn (Bijlage 1 van de richtlijn, eerste onderdeel). In dit geval is er sprake van de opwekking van warmte binnen een installatie die wel onder het ETS valt en de export van die warmte naar een installatie die niet onder het ETS valt, namelijk R&D-activiteiten.’22
Aangezien de R&D-activiteiten niet onder het ETS vallen, worden deze activiteiten als een aparte installatie beschouwd, waarnaar de warmte wordt geëxporteerd. Hiermee wordt mijns inziens wel erg willekeurig toepassing gegeven aan het installatiebegrip. Immers, de drijvers krijgen hiermee de mogelijkheid ten behoeve van de aanvraag van emissierechten hun inrichting als installatie in de zin van de Richtlijn te beschouwen, maar tegelijkertijd niet onder het ETS vallende activiteiten als een aparte installatie te kwalificeren, hetgeen een grotere toekenning van emissierechten kan opleveren.23 De Staatssecretaris had mijns inziens hier beter moeten motiveren waarom de R&D-activiteiten een aparte installatie zijn. Dit had echter slechts dan gemotiveerd kunnen worden door te stellen dat de R&D-activiteiten niet onder dezelfde vaste technische eenheid vallen als, noch rechtstreeks samenhangen met de ETS activiteiten, waarbij de inrichting dus alsnog in aparte installaties had moeten worden onderverdeeld.24 Overigens valt deze overweging van de Staatssecretaris ook niet te rijmen met het beoordelingskader voor de opsplitsing in broeikasgasinstallaties, als beschreven in de toelichting bij de invoering van die opdelingmogelijkheid en uitgewerkt in het standaardformulier voor opdeling.25 Daaruit volgt immers dat alle emitterende eenheden van de inrichting onder een broeikasgasinstallatie moeten worden gebracht.26 Hetgeen overigens, zoals hierboven beschreven, op zijn beurt eveneens in strijd is met de Richtlijn ETS.27
Opgemerkt moet worden dat het bij de Commissie bekend is dat er verschillen bestaan tussen de lidstaten ten aanzien van de vaststelling van de grenzen van een installatie in het kader van de vergunningverlening. 28Dit neemt echter niet weg dat de uiteindelijke vaststelling van de grenzen van een installatie bij twijfel in rechte kunnen worden vastgesteld door het Hof van Justitie.29 A-G Kokott is in een conclusie ook bereid geweest het installatiebegrip vrij uitputtend uit te leggen, in ieder geval voor wat betreft de rechtstreeks met de bijlage I-activiteit samenhangende activiteiten.30 Op EU-niveau lijkt daarmee het installatiebegrip, anders dan in guidance documents wordt verondersteld, uniform te moeten worden uitgelegd.31 Dit is ook logisch, omdat anders de toewijzingsregels heterogeen zouden mogen worden toegepast tussen de lidstaten. Dit zou op zichzelf weer leiden tot concurrentieverstoringen en daarmee een aantasting van de kosteneffectiviteit van het ETS. Er zou dan geen sprake meer zijn van een daadwerkelijke uniforme toepassing van de toewijzingsregels.32
Het een en ander neemt evenwel niet weg dat meerdere installaties door een vergunning kunnen worden gereguleerd, dit is in overeenstemming met artikel 6 Richtlijn ETS. Echter, een dergelijke verzamelvergunning maakt nog niet dat deze installaties vervolgens als een installatie zouden moeten worden beschouwd, de Richtlijn ETS gaat daar in ieder geval niet vanuit. De betreffende guidance documents lijken dan ook de bevoegdheid tot het reguleren van meerdere installaties door een vergunning te verwarren met, en te interpreteren als, de ruimte voor een heterogene interpretatie van het installatiebegrip. Die benadering is mijns inziens onjuist.
