Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/7.4.1
7.4.1 Afschrijven op bedrijfsmiddelen
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS420548:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In deze paragraaf gaat het om fouten die zijn gemaakt bij het afschrijven op bedrijfsmiddelen. Fouten met betrekking tot afschrijvingen op een voorraad goederen wegens incourantheid of op de post debiteuren (afschrijving dubieuze debiteuren) blijven derhalve buiten beschouwing; het gaat in die gevallen in wezen om waardecorrecties op genoemde posten.
In o.a. HR 22 oktober 1919, B. 2336, HR 18 juni 1952, B. 9239 en HR 2 januari 1958, BNB 1958/ 56, wordt de strekking van afschrijving beschreven.
Dit is de waarde die het bedrijfsmiddel naar verwachting zal hebben op het moment dat het voor de uitoefening van de onderneming niet meer geschikt is.
D. de Baan, Afschrijving, N.V. Uitgeverij FED, Amsterdam, 1963, blz. 15.
In dit kader kan worden opgemerkt dat uit HR 23 december 1936, B. 6275, volgt dat het wezen van afschrijving naar de historische kostprijs meebrengt, dat het prijsverloop van de desbetreffende bedrijfsmiddelen gedurende de gebruiksduur in beginsel geen rol kan spelen.
Willekeurige afschrijving als ondernemingsfaciliteit blijft hier buiten beschouwing.
Thans zijn ondernemingsverliezen op grond van artikel 51, derde lid, Wet IB 1964, onbeperkt compensabel, zodat de ondernemer er geen belang meer bij heeft – met het oog op verliesverdamping – door het achterwege laten van afschrijvingen zijn verlies zo klein mogelijk te houden.
Jacobs verwijst in dit kader naar: B. 2067, B. 2300, B. 2344 en B. 7335.
Het afschrijven op bedrijfsmiddelen1 strekt ertoe ten laste van de winst te brengen het nadeel dat wordt geleden door de vermindering van de gebruikswaarde van deze bedrijfsmiddelen als gevolg van het gebruik in de onderneming2. Het verschil tussen de historische kostprijs, zijnde de aanschaffings- of voortbrengingskosten, en de residuwaarde3 van een bedrijfsmiddel wordt door afschrijving verdeeld over de vermoedelijke levensduur van het bedrijfsmiddel. Het gaat bij de afschrijving – aldus Hofstra/Stevens (blz. 244) – niet om de werkelijke waarde van de bedrijfsmiddelen, doch om de toerekening van een historisch gegeven, een vaststaand bedrag aan de jaren waarin de bedrijfsmiddelen voor de bedrijfsuitoefening worden gebruikt. De Baan4 stelt mijns inziens dan ook terecht dat afschrijving niet moet worden verward met de jaarlijkse waardering van bedrijfsmiddelen5.
In het oorspronkelijke Besluit IB (vóór de Wet Belastingherziening 1950) was in artikel 10 neergelegd dat activa ten minste worden gewaardeerd op de werkelijke aanschaffings- of voortbrengingskosten. Bij de waardering van zaken, welke voor de uitoefening van het bedrijf worden gebruikt, moest echter rekening worden gehouden met de volgens artikel 11 van het Besluit IB te verrichten afschrijvingen. Artikel 11, eerste lid, Besluit IB, hield in:
Bij gebouwen en andere zaken, welke voor de uitoefening van het bedrijf of beroep worden gebruikt en welker gebruik langer dan een jaar pleegt te duren, kan telken jare een zoodanig gedeelte op de werkelijke aanschaffings- of voortbrengingskosten als afschrijving in aftrek worden gebracht als overeenkomt met het aandeel van het jaar in de waardevermindering tusschen het begin van het jaar en het einde van de gebruiksduur.
Met de Wet Belastingherziening 1950 werd in artikel 8, eerste lid, Besluit IB, een nieuwe bepaling voor het afschrijven op bedrijfsmiddelen neergelegd. Deze bepaling kwam vrijwel overeen met de huidige tekst van artikel 10, eerste lid, Wet IB 1964, inhoudende:
De afschrijving op goederen welke voor het drijven van een onderneming worden gebruikt (bedrijfsmiddelen), wordt jaarlijks gesteld op het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend.
Het afschrijven op bedrijfsmiddelen vindt zijn grond niet in dit artikel 10 Wet IB 1964, doch in het in artikel 9 Wet IB 1964 neergelegde goed koopmansgebruik. Goed koopmansgebruik brengt met zich dat baten en lasten worden toegerekend aan de jaren waarop deze betrekking hebben. Het verplicht tot afschrijving indien tijdens het gebruik van bedrijfsmiddelen in de onderneming werkeenheden verloren gaan, hetgeen het geval is bij slijtage of veroudering van deze bedrijfsmiddelen. Artikel 10 Wet IB 1964 beperkt goed koopmansgebruik in die zin, dat nooit meer mag worden afgeschreven dan het verschil tussen de historische kostprijs en de residuwaarde van het bedrijfsmiddel.
Het afschrijven dient plaats te vinden volgens een vast systeem, waarbij willekeur is uitgesloten6. Dit betekent dat de afschrijving in een zeker jaar niet afhankelijk mag worden gesteld van het bedrijfsresultaat in dat jaar (HR 24 februari 1954, BNB 1954/117). Jacobs (blz. 26) is van mening dat het doen van afschrijvingen verplicht is, ook in de jaren waarin de ondernemer niet zou willen afschrijven, bijvoorbeeld vanwege de beperkte compensatiemogelijkheden van een zich voordoend verlies7. Het imperatieve karakter van de afschrijvingen vloeit zijns inziens voort uit het beginsel der jaartoerekening, de bestendige gedragslijn en het beginsel der balanscontinuïteit8.