Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.4.3.1
II.4.3.1 Het Drijfmest-arrest
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460328:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1975-1976, 13655, nr. 3, blz. 18-19; Kamerstukken II 1975-1976, 13655, nr. 5, blz. 2.
De Hullu 2018, p. 172-173.
Zie onder meer Roef & De Roos 1998, p. 78-94; Sikkema 2010, par. 2.2 en 2.5; De Hullu 2005; Knigge 1997; Hornman 2016a, p. 45-46.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest).
De Hullu 2018, p. 174, en zie hieronder par. II.4.4. De toerekeningsformule van het Drijfmest-arrest kan ook gebruikt worden voor toerekening in concernverhoudingen Kristen 2010; Hornman 2016a, p. 259-271.
Omdat in deze paragraaf ā anders dan in par. II.3 en II.5 ā meerdere daderschapsvormen tegelijkertijd aan bod komen, zal ik doorgaans niet verwijzen naar een specifieke plegerschapsvorm of deelnemingsvorm, maar gebruik ik de algemenere term ādaderschapā.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 4.3.2.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 4.3.2.
Vermoedelijk bedoelt de Hoge Raad hier āals plegerā. Immers kan ook een niet-normadressaat aangemerkt worden als dader, bijvoorbeeld via medeplegen.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 4.5.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 3.3 onder verwijzing naar HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1835, NJ 1993/605, m.nt. āt Hart (Furazolidon) en HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3141, NJ 2002/219.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 3.4.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 3.4.
HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 4.6. Van Elst meent dat ook na verwijzing deze omstandigheden niet worden opgehelderd, hij vraagt zich af of het gerechtshof de Drijfmest-formule wel goed toegepast heeft. Van Elst 2006, p. 436-438.
Artikel 51 Sr geeft geen antwoord op de vraag hoe vastgesteld dient te worden dat een rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan; de wetgever heeft de ontwikkeling van een toets voor de daderschap van een rechtspersoon overgelaten aan de rechtspraktijk en de rechtswetenschap.1 Er bestaan meerdere invalshoeken voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen. De Hullu merkt op dat de rechtspraak hieromtrent te divers is om het te vangen in een enkele, simpele definitie.2 Een uitvoerige beschouwing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen kan elders worden gevonden.3 Ik zal me beperken tot het bespreken van het standaardarrest voor de daderschap van rechtspersonen; het eerdergenoemde Drijfmest-arrest (ook bekend als het Zijpe-arrest).4 In deze uitspraak doet de Hoge Raad een handreiking voor de toerekening van verboden gedragingen aan een rechtspersoon. Als de gedraging kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, en de rechtspersoon vervult ook het subjectieve bestanddeel (en eventueel het kwalitatieve bestanddeel), dan is de rechtspersoon pleger. De Drijfmest-formule wordt ook gebruikt voor het toerekenen van een delictsgedraging wanneer de rechtspersoon wordt aangesproken via deelneming, bijvoorbeeld medeplegen.5 De toerekening ziet steeds op (een deel van) de objectieve zijde van het delict, en kan dus worden toegepast in de context van verschillende daderschapsvormen.6
Omdat het Drijfmest-arrest een milieustrafrechtelijke uitspraak betreft, is het ook interessant om de casus te bespreken. De verdachte in deze zaak is een rechtspersoon die in opdracht van een ander (de eigenares) een stuk grond beheert in de gemeente Zijpe. De verdachte heeft het feitelijke beheer van de landerijen uitbesteed aan een loonwerker die in dienst is bij de eigenares. Op enig moment wordt vastgesteld dat op dat stuk grond door onbekenden drijfmest is uitgereden. Ingevolge artikel 5 lid 1 van Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998 is het verboden om dierlijke meststoffen te gebruiken door deze op of in de bodem te brengen. Het hof acht bewezen dat de verdachte (de beherende rechtspersoon) de dierlijke meststoffen āheeft gebruiktā in de zin van het meststoffenbesluit.
