Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.5:8.5 Conclusie en afronding
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.5
8.5 Conclusie en afronding
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301660:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in deze zin reeds par. 1.3 en ook 8.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het criterium ‘in de uitoefening van’ in art. 6:181 drukt uit dat voor aansprakelijkheid van de bedrijfsuitoefenaar een functionele samenhang moet bestaan tussen het schadeveroorzakende gebruik van de zaak en diens bedrijfsactiviteiten. Nu de beoordeling van dit functioneel verband-vereiste, geïnspireerd op het functioneel verband van art. 6:170, scharniert om de elementen kansvergroting en zeggenschap, lijkt een vergelijkbaar afbakeningsmechanisme al besloten te liggen in vooral het gebruiksbegrip van art. 6:181. Als ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 kwalificeert namelijk degene die de kans op schadeveroorzaking door de zaak vergroot en geacht wordt beslissende zeggenschap over de aan de zaak verbonden risico’s te hebben. Hierbij komt dat het functioneel verband van art. 6:181, vanwege haar ruime uitleg, in de meerderheid der praktijkgevallen geen punt van discussie zal zijn. Al met al heeft ‘in de uitoefening van’ binnen art. 6:181 dus nauwelijks zelfstandige betekenis, en kan zij vooral worden gezien als zinsnede die de grondnorm van art. 6:181 nog eens uitdrukt. Niettemin zou het functioneel verband van art. 6:181 in bepaalde grensgevallen een verhelderende rol kunnen vervullen, zoals in geval van ‘oneigenlijk’ gebruik van zaken binnen het bedrijf of wanneer sprake is van het gebruik van zaken op de grens van de bedrijfs- en privésfeer. Worden in dergelijke gevallen, voorzover passend bij art. 6:181, aan het functioneel verband van art. 6:170 te ontlenen gezichtspunten in de beoordeling betrokken, dan zou dat kunnen leiden tot beter beargumenteerde en/of inzichtelijker uitkomsten.
Dit hoofdstuk heeft bij uitstek geïllustreerd dat de drie kernvereisten van art. 6:181 (bedrijf, gebruik en ‘in de uitoefening van’) nauw met elkaar samenhangen en overlap kunnen vertonen of elkaar kunnen aanvullen, alsmede dat niet ieder element altijd dezelfde mate van zelfstandige betekenis toekomt en de(zelfde) beoordeling soms over de ene maar ook over de andere boeg kan plaatsvinden.1 De kernbegrippen van art. 6:181 zijn terminologisch weliswaar te onderscheiden en afzonderlijk te analyseren, maar uiteindelijk gaat het steeds om de ‘totaaltoets’: of van de desbetreffende zaak kan worden gezegd dat deze op het moment van de schadeveroorzaking werd ‘gebruikt in de uitoefening van een bedrijf’.