Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/7.2.6
7.2.6 Voorlopige en bewarende maatregelen; art. 31 EEX-Vo
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431767:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor art. 24 EEX-Verdrag: HvJ EG 26 maart 1992, C-261/90, Jur. 1992, p. 1-2149, NJ1996, 315, Reichert/Dresdner Bank. Zie voor het incasso-kortgeding HvJ EG 27 april 1999, C-99/96, Jur. 1999, p. 1-2277, NJ 2001, 90 (PV), Mietz/Intership Yachting. Zie voor het voorlopige getuigenverhoor HvJ EG 28 april 2005, C-104/03, NIPR 2005, 153, St. Paul Dairy/Unibel.
Voor het EEX-Verdrag: HvJ EG 17 november 1998, C-391/95, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339 (PV), Van Uden/Deco-Line.
Zie bijv. Hof Arnhem 14 september 2004, NJF 2005, 4; Vzngr. Rb. Arnhem 21 november 2005, LJNAU8824. Te denken valt aan de bevoegdheid van de rechter van de plaats waar de onmiddellijke voorziening in kort geding effect moet sorteren (art. 13 Rv). Mijns inziens is een beroep op art. 9 sub b en c Rv uitgesloten, omdat de EEX-Verordening zich ertegen verzet dat in de verhoudingen tussen de lidstaten beoordeeld wordt of een procedure in een bepaalde lidstaat onmogelijk is of bezwaarlijk gevoerd kan worden. Anders G.S.C.M. van Roeyen & J.P. van Asten, Noot bij HR 6 februari 2004, JBPr 2004, 23, p. 223-224.
Het reële band-vereiste is alleen van belang voor de vraag of rechtsmacht volgt uit art. 31 EEX-Vo en vormt dus geen criterium om te bepalen of een voorziening als voorlopige of bewarende maatregel kan worden aangemerkt. Nog eens uitdrukkelijk HR 6 februari 2004, NJ 2005, 403 (PV).
Ingevolge art. 31 EEX-Vo kunnen de in de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige en bewarende maatregelen bij de gerechten van die lidstaat worden gevraagd, zelfs indien gerechten in een andere lidstaat op basis van de verordening bevoegd zijn om van het bodemgeschil kennis te nemen (vgl. art. 13 Rv). Onder voorlopige en bewarende maatregelen moeten worden verstaan maatregelen die ter zake van onderwerpen die binnen de werkingssfeer van de verordening vallen, bedoeld zijn om een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van rechten waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt.1
Het gerecht dat op grond van art. 2 of art. 5-23 EEX-Vo bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen, is tevens bevoegd de nodige voorlopige en bewarende maatregelen te gelasten zonder dat deze laatste bevoegdheid afhankelijk is van het vervuld zijn van nadere voorwaarden.2 In overige gevallen kan aan art. 31 rechtsmacht worden ontleend in verbinding met het nationale recht van de aangezochte rechter. De verwijzing naar het nationaal recht betekent voor Nederland dat een bevoegdheidsgrondslag moet worden gevonden in art. 1-14 Rv.3 Wel geldt dan dat de toepassing van art. 31 EEX-Vo met name afhankelijk is van de voorwaarde dat er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de lidstaat van de aangezochte rechter.4