Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.4.4
7.4.4 Verhuuranalogie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291316:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 11 lid 1, onderdeel b, slotalinea Wet OB, tekst tot 1979.
D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 333.
MvT, Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 3, p. 17.
MvT, Kamerstukken II 1977/78, 14 887, nr. 3, p. 21.
Zie hierover nader: J. Th. Sanders, Le droit de rêver (diss.), Den Haag: Sdu 2011, p. 129-131.
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 16-17.
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 33.
M. van der Wulp, ‘Verhuur plus = verhuur in de BTW’, V-N 2020/18.0.
In gelijke zin: M. Albers, Het beperkt zakelijk recht en enkele belastingen (diss.), Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2016, p. 150.
M. van der Wulp, ‘Verhuur plus = verhuur in de BTW’, V-N 2020/18.0.
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 33-34.
HR 24 augustus 1999, nr. 34.514, BNB 1999/439, m.nt. Van Zadelhoff.
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl (Stichting Goed Wonen I).
HR 27 september 2002, nr. 34.631, FED 2002/710, m.nt. Van der Paardt.
J.J.P. Swinkels, ‘Btw-actualiteiten betreffende verhuur van onroerende zaken, WFR 2009/1344 en M. van der Wulp, ‘Verhuur plus = verhuur in de BTW’, V-N 2020/18.0.
B.G. van Zadelhoff, ‘Verhuur van onroerend goed en BTW’, WFR 2002/333, M. Albers, Het beperkt zakelijk recht en enkele belastingen (diss.), Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2016, p. 84, M. Albers, ‘Verhuuranalogie (on)houdbaar?’, AA 2017/11, p. 855 en M. van der Wulp, ‘Verhuur plus = verhuur in de BTW’, V-N 2020/18.0. Zie ook J.J.P., Swinkels, ‘Btw-actualiteiten betreffende verhuur van onroerende zaken, WFR 2009/1344 die stelt dat het maar zeer de vraag is of de verhuuranalogie richtlijnconform is.
B.G. van Zadelhoff, ‘Verhuur van onroerend goed en BTW’, WFR 2002/333.
HR 27 september 2002, nr. 34.631, FED 2002/710, m.nt. Van der Paardt, r.o. 3.3.2. In gelijke zin: M. van der Wulp, ‘Verhuur plus = verhuur in de BTW’, V-N 2020/18.0. Anders: Hof ’s Hertogenbosch 14 februari 2007, nr. 97/21025, V-N 2007/33.1.5 waarin het hof de vestiging van een vruchtgebruik op onroerende goederen voor de duur van de herzieningsperiode op grond van een richtlijnconforme uitleg van het begrip ‘verhuur’ aanmerkt als een verhuurdienst én oordeelt dat ‘ook daarom met de laatste alinea van art. 11 lid 1, onderdeel b Wet OB niet buiten het communautaire kader wordt getreden’. Indien de vestiging van het recht van vruchtgebruik op grond van een richtlijnconforme uitleg van het begrip ‘verhuur’ kwalificeert als een verhuurdienst, dan sluit dit toepassing van de verhuuranalogie uit.
M. van der Wulp, ‘Verhuur plus = verhuur in de BTW’, V-N 2020/18.0. Zie ook: R.J. van der Zwan, ‘Begrip verhuur van een onroerende zaak in de BTW: actief of passief?’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2005/3-4, p. 14 die meent dat de verhuuranalogie ‘ruim, en wellicht in bepaalde gevallen zelfs te ruim, geformuleerd is’.
