Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/2.3.4.1.1:2.3.4.1.1 Behoud zeggenschap
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/2.3.4.1.1
2.3.4.1.1 Behoud zeggenschap
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957899:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Kamp, Kuijpers en Kil 2014, p. 264.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals gezegd spelen binnen het hoofdmotief continuïteit een aantal andere motieven een rol die tot het hoofdmotief continuïteit leiden. Deze worden hierna kort uiteengezet.
Een eerste motief binnen het hoofdmotief continuïteit is het behoud van zeggenschap. Er zijn rechthebbenden die tijdens leven al vermogen willen overdragen naar de volgende generatie, maar zonder dat dit ten koste gaat van de zeggenschap die zij over het vermogen hebben. De beheerstructuur die wordt opgezet leidt er dan toe dat het economisch belang (deels) aan de volgende generatie toekomt, maar de zeggenschap over het vermogen bij de rechthebbende blijft. Hierbij zijn allerlei variaties mogelijk qua verdeling van economisch belang en verdeling van de zeggenschap.
Bij het motief van behoud van zeggenschap is het van belang om op te merken dat in de interviews werd gekeken naar de motieven van de huidige rechthebbenden van het vermogen. Er is bij de vraag naar de verschillende motieven niet gekeken of bij de volgende generatie hetzelfde motief aanwezig is. Ook is niet bekeken in hoeverre het bestaan van een bepaald motief en het inrichten van een beheerstructuur met dat motief in het achterhoofd de continuïteit daadwerkelijk bevordert. De rechthebbende van het vermogen kan bijvoorbeeld van mening zijn dat, zolang hij de zeggenschap over het vermogen behoudt, de continuïteit van het vermogen binnen een familie gewaarborgd is. Na verloop van tijd kan blijken dat deze opvatting van de rechthebbende de continuïteit juist geen goed heeft gedaan.1