Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/II.6.3
II.6.3 Maatwerk
B.J. van Ettekoven en A.T. Marseille, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
B.J. van Ettekoven en A.T. Marseille
- JCDI
JCDI:ADS305538:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
B.J. van Ettekoven, ‘Alternatieven van de bestuursrechter (observaties vanuit de eerste lijn)’, preadvies VAR, in: B.J. van Ettekoven, M.A. Pach & I. C. van der Vlies, Alter-natieven van en voor de bestuursrechter (VAR-reeks 126), Den Haag: BJu 2001, p. 5-97.
K.J. de Graaf & A.T. Marseille, ‘De voorgenomen opheffing van de Centrale Raad van Beroep’, NTB 2015/33.
A.T. Marseille, B.W.N. de Waard e.a., De praktijk van de nieuwe zaaksbehandeling bij de bestuursrechter, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2015, https://prettigcontactmetdeoverheid.nl/sites/default/files/documenten/BZK%20NZB %20Rapport%2df.pdf, p. 130.
Een van de kwaliteitseisen die De Bock aan rechterlijke beslissingen onderscheidt is ambachtelijkheid, waaronder zij de ‘deskundige toepassing van rechtsregels’ rekent. De rechter moet per zaak maatwerk bieden, in een procedure die recht doet aan de belangen van partijen. Daar hoort bij dat de zaak zo nodig wordt behandeld en afgedaan door gespecialiseerde rechters. Dit kan worden bereikt door differentiatie van zaken. Opvallend, aldus De Bock, is dat differentiatie van zaken in tal van publicaties en rapporten wordt bepleit, maar dat er nog weinig van terecht is gekomen.
Ook voor de bestuursrechtspraak is zaakdifferentiatie bepleit als methode om te komen tot bekorting van doorlooptijden en bevordering van kwaliteit.1 Maar wat is er van terechtgekomen? Weinig, zo merken de geïnterviewden op.
Een rechter: ‘Er wordt eindeloos over maatwerk gesproken, maar het komt nog helemaal niet van de grond.’
Vastgesteld moet worden dat de bestuursrechterlijke colleges vooral werken met een confectie-aanpak, met een standaard methode van behandeling. De bestuursrechter blijkt slecht in staat te differentiëren naar de aard van de zaak en de benodigde of gewenste wijze van behandeling. De standaard werkwijze is dat de beroepszaken, nadat de stukken binnen zijn en controle op bevoegdheid en niet-ontvankelijkheid heeft plaatsgevonden, worden toegedeeld aan een kamer, unit of andere werkeenheid die belast is met de afdoening van dat soort zaken (bijvoorbeeld planschadezaken, WOZ-zaken, ontslagzaken van ambtenaren). In die eenheid wordt besloten of de zaak enkelvoudig of meervoudig wordt afgedaan. Bij de rechtbanken is enkelvoudige afdoening de regel, bij de hogerberoepsrechters meervoudige afdoening. Bij de Afdeling worden aanzienlijk meer zaken enkelvoudig afgedaan dan bij de CRvB.2
Verder wordt een inschatting gemaakt van de benodigde voorbereidingstijd door juridische ondersteuning en rechter(s) en wordt de zittingstijd bepaald. Tevens wordt bekeken of er aanleiding is al voorafgaand aan de zitting een deskundige in te schakelen. Bij de rechtbanken is beperkt ruimte voor inzet van gespecialiseerde rechters; bij de hogerberoepsrechters is de graad van specialisatie groter of (zeer) groot, hetgeen verband met het feit dat we gespecialiseerde hogerberoepsrechters kennen met – soms – über-specialisten op deelterreinen.