Subinstallaties
Ten behoeve van de toewijzing van emissierechten dient een installatie in subinstallaties te worden onderverdeeld.33 Hoewel in artikel 1 Rhe een subinstallatie wordt gedefinieerd als:
‘productenbenchmark-, warmtebenchmark-, brandstofbenchmark- of procesemissie-subinstallatie als bedoeld in artikel 6 van Besluit 2011/278/EU in verbinding met artikel 3, onderdeel b, c, d of h, van dat besluit;’
is reeds geconstateerd dat wanneer gegevens op het niveau van de inrichting worden aangeleverd, de inrichting als installatie moet worden beschouwd. Dit heeft gevolgen voor de omvang van de subinstallaties. Immers, in het standaardformulier voor de gegevensverstrekking wordt gesteld:
‘For each type of product, only one sub-installation may be chosen. Similar products which are covered by the same product definition in the CIMs are aggregated.’34
En:
‘For each type of fall-back approach, a maximum of two sub-installations may exist, one exposed to significant risk of carbon leakage, the other non-exposed.’35
Als de inrichting echter meerdere broeikasgasinstallaties bevat die eenzelfde product produceren die onder dezelfde product-benchmark vallen, dan overstijgt de subinstallatie de grenzen van de individuele broeikasgasinstallaties. Immers, die subinstallatie mag maar een keer voorkomen, alle productieactiviteiten binnen de inrichting moeten binnen die subinstallatie worden verzameld. Als de inrichting in broeikasgasinstallaties zou zijn opgesplitst, zou iedere broeikasgasinstallatie een aparte subinstallatie voor het betreffende product hebben.
Vergelijk de onderstaande afbeelding. Dit is een schematische weergave van een inrichting voor de productie van ammoniak. Als de inrichting wordt opgesplitst in broeikasgasinstallaties, wordt voor iedere broeikasgasinstallatie een subinstallatie voor ammoniakproductie vastgesteld (de kleine ovalen). Wordt de inrichting echter niet opgesplitst, dan wordt het standaardformulier op het niveau van de inrichting toegepast. De inrichting wordt dan als installatie gekwalificeerd. Dit betekent dat er één subinstallatie voor ammoniakproductie wordt vastgesteld die de ammoniakproductie in beide broeikasgasinstallaties omvat (de grote ovaal).
Met andere woorden, de productbenchmark-subinstallatie gedefinieerd binnen een inrichting kan de grenzen van individuele installaties binnen die inrichting overschrijden. Dat dit geen denkbeeldige situatie betreft, volgt uit de opdeling van Yara Sluiskil B.V. in het Nationaal Toewijzingsbesluit. Daaruit volgt dat Yara Sluiskil B.V. BKG 2 en BKG 3 beiden ammoniak produceren.36 Hoewel Yara Sluiskil B.V. er dus voor heeft gekozen gegevens per broeikasgasinstallatie aan te leveren, laat dit gegeven zien dat drijvers die gegevens per inrichting aanleveren productbenchmark-subinstallaties kunnen hebben opgegeven die de grenzen van een broeikasgasinstallatie overschrijden, nu meerdere broeikasgasinstallaties binnen een inrichting producten kunnen produceren die onder dezelfde productbenchmark vallen.
Deze ‘grensoverstijgende subinstallaties’ hebben met name gevolgen in het kader van aanzienlijke capaciteitswijzigingen als bedoeld in artikel 3 onder i-k Besluit 2011/278/EU. Bij de initiële toewijzing in het kader van het Nationaal Toewijzingsbesluit moet blijkens artikel 16.24 lid 4 Wm jo artikel 7 lid 4 jo artikel 9 lid 9 jo artikel 10 Besluit 2011/278/EU rekening worden gehouden met aanzienlijke capaciteitswijzigingen die zich in de periode van 1 januari 2005-30 juni 2011 hebben voorgedaan. Van een aanzienlijke capaciteitswijziging is sprake:
bij een fysieke verandering waarbij de capaciteit van de subinstallatie met 10% toe- of afneemt (3 onder i-k Besluit); of
bij een fysieke verandering die resulteert in een aanzienlijk wijziging in het activiteitsniveau, dat resulteert in een jaarlijkse wijziging van de toewijzing met 50000 emissierechten. Daarbij moet deze wijziging minimaal overeenkomen met 5% van het voorlopig jaarlijks aantal toegewezen emissierechten voor de wijziging van de subinstallatie.37
Wanneer voor een toewijzing op het niveau van de inrichting wordt gekozen, is er minder snel sprake van een wijziging als bedoeld onder 1), maar kan er mogelijk sneller sprake zijn van een wijziging als bedoeld onder 2). De keuzemogelijkheid voor aanlevering van gegevens op broeikasgasinstallatie- of inrichtingniveau, geeft drijvers van inrichtingen een met de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU strijdig, maar strategisch, voordeel. Immers, een drijver kan door deze keuzemogelijkheid berekenen welke toewijzingsmethode (inrichting of broeikasgasinstallatie) hem een hogere toewijzing kan opleveren.