Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.4.2
VII.3.4.2 De norm van art. 2:138/248 BW
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242854:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454; JOR 2001/171 (Panmo). Ons hoogste rechtscollege verwijst in het Panmo-arrest voor de inkleuring van de norm ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ naar HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695 m.nt. Maeijer (Van Zoolingen), waarin hij diezelfde invulling gaf aan de norm ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’ in de zin van art. 36 lid 3 IW 1900.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 457.
HR 21 december 2018, NJ 2019, 31; JOR 2019/74 m.nt. Verboom (Geocopter). Voor de volledigheid wijs ik erop dat het Geocopter-arrest zag op art. 2:248 BW. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:138 BW.
Zie HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 30 m.nt. Zwemmer; JOR 2006/61 m.nt. Borrius (Ontvanger/Van Burgeler). Ik merk terzijde op dat in laatstgenoemd arrest de aansprakelijkheid ex art. 36 lid 3 IW 1900 centraal stond. Omdat de aansprakelijkheidsnormen van art. 2:138/248 lid 1 BW en art. 36 lid 3 IW 1900 over één kam kunnen worden geschoren, acht ik hetgeen de Hoge Raad overweegt in zijn arrest Ontvanger/Van Burgeler ook relevant in het kader van art. 2:138/248 lid 1 BW.
Zie Kamerstukken I 1985/86, 16 631, 27b, p. 8-9 (MvA).
De lat voor aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 lid 1 BW ligt hoog. Wil de curator de niet-uitvoerende bestuurder aansprakelijk stellen, dan dient hij eerst te stellen en zo nodig te bewijzen dat het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling is slechts sprake indien ‘geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld’.1 De onbehoorlijke taakvervulling moet – in de woorden van Van Solinge en Nieuwe Weme – ‘onmiskenbaar’ zijn.2 Maar dat is niet genoeg. In het Geocopter-arrest expliciteerde de Hoge Raad dat slechts van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling kan worden gesproken indien het bestuur wist of behoorde te weten dat de gezamenlijke schuldeisers door het gevoerde bestuur zouden worden benadeeld.3 Bij de beoordeling of sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling behoort de rechter alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen.4
Vervolgens moet de curator aantonen dat tussen de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement een causaal verband bestaat. Hij dient daartoe aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Onvoldoende is dat het gedrag van het bestuur in vergelijking met andere oorzaken van het faillissement slechts ‘een geringe rol’ heeft gespeeld. Het normoverschrijdende gedrag moet ten minste ‘een opvallende plaats’ in het samenspel van oorzaken innemen, aldus de minister.5
Omdat de aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 lid 1 BW collectief van aard is, behoeft de curator de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling niet voor elke bestuurder afzonderlijk te stellen en bewijzen. Zodra vaststaat dat ten minste één bestuurder in de fout is gegaan en aannemelijk is dat dit normoverschrijdende gedrag een belangrijke oorzaak is van het faillissement, is in beginsel iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk jegens de boedel. De verschillende posities van de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders zijn derhalve niet relevant voor het vestigen van aansprakelijkheid. Op de vraag of de taakverdeling tussen de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders een rol kan spelen in de disculpatiediscussie, kom ik in § VII.3.4.5 terug.