Zaken worden vervolgens zo snel mogelijk op een zitting geagendeerd. De ambitie bij de start van de Nieuwe zaaksbehandeling om zaken binnen drie maanden op zitting te hebben, is niet gehaald. Gemiddeld duurt het bijna vijf maanden voordat een zaak op zitting wordt behandeld.3 In vier van de vijf zaken wordt na de mondelinge behandeling (meestal schriftelijk) uitspraak gedaan. Wordt het vooronderzoek na de zitting heropend, dan gebeurt dat veelal voor nadere stukkenwisseling, bewijslevering of het inschakelen van een deskundige. Incidenteel wordt na de zitting gekozen voor een traject van conflictoplossing, bijvoorbeeld door de inzet van een mediator. Met de wensen van partijen voor een andersoortige wijze van behandeling (geen schriftelijke stukkenwisseling met een vroegtijdige behandeling op zitting; uitgebreide stukkenwisseling inclusief repliek en dupliek, maar zonder zitting; snelle behandeling en een uitspraak met een verkorte motivering of een mondelinge uitspraak) wordt in het standaard traject tot aan de zitting geen rekening gehouden. Dat kan ook anders.
De komende digitalisering en de gevoelde noodzaak meer regie te voeren zijn een stimulans om na te denken of procedures efficiënter kunnen worden gestroomlijnd en hoe daarbij de ambitie van maatwerk het beste kan worden gerealiseerd. Het blijkt dat daarover heel verschillende ideeën bestaan. Een belangrijke vraag is op welk moment de regie in handen wordt gelegd van de zaaksrechter.
Een rechter met ervaring in meerdere rechtsgebieden: ‘Bij het Regiebureau is de grote vraag: hoe uitgebreid wordt het takenpakket? Het Regiebureau kan allerlei vragen behandelen: wat voor soort zaak is het, zijn er gronden aangevoerd, ontbreken er nog producties? Maar het kan ook verder gaan: uitstelverzoeken behandelen. Waarom zou het regiebureau dat niet doen? Consistentie is van belang: met een regiebureau krijg je een consistent uitstelbeleid.’
Een andere rechter schetst een totaal ander beeld van het gebruik van de mogelijkheden van digitalisering: ‘Ik wil als rechter het liefst zo snel mogelijk bij het dossier worden betrokken. Als de regie weer naar de rechter gaat, direct in de voorfase, dan kun je partijen veel meer van dienst zijn. Je zet dan ’s ochtends de computer aan en ziet meteen welke zaken zijn binnengekomen. Je overlegt vervolgens met je secretaris wat je gaat doen. 60% zal standaard zijn, maar er zijn ook zaken waar je direct actie wilt ondernemen, een afwijkende mail wilt sturen. Anders is het risico levensgroot dat de zaak verkeerd op de rails komt en fouten niet meer te herstellen zijn.’
Nog weer een andere rechter is tevreden over hoe zaken op dit moment bij zijn sector zijn georganiseerd: ‘De griffie doet de voorbehandeling, zoals de ontvankelijkheidsbeoordeling. Daarna gaat de zaak naar mij en bespreek ik die met de secretaris: wat gaan we doen en wie doet wat? In de meeste gevallen gaat de zaak direct naar zitting. Soms willen we nog het een en ander navragen of nazoeken. Overigens kan de griffie geen beslissingen nemen die onomkeerbaar zijn, dus als er iets mis is, kan ik dat herstellen. Die taakverdeling werkt uitstekend. Het enige wat niet altijd goed loopt, is dat als de zaak op een zitting is gepland, maar er weer vanaf wordt gehaald vanwege verhindering van een van de partijen, ik niet de garantie heb dat als de zaak opnieuw op een zitting komt, ik dan ook weer de zittingsrechter ben. Dat probleem zou met de digitalisering kunnen worden opgelost, zij het dat het ook zonder digitalisering wel zou kunnen worden opgelost.’
Behalve dat digitalisering kan worden benut voor het oplossen van logistieke problemen bij de organisatie van de zaaksbehandeling, kan ook worden gekeken of digitalisering voor meer maatwerk bij de inhoudelijke behandeling van de zaak kan zorgen. De Rechtwijzer van Hiil kan als inspiratiebron dienen.4 Met behulp van die applicatie onderzoeken ex-echtgenoten die samen hun scheiding moeten regelen aan de hand van een digitale vragenlijst in hoeverre ze tot afspraken over de scheiding kunnen komen. De vragenlijst is er op gericht na te gaan op welke punten overeenstemming mogelijk is.