De verdediging bepleit dat de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. In dat kader voert zij aan dat de verdachte geen eigenares is van de landerijen, en dat zij āals beheerster (..) echter niet [kan] zeggen wie de mest heeft gebruikt op haar landerijen, omdat zij dat niet weet en aan niemand toestemming heeft gegeven de mest op de onder haar beheer staande landerijen uit te rijden.ā7 Maar het verweer wordt verworpen, want volgens het hof ābehoort het rechtens tot de taak van een beheerster van de landerijen ervoor te waken dat die landerijen worden beheerd overeenkomstig de wettelijke voorschriften. Daaronder valt de verplichting er op te letten dat derden haar landerijen niet voor een ander doel aanwenden dan waartoe haar beheer zich uitstrekt. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alle maatregelen heeft genomen teneinde te verhinderen dat derden haar landerijen konden gebruiken om zich van hun mestvoorraden te ontdoen. Van controlemaatregelen en van (intensieve) inspectie is niet gebleken ā dit is ook niet gesteld namens de verdachte, nog daargelaten dat de verdachte als beheerder niet in staat is geweest vast te stellen wie de mest op haar landerijen heeft uitgereden.ā8
De Hoge Raad stelt in het kader van normadressaatschap vast dat de geschonden norm tot een ieder gericht is, waardoor ook de verdachte rechtspersoon mogelijk āals daderā9 van de overtreding wordt aangemerkt indien de verboden gedraging redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend.10 Aldus rijst de vraag of het uitrijden van drijfmest in redelijkheid kan worden toegerekend aan de beherende rechtspersoon.
Voordat de Hoge Raad dit specifieke geval beslechtte, voelde hij zich geroepen om eerst een aantal algemene overwegingen te wijden aan het daderschap van de rechtspersoon. De Hoge Raad constateert allereerst dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 51 Sr en uit de rechtspraak blijkt dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging āredelijkerwijs aan hem kan worden toegerekendā.11 Zodoende rijst de vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het antwoord op die vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging, en dat een algemene regel zich daarom bezwaarlijk laat formuleren. De Hoge Raad geeft wel een belangrijk oriĆ«ntatiepunt voor de toerekening; namelijk āof de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoonā.12 Ter concretisering van dit zogenoemde āsfeercriteriumā, noemt de Hoge Raad een aantal omstandigheden die erop wijzen dat er sprake kan zijn van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon:13
āHet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
De gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; en
De rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.ā
In de volgende subparagraaf ga ik nader in op deze concretiserende omstandigheden. Maar nu eerst de uitkomst van het Drijfmest-casus; de Hoge Raad oordeelde dat ās hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, omdat de bewijsmiddelen en overwegingen onvoldoende steun bieden voor de toerekening aan de beherende rechtspersoon, āin acht genomen dat het hof niet heeft vastgesteld welke taken en bevoegdheden het aan de verdachte opgedragen beheer inhielden, gelet op de relatie tussen haar en de eigenares (..) en de bij laatstgenoemde BV in dienst zijnde āfeitelijke beheerderāā.14
Het oordeel van de Hoge Raad vind ik niet onbegrijpelijk. Het hof overweegt dat de beherende rechtspersoon niet alle maatregelen heeft genomen teneinde te verhinderen dat derden drijfmest zouden uitrijden op de landerijen. Gelet op die overwegingen is het wellicht begrijpelijk dat de verdachte geen beroep op afwezigheid van alle schuld (en dus ontslag van alle rechtsvervolging) toekomt, maar daarmee is nog niƩt gemotiveerd waarom de verboden gedraging in dit geval kan worden toegerekend aan de beherende rechtspersoon. In de motivering van het hof ontbreekt argumentatie waarom de gedraging voor rekening dient te komen van de beherende rechtspersoon. De Hoge Raad geeft als handreiking een aantal voorbeelden van omstandigheden die een rol kunnen spelen om de toerekening te rechtvaardigen. De voorbeelden die de Hoge Raad geeft raken aan concretiserende omstandigheid nummer 1 en 4.