Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.G.5
5. Administratieve ruilverkaveling
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478603:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie de onderdelen G.5 en G.6.j van het vorige hoofdstuk.
Zie P. de Haan, Onroerend-goedrecht, deel c., Landinrichting, p. 76 e.v. Overigens noemt LH. Bouwman, Ruilverkaveling, praktijkuitgave, p. 35 het begrip ook, maar hij doelt daarbij op een ruilverkaveling die tot stand komt zonder dat er cultuurtechnische werken worden uitgevoerd. Dit is een ander begrip ‘administratieve ruilverkaveling’ dan de door De Haan ontwikkelde vorm van landinrichting. A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 69 doelt eveneens op deze vereenvoudigde variant wanneer hij spreekt over de administratieve ruilverkaveling. Zie tevens Commissie Multifunctionaliteit Landinrichting, Perspectieven voor landinrichting, p. 47, waar deze vorm van landinrichting ‘ruilverkaveling met administratief karakter’ (RAK) genoemd wordt. Zie ten slotte LH. Bouwman, Ruilverkaveling, praktijkuitgave, p. 35, alsmede P.C. de Wolff, ‘Relatie- notabeleid en landinrichting’, p. 223.
Zie het Verslag van de studieconferentie Ruimtelijke Ordening van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, p. 20 e.v. De Haan bepleitte deze vorm van ruilverkaveling voor het eerst in het tijdschrift De Pacht, augustus 1980, p. 343 e.v. Zie tevens P. de Haan, ‘Administratieve ruilverkaveling als vijfde vorm van landinrichting’, in: Agrarisch recht 1983/3, p. 97 e.v.
§ 91 Flurbereinigungsgesetz. Zie nader Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel C.2. Zie tevens A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 351.
Kamerstukken II 1982/1983, 15907, nr. 11 (Nota naar aanleiding van het Eindverslag), p. 29.
Kamerstukken II 1983/1984, 15907, p. 3489 e.v. (mondelinge behandeling wetsvoorstel Landinrichtingswet).
Zie Kamerstukken II 1983/1984, 15907, nr. 42.
Overigens werd de discussie eveneens op wetenschappelijk niveau gevoerd. Zie bijv. S.J. Bennema, ‘Administratieve ruilverkaveling en de macht van de Centrale Landinrichtingscommissie’, in: Agrarisch recht 2007/7-8, die tevens op p. 100 e.v. een alternatief voorstel doet. Zie tevens M. Gonggrijp-van Mourik, ‘De Landinrichtingswet, een produkt van overtrokken planning’, p. 527.
SGP-kamerlid Van Rossum spreekt opgelucht de volgende woorden: ‘ Met klem van redenen trachtte een hooggeleerde een afzonderlijk hoofdstuk over administratieve ruilverkaveling in dit wetsontwerp te incorporeren. Hij krijgt daarbij nog navolgers ook. In de schriftelijke behandeling zijn hieraan vele pagina’s gewijd. Echter, de regering is voor de verleiding van die simplificatie niet bezweken.’ Zie Kamerstukken II 1983/1984, 15907, p. 3416 (mondelinge behandeling wetsvoorstel Landinrichtingswet). Overigens was Van Rossum ‘op dreef tijdens de parlementaire behandeling. Zo lezen we in Kamerstukken II 1983/1984, 15907, p. 3425 de volgende vergelijking: ‘ Bij de ruilverkaveling is het als schoonmaak thuis. Na afloop is het landschap er dikwijls beter van geworden.’
In de parlementaire discussie over het al dan niet schrappen van de ruilverkaveling bij overeenkomst1 is als alternatief voor de kavelruil (en later als vijfde vorm van landinrichting) de administratieve ruilverkaveling geïntroduceerd. Het voorstel voor deze nieuwe landinrichtingsvorm kwam van De Haan, 2 die het idee op een politieke studieconferentie in 1982 lanceerde.3 De Duitse Beschleunigte Zusammenlegung4 heeft model gestaan voor deze nieuwe vorm van landinrichting. Deze administratieve ruilverkaveling is te typeren als tussenvorm tussen ruilverkaveling en kavelruil: het instrument heeft het eenvoudige karakter en de geringe omvang van de uit te voeren werken gemeen met de kavelruil, maar tevens bezit het dwingende karakter van de ruilverkaveling in verband met de voorbereiding door overheidsorganen en de stemming. In de Nota naar aanleiding van het Eindverslag5 is de administratieve ruilverkaveling in hoofdlijnen uiteengezet. Enkele elementen uit deze uiteenzetting:
met administratieve ruilverkaveling wordt beoogd een herverkaveling van gronden en de uitvoering van de rechtstreeks daaruit voortvloeiende werken, welke voor de nieuwe kavelindeling ten behoeve van land-, tuin-, en bosbouw, de natuur en het landschap noodzakelijk zijn;
een administratieve ruilverkaveling kan plaatsvinden op grond van een verzoek, waarover de Centrale Landinrichtingscommissie een zienswijze uitbrengt. Zij doet een ‘voorstel tot administratieve ruilverkaveling’ aan Gedeputeerde Staten toekomen, indien zij met dit instrument voor het betrokken gebied instemt;
de verzoeken mogen uitsluitend gebieden betreffen, die volgens het Structuurschema Landinrichting niet voor herinrichting of ruilverkaveling in aanmerking komen en waarvoor een bestemmingsplan van kracht is;
Gedeputeerde Staten benoemen een landinrichtingscommissie en houden zo spoedig mogelijk daarna een stemming om een beslissing te verkrijgen;
indien tot administratieve ruilverkaveling wordt besloten voert de landinrichtingscommissie deze uit;
de richtlijnen voor het plan van toedeling kunnen, naast de gebruikelijke uitgangspunten, tevens betrekking hebben op het veiligstellen van natuurwaarden en de voor de nieuwe kavelindeling noodzakelijke voorzieningen.
Na een enerverende parlementaire behandeling, 6 waarin met name Kamerlid De Boois door het indienen van een amendement7 en door een verhitte discussie met staatssecretaris Ploeg het belang van de administratieve ruilverkaveling probeerde te onderstrepen, is dit instrument door de wetgever verworpen.8 De regering achtte een dergelijke vorm niet nodig; de regeling van de kavelruil zoals opgenomen in het wetsvoorstel werd afdoende geacht.9