M. van der Wulp, ‘Verhuur plus = verhuur in de BTW’, V-N 2020/18.0.
Op grond van art. 11 lid 1, onderdeel b, laatste alinea Wet OB wordt in Nederland onder de verhuur van onroerende goederen mede verstaan ‘iedere andere vorm waarin onroerende goederen voor gebruik, anders dan als levering, ter beschikking worden gesteld’. Deze zogenoemde ‘verhuuranalogie’ is aan een tweede leven bezig. Tot 1 januari 1979 werd in Nederland de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van beperkte zakelijke (gebruiks)rechten op onroerende goederen voor de duur van ten minste 10 jaar als een levering aangemerkt. De vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van beperkte zakelijke (gebruiks)rechten op onroerende goederen voor minder dan 10 jaar (hierna: kortlopende beperkte zakelijke (gebruiks)rechten) kwalificeerde daarom als een dienst. Om een ongelijke btw-behandeling van de verhuur van onroerende goederen enerzijds en de vestiging overdracht, wijziging, afstand en opzegging van kortlopende beperkte zakelijke (gebruiks)rechten op onroerende goederen anderzijds te voorkomen, werd onder de verhuur van onroerende goederen mede begrepen: iedere andere vorm waarin goederen voor gebruik ter beschikking worden gesteld, anders dan ten minste voor een vaste termijn van 10 jaren.1 Deze verhuuranalogie was dermate ruim geformuleerd dat zij (in ieder geval grammaticaal) niet beperkt was tot de vestiging van kortdurende beperkte zakelijke gebruiksrechten.2 Omdat de vrijstellingen tot de datum van de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn, in Nederland op 1 januari 1979, niet geharmoniseerd waren, was deze verhuuranalogie naar mijn mening niet in strijd met de Tweede Richtlijn.
Met ingang van 1 januari 1979 is de slotalinea van art. 11 lid 1, onderdeel b Wet OB geschrapt. De wetgever meende dat aan de gelijkstelling van de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van kortlopende beperkte zakelijke genotsrechten met verhuur eigenlijk nooit behoefte had bestaan door de invoering van de optie voor belaste verhuur.3 In de toelichting op het schrappen van de verhuuranalogie werd tevens opgemerkt dat het ‘overigens de vraag is of art. 13, B, onderdeel b van de Zesde Richtlijn (thans: art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn) ruimte biedt voor een dergelijke gelijkstelling’.4 De wetgever zag bij het schrappen van de verhuuranalogie echter over het hoofd dat de optie voor belaste verhuur in Nederland niet mogelijk was (en is) voor de verhuur van woonruimte (zie paragraaf 7.7.5.3). Door het schrappen van de verhuuranalogie werd het – vanwege de btw-aftrek op de bouwkosten en/of het voorkomen van de destijds bestaande integratieheffing – voordelig een kortlopend beperkt zakelijk gebruiksrecht op nieuwe woningen te vestigen (een recht van erfpacht of vruchtgebruik) in plaats van deze woonruimte te gaan verhuren.5 De wetgever heeft die deur met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995, 18.00 uur weer gesloten door de ‘vergoedingsvoorwaarde’ in art. 3 lid 2 Wet OB (zie paragraaf 4.2.6.4.3.3) in combinatie met de thans geldende verhuuranalogie.6 Het verschil met de oude verhuuranalogie is dat de temporele beperking ontbreekt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat bewust is afgezien van een beperking van de verhuuranalogie tot de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van kortlopende beperkte zakelijk rechten die op grond van art. 3 lid 2 Wet OB als een dienst kwalificeren:
“Voor de wettelijke uitwerking van de hiervoor bedoelde verhuuranalogie is – afgezien van de beperking in de tijd – gekozen voor een omschrijving van het begrip 'verhuur' zoals die in artikel 11 van de wet voorkwam tot en met 1978. Een voordeel van een dergelijke omschrijving is dat ook gevallen van terbeschikkingstelling van onroerende zaken, die niet onder de 'echte' verhuur (de verhuurovereenkomst uit het civiele recht) en ook niet onder een beperkt recht kunnen worden gebracht, toch als verhuur van onroerende zaken worden behandeld. Het moet immers niet uitgesloten worden geacht dat partijen bij een beperkte omschrijving voor constructiedoeleinden zullen zoeken naar dergelijke vormen van terbeschikkingstelling van onroerende zaken.”7
Van de eerder geuite twijfel of (thans) art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn ruimte biedt voor deze verhuuranalogie is in voormeld citaat niets meer te bespeuren.8 Daarnaast blijkt uit voormeld citaat dat de notie dat het begrip ‘verhuur’ een uniebegrip is ten enenmale ontbreekt.9 Duidelijk is dat de wetgever de verhuuranalogie niet alleen wenste toe te passen op de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van beperkte zakelijke (gebruiks)rechten die op grond van art. 3 lid 2 Wet OB als een dienst kwalificeren, maar ook op handelingen die op grond van het Nederlandse civiele recht niet kwalificeren als verhuur en evenmin kwalificeren als de vestiging e.d. van een beperkt zakelijk gebruiksrecht.10 De verhuuranalogie beoogt derhalve een te beperkte toepassing van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed te bestrijden door een verruiming van het begrip ‘verhuur’. Hoewel de bewoordingen van art. 11 lid 1, onderdeel b, laatste alinea Wet OB suggereren dat iedere feitelijke terbeschikkingstelling van onroerend goed voor gebruik kwalificeert als verhuur, is zo’n ruime uitleg van de verhuuranalogie door de wetgever niet beoogd. De verhuuranalogie is enkel van toepassing op ‘diensten die erin bestaan dat de afnemer de bevoegdheid verkrijgt of gerechtigd wordt om het genot van het onroerend goed te kunnen hebben en niet op een prestatie die louter meebrengt dat een gebouw weer feitelijk voor gebruik beschikbaar komt, zoals het (weer) in gebruik geven of voor gebruik vrijgeven van onroerend goed nadat een ondernemer een verbouwing of renovatie heeft uitgevoerd’.11 Hieruit is af te leiden dat de verhuuranalogie uitsluitend van toepassing is op een belastbare dienst die inhoudt dat de afnemer een exclusief gebruikrecht op een bepaald (deel van een) onroerend goed wordt verleend.