Een rechter: ‘Zo’n applicatie kan voor de rechter nuttig zijn om te weten wat er in de zaak speelt. Het is dan wel essentieel welke vragen aan partijen worden gesteld en hoe die zijn geformuleerd. Je moet voorkomen dat de standpunten van partijen scherper tegenover elkaar komen te staan. Maar gebeurt het goed, dan kan het partijen juist nader tot elkaar brengen.’
De elektronische omgeving van Mijn Rechtspraak wordt gezien als kans, maar ook als risico.
Een rechter: ‘Partijen kunnen in Mijn Rechtspraak heel snel met elkaar communiceren, samen overleggen over of ze bijvoorbeeld behoefte hebben aan een comparitie. De rechter kijkt mee en kan vragen: willen jullie dat echt, en waarom eigenlijk? en dan een beslissing nemen. De vraag is wel’, vervolgt dezelfde rechter, ‘hoe advocaten er op inspelen, want die hebben er lang niet altijd baat bij dat het snel gaat.’
Een ander risico is dat het aantal stukken dat partijen inbrengen sterk toeneemt, omdat er maar een druk op de knop nodig is om een stuk in Mijn Rechtspraak te uploaden. Maar het zou ook wel eens anders kunnen lopen.
Een rechter: ‘Nu hebben partijen soms het idee dat het voor hun proceskansen gunstig is als ze veel pagina’s produceren. Als je alles digitaal moet aanleveren, kun je als rechter of secretaris kijken waar doublures zitten, wat de kern is van het betoog en kun je je daartoe beperken. Als advocaten dat weten, hebben ze misschien ook wat minder het gevoel dat ze vooral zo veel mogelijk papier moeten produceren.’
Veel van onze gesprekspartners maken zich zorgen of het directe contact met de rechtbank en de rechter zo blijft als het is.
Een advocaat: ‘Wij bellen heel veel met de rechtbank. Dat is natuurlijk ook de normale manier, je werkt beide aan een zaak, dus als de rechtbank toegankelijk is, en dat is op dit moment vaak zo, dan is dat van grote waarde. Het is alleen de vraag of dat zo blijft.’
Een rechter over videoconferenties en communiceren via skype: ‘Het kan, en ik wil het ook wel, maar ik heb nog nooit een burger gehad die zei: ik vind het te ver reizen, het was handiger als we het via skype hadden gedaan. En bovendien: de waarde van face-to-facecontact is moeilijk te overschatten.’
Een laatste punt van discussie betreft de toepassing van alle informatie die de Rechtspraak bezit, met name in de vorm van uitspraken. Zou die niet veel effectiever kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld om partijen beter te informeren over hun proceskansen? Een eerste vraag is of de Rechtspraak daar een taak in heeft.
Een rechter: ‘Als wij het niet doen, dan doet Kluwer het wel.’
Een andere rechter: ‘Je moet goed nadenken over hoe je dat dan doet. Er zijn op dit moment bestuursorganen die bezwaarmakers in reactie op hun bezwaar een document sturen met voor hun zaak relevante uitspraken. De teneur daarvan is vaak: u heeft geen kans. Bezwaarmakers voelen dat als druk om hun bezwaar maar in te trekken. Zo’n effect moet je zien te voorkomen. Zo veel mogelijk relevante informatie ontsluiten is prima, maar het is de vraag of dat ook geldt voor de volgende stap, het gericht door de rechter verstrekken van informatie aan partijen over hun zaak.’
Een rechter relativeert de meerwaarde van de informatievoorziening door de rechtbank aan partijen: ‘Een goede advocaat heeft die uitspraken zelf ook al gevonden, een slechte advocaat weet ze niet op waarde te schatten. Dat gaat niet het verschil maken.’
Al met al kan worden geconstateerd dat de gedachten over het realiseren van maatwerk nog sterk uiteenlopen. De komst van het digitaal procederen binnen de rechtspraak biedt nieuwe mogelijkheden voor zaaksmanagement, regie en maatwerk. Meer dan genoeg reden om in de volgende twee hoofdstukken hier meer uitgebreid bij stil te staan.