Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.4.1:4.4.1 Het Gewijzigd Ontwerp van 1976
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.4.1
4.4.1 Het Gewijzigd Ontwerp van 1976
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302814:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 745. Het gaat om de toen nog ontwerp-artikelen 6.3.2.5-8, de huidige aansprakelijkheden voor respectievelijk roerende zaken (art. 6:173), gevaarlijke stoffen (art. 6:175), opstallen (art. 6:174) en dieren (art. 6:179). Bij de ‘Stofkam-operatie’ in 1983 werd art. 6.3.2.6 betreffende gevaarlijke stoffen geschrapt, om later alsnog te worden ingevoerd als onderdeel van de Aanvullingswet 1995.
Zie nader omtrent deze ‘bijzondere’ personen par. 3.5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de toelichting op het Gewijzigd Ontwerp, waarin art. 6:181 werd geïntroduceerd, is over de aansprakelijke persoon voor roerende zaken, opstallen en dieren het volgende opgemerkt:1
‘2. In het gewijzigd ontwerp is voorts opnieuw aandacht besteed aan de vraag op wie de aansprakelijkheid op grond van de hier besproken artikelen behoort te rusten. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen enerzijds het geval dat de zaak, de stof, de opstal of het dier wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf en anderzijds het geval dat van een zodanig gebruik geen sprake is. Op het eerste geval heeft [art. 6:181] betrekking, waarop hieronder zal worden teruggekomen. Voor het tweede geval wordt thans als hoofdregel in de artikelen [6:173, 174, 175 en 179] voorop gesteld, dat de aansprakelijkheid rust op de bezitter. (…). Of iemand bezitter is, moet worden beoordeeld aan de hand van titel 3.5. (…).
Zoals gezegd gaat het hier om een hoofdregel. Belangrijke nadere regels zijn te vinden in artikel [6:180] en de artikelen [6:175 lid 2, 6:174 lid 2 en 6:183 lid 2].
3. Artikel [6:181] wijst aan wie aansprakelijk is in het geval dat de zaak, de stof, de opstal of het dier wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf. In dat geval wordt de aansprakelijkheid gelegd op degene die het bedrijf uitoefent.’ (curs. AK)
Deze passage is hét gedeelte van de parlementaire geschiedenis waarin het raamwerk van art. 6:173, 174, 179 en 181 wordt geëxpliciteerd. Close reading hiervan leert dat met het huidige stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 het volgende is voorgestaan. Ter bepaling van degene op wie de kwalitatieve aansprakelijkheid voor roerende zaken, opstallen en dieren rust, moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het geval dat die zaken worden gebruikt in de uitoefening van een bedrijf en anderzijds het geval dat van een zodanig gebruik geen sprake is. Op het eerste geval heeft art. 6:181 betrekking. Voor het tweede geval – het geval waarin van bedrijfsmatig gebruik geen sprake is –, wordt als ‘hoofdregel’ voorop gesteld dat de aansprakelijkheid rust op de bezitter. Ten opzichte van díe hoofdregel – de regel van de bezittersaansprakelijkheid bij gebreke van een bedrijfsmatige gebruiker – gelden ‘nadere regels’ die een aantal ‘bijzondere’ personen, waarvoor de bezitter ‘inwisselbaar’ is, als kwalitatief aansprakelijke aanwijzen.2
In dit door de wetsontwerper voorgestane systeem valt ten aanzien van de aansprakelijkheid van de in art. 6:173, 174, 179 en 181 genoemde bezitter en bedrijfsmatige gebruiker geen ‘hoofdregel-uitzondering’-constructie te herkennen, in die zin dat qua aansprakelijke persoon de bezitter voorop staat, op welk uitgangspunt de persoon van de bedrijfsmatige gebruiker een uitzondering vormt. Evenmin blijkt uit het in de toelichting beschreven systeem gelijkenis met het systeem van art. 1404 OBW (dieren), waarin de aansprakelijkheid van de eigenaar ‘voorop’ stond en die van de gebruiker slechts betekenis had in uitzonderingsgevallen. Integendeel, in de ogen van de wetsontwerper staat in het systeem van art. 6:173, 174, 179 en 181 de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker ‘voorop’. Pas wanneer geen sprake is van bedrijfsmatig gebruik als bedoeld in art. 6:181, komt de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 in beeld. En in dát geval – een bedrijfsmatige gebruiker ontbreekt – is de aansprakelijkheid van de bezitter volgens de toelichting ‘de hoofdregel’, waarop weer ‘uitzonderingen’ mogelijk zijn in de vorm van ‘nadere regels’ die in plaats van de bezitter een aantal ‘bijzondere’ personen als aansprakelijke aanwijzen. Art. 6:181 zélf behoort niet tot een dergelijke ‘uitzondering’ op de bezittersaansprakelijkheid van art. 6:173, 174 en 179. Immers, de aansprakelijkheid van de bezitter inclusief bedoelde uitzonderingen daarop komen pas in beeld, indien van bedrijfsmatig gebruik geen sprake is. Aldus vervult de aansprakelijkheid van de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 (inclusief de ‘bijzondere’ personen waarvoor deze persoon inwisselbaar is) ten opzichte van art. 6:181 een ‘vangnet-functie’. Dat in de voornoemde passage van de wetsgeschiedenis in relatie tot de bezitter twee maal die van de term ‘hoofdregel’ valt, is dan ook verwarrend. Op het eerste oog zou dit namelijk de gedachte kunnen doen postvatten dat de aansprakelijkheid van de bezitter (ook) in de verhouding met die van de bedrijfsmatige gebruiker als ‘hoofdregel’ heeft te gelden – en dat de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker als een uitzondering daarop kwalificeert. Een nadere beschouwing leert echter dat de aansprakelijkheid van de bezitter weliswaar de ‘hoofdregel’ is, zij het buiten gevallen van bedrijfsmatig gebruik in de zin van art. 6:181. De aansprakelijkheid van de bezitter als ‘hoofdregel’ komt dus pas in beeld wanneer geen bedrijfsmatige gebruiker van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken valt aan te wijzen.