In de zaak Stichting Goed Wonen I heeft de Hoge Raad het Hof van Justitie de prejudiciële vraag gesteld of ‘art. 13, B, aanhef en onderdeel b en art. 13, C, aanhef en onderdeel a van de Zesde Richtlijn aldus uitgelegd moeten worden dat het de nationale wetgever vrijstaat onder de begrippen 'verhuur en verpachting' naast verhuur en verpachting in civielrechtelijke zin mede te begrijpen iedere andere vorm waarin onroerende zaken voor gebruik, anders dan als levering, ter beschikking worden gesteld’.12 Het Hof heeft deze vraag niet beantwoord, maar slechts duidelijk gemaakt dat (thans) art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn niet in de weg staat aan art. 11 lid 1, onderdeel b, laatste alinea Wet OB, op grond waarvan voor de toepassing van de vrijstelling de vestiging, voor een beperkte tijdsduur, van een recht van vruchtgebruik op een onroerend goed gelijkgesteld wordt met de verhuur van dat goed.13 Niettemin volgt (ook) uit dit arrest dat het begrip ‘verhuur’ een uniebegrip is.14 Diensten die op grond van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn niet als verhuur kwalificeren, mogen derhalve niet op grond van de verhuuranalogie in art. 11 lid 1, onderdeel b, laatste alinea Wet OB als verhuur worden beschouwd.15 De belastbare vestiging van een beperkt zakelijk (gebruiks)recht, zoals een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik, die op grond van art. 3 lid 2 Wet OB kwalificeert als een dienst of een andere belastbare dienst die bestaat in het verlenen van een exclusief gebruiksrecht op een onroerend goed, is derhalve slechts een verhuurdienst indien deze handeling de kenmerkende elementen heeft van het uniebegrip verhuur, zoals in de zaak Stichting Goed Wonen I het geval was.16 De verhuuranalogie van art. 11 lid 1, onderdeel b, laatste alinea Wet OB mist die nuance. Van Zadelhoff stelt dan ook terecht dat de laatste alinea van art. 11 lid 1, onderdeel b Wet OB niet de vangnetbepaling is die de bewoordingen suggereren.17
Door de richtlijnconforme uitleg van het begrip ‘verhuur’ wordt aan de verhuuranalogie slechts toegekomen indien sprake is van een dienst die inhoudt dat de afnemer een exclusief gebruikrecht op een bepaald (deel van een) onroerend goed wordt verleend, maar op grond van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn niet als verhuur kwalificeert.18 Hierbij kan gedacht worden aan de overdracht van een erfpacht- of opstalrecht op grond die op grond van art. 3 lid 2 Wet OB niet als een levering kwalificeert. De bewuste verruiming van het begrip ‘verhuur van onroerend goed’ door de wetgever om een te beperkte toepassing van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed te bestrijden, heeft naar mijn mening verdergaande consequenties. Ook diensten die kwalificeren als een belaste prestaties sui generis (‘verhuur plus’), zoals het gelegenheid geven tot raamprostitutie of een theatervoorstelling, zijn diensten die op grond van de verhuuranalogie kunnen kwalificeren als de verhuur van onroerend goed die in beginsel is vrijgesteld van btw-heffing. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijk resultaat niet richtlijnconform is (zie paragrafen 7.4.3.3 en 7.5.2.3).19 De wetgever doet er naar mijn mening dan ook verstandig aan om de verhuuranalogie te schrappen.20