Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.11:9.11 Samenvatting en conclusies
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.11
9.11 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977029:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk zijn diverse burgerschapsconcepten aangestipt, waaronder het verbindend democratisch burgerschap. De eerste legitimatie van burgerschapsvorming is gelegen in de normatieve democratietheorieën. Parallel aan de ontwikkeling van de samenleving zien we de notie burgerschap van karakter veranderen. Het is geen in beton gegoten begrip, maar een zich ontwikkelende burgeridentiteit. Deze ontwikkeling sluit aan bij het burgerschapsideaal van een op het bonum commune gericht burgerschap en bij het ideaal van burgers die op natuurlijke wijze samenleven. Het vraagt om Putnams bonding, bridging en linking social capital voor de etnische, religieuze en culturele groepsvorming. Burgerschap als psychosociale capaciteit (ability) is een voorwaarde voor de gelegitimeerde politieke betrokkenheid. Hieraan stellen normatieve democratietheorieën bepaalde eisen. Zo ziet Easton het vertrouwen in en de steun van burgers aan het politieke systeem als een voorwaarde voor stabiliteit van de democratie. Daarnaast mag een levendig discours over de beginselen, legitimiteit en representativiteit van de democratie niet ontbreken.
Een tweede legitimatie vormt de pedagogische opdracht. Het is minister Ritzen (PvdA) die in 1992 het discours over deze oude notie entameert. In de visie van Kohnstamm en Langeveld is de sociale opvoeding morele opvoeding in een sociale context van leven, wonen en werken. Gielen en Strasser benadrukken het belang van ingroei in de groep. De Winter en Van Achter zien de school als oefenplaats van burgerschap en benadrukken het concept van persoonsvorming en sociale groepsbinding. De opvoeding omvat volgens Dewey en Boeke learning by doing. Daarnaast benadrukken ze het belang van de sociale context in de opvoeding.
Burgerschapsonderwijs focust zich op het aanleren van het dragen van verantwoordelijkheid bij leerlingen. Waarden zoals voorstellingen van een ideale samenleving beïnvloeden de morele waardenoriëntaties. Van Achter ziet verantwoordelijkheid en vertrouwen als de grootste pedagogische houdingen. Deze houdingen en de bijbehorende zelfkennis vormen dé basiswaarden van een democratische opvoeding. De Winter ziet hierin een vorm van empowerment. Dit betekent dat het onderwijs gericht is op de versterking van de positie van jeugdigen ten opzichte van volwassenen. De gangbare methoden van waardenoverdracht en -communicatie voor het waardenonderwijs zijn beschreven. Ook de waardenpresentatie en -stimulering laten voldoende ruimte voor de persoonlijke waardenvorming, waarbij de leerling een eigen waardenpatroon ontwikkelt en vanuit dit referentiekader handelt.
De derde legitimatie zoekt aansluiting bij de jeugdrechten in hogere rechtsnormen en -beginselen. Het recht op onderwijs is herleidbaar uit artikel 23 Gw door middel van wetshistorische interpretatie en in internationale verdragen is het recht op onderwijs vastgelegd. Voor de structurering van burgerschapsvorming stel ik voor een drieluik te codificeren met een beginselbepaling, vakthema’s in andere vakken en een kennisgebied of vak burgerschap. Het toezicht hierop geschiedt op basis van deugdelijkheidseisen (artikel 23 lid 5 en 6 Gw) en bekostigingsvoorwaarden (artikel 23 lid 7 Gw).
De artikelen 26 lid 1 UVRM, artikel 2 Protocol 1 EVRM, artikel 13 lid 1 IVESCR, artikel 28 en 29 IVRK en artikel 7 lid 3 ESH gaan over het recht op onderwijs. De kinderrechten laten opvoeding en vorming naar keuze van de ouders toe. Daarnaast is in het UVRM en het EVRM het recht van jeugdigen op een democratische vorming in vrijheid vastgelegd. Dit geldt ook voor het IVESCR en het EU-Handvest. Daarenboven proclameert het ESH het recht op onderwijs van leerplichtigen. Verder normeert artikel 28 IVRK het recht op onderwijs. Ten slotte is in artikel 29 IVRK de gerichtheid van vorming op de persoonsontplooiing gecodificeerd.
Normatieve democratietheorieën, de pedagogische opdracht en (inter) nationale rechtsnormen en -beginselen legitimeren burgerschapsvorming. Voor de vastlegging in de onderwijswetten zijn de ideologische, politieke en economische prioriteiten de beslisfactoren. De legitimatie van burgerschapsvorming is dus nog geen garantie voor de verkrijging van de gewenste curriculumposities.
De legitimatievraag is hiermee beantwoord, maar het blijft de vraag welke doelen van burgerschapsvorming de voorkeur verdienen. De noodzaak van toerusting met kennis en sociale vaardigheden staat buiten kijf. Zolang voor het leren van politieke betrokkenheid de democratische basiswaarden de grondslag vormen, verzet zich niets tegen vastlegging. De onderwijs-en leerdoelen beogen concrete, toetsbare resultaten. Toerusten met democratische kwalificaties vereist toegesneden curricula. Een kennisbasis in een doorlopende leerlijn is de leidraad die vanuit een gedeeld referentiekader de kwalificaties standaardiseert.
Het verbindend democratisch burgerschap vergt gemeenschapszin. Het ervaren van de dialogisch-reflexieve leerprocessen, interculturele contacten en (inter)nationale verhoudingen levert een bijdrage aan het groeien naar het verbindend democratisch burgerschap, hetgeen een vitale persoonlijke identiteitsbron vormt. In de Wpo, Wec en Wvo zijn daartoe in 2005 (Wet bevordering actief burgerschap en sociale integratie) algemene doelbepalingen vastgelegd voor: (1) de bevordering van het actief burgerschap en sociale integratie en (2) de verwerving van de kennis over en de kennismaking met de achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten.