Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/3.4.3.3
3.4.3.3 De opdrachtnemer brengt als hulppersoon een wanprestatie van de opdrachtgever tegenover een derde teweeg (artikel 6:76 BW)
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855369:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze studie ga ik ervan uit dat de opdrachtnemer de opdracht volledig zelf (in persoon) uitvoert en dus geen hulppersoon inschakelt (zie par. 1.2). Daarom behandel ik dit leerstuk uitsluitend vanuit het perspectief dat de opdrachtnemer de hulppersoon is (en dus niet dat hij een hulppersoon inschakelt). Om die reden ontbrak een bespreking van dit leerstuk in par. 3.4.2, die betrekking had op de situatie waarin de opdrachtnemer schade aan de opdrachtgever toebrengt.
Een voorbeeld waaraan kan worden gedacht, is als een bedrijf een overeenkomst met X sluit om zijn pand schoon te maken, waarna de opdrachtnemer aan de onderkant door X wordt gestuurd of meegenomen om de schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren. Terminologisch gezien is in dit voorbeeld het bedrijf de opdrachtgever, X de opdrachtnemer en de opdrachtnemer aan de onderkant de hulppersoon. De opdracht behoort namelijk toe aan de opdrachtnemer, die voor de opdracht verantwoordelijk is en ook blijft als hij (bevoegdelijk) een ander inschakelt om de opdracht uit te voeren (art. 7:404 BW); in dit voorbeeld is dat X. In de praktijk kan X dus ‘opdrachtgever’ en ‘opdrachtnemer’ tegelijk zijn, namelijk opdrachtgever van de opdrachtnemer aan de onderkant en opdrachtnemer van het bedrijf. Vanuit de invalshoek van dit onderzoek bezien is het bedrijf de derde, nu de verhouding tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer aan de onderkant in deze studie centraal staat. Om die reden noem ik het bedrijf de derde, X de opdrachtgever en is de opdrachtnemer aan de onderkant de hulppersoon, ondanks het feit dat dit terminologisch dus niet helemaal zuiver is.
Hierbij valt te denken aan het persoonlijk moeten verrichten van de prestatie ex art. 7:404 BW.
Art. 6:76 BW maakt geen onderscheid tussen deze twee opdrachtnemers. Wel kan dit verschil van belang zijn in het geval dat de derde zich tot de opdrachtnemer wendt.
De gedragingen van deze hulppersoon mogen niet kunnen worden vereenzelvigd met die van de schuldenaar zelf of op een andere manier als een gedraging van de schuldenaar zelf hebben te gelden, aangezien dan geen sprake is van een hulppersoon in de zin van art. 6:76 BW (dit vormt een analoge toepassing van HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595 (Kleuterschool Babbel), welk arrest zag op een gepleegde onrechtmatige daad (Asser/Sieburgh 6-I 2020/350)).
De kring van personen die als hulppersoon kwalificeren, moet niet te ruim worden getrokken. Het gaat alleen om de personen van wie gebruik is gemaakt bij de uitvoering van de verbintenis ten aanzien waarvan de aansprakelijkheid in het geding is (HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0657 (Geldnet/Kwantum); HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0828 (Nationale-Nederlanden/’t Witte Paerdje c.s.)). Of aan dit criterium is voldaan, zal afhangen van de inhoud van die verbintenis (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 271). Daarbij komt het aan op hetgeen partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden hebben mogen afleiden (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2245 (S./Tandarts B.)).
Partijen kunnen hierover andere afspraken hebben gemaakt, aangezien art. 6:76 BW van regelend recht is. Zie voor de toelaatbaarheid van een dergelijke exoneratie par. 3.4.1 onder het kopje ‘Exoneratiebedingen’.
Op basis van de parlementaire geschiedenis kwam de HR tot verschillende ratio’s van art. 6:76 BW (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903 (B./W.), onder verwijzing naar o.a. Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 269), waaronder in ieder geval de profijtgedachte en slachtofferbescherming.
Memelink 2009, p. 176 en 283 e.v.
Als die handeling van de opdrachtnemer ook resulteert in wanprestatie van de opdrachtgever (en dus los daarvan een onrechtmatige daad oplevert), kan de derde de opdrachtgever zowel contractueel (art. 6:76 BW) als buitencontractueel (art. 6:170-171 BW) aanspreken.
HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7496 (Wierts/Dakdekkersbedrijf K. Visseren e.a.).
Voor deze aansprakelijkheid moet worden gekeken naar de hypothetische situatie of de opdrachtgever (schuldenaar) aansprakelijk zou zijn geweest als hij zelf de gewraakte gedraging had verricht (art. 6:75 BW) (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 266). Dit betekent o.a. dat als hij zich in het hypothetische geval dat hij zelf de werkzaamheden had verricht, op overmacht zou kunnen beroepen, dit in principe nu ook kan. Dat is overigens niet in alle gevallen zo, bijv. als de opdrachtgever (schuldenaar) een verwijt valt te maken dat hij niet een andere opdrachtnemer (hulppersoon) heeft ingeschakeld.
Toepassing van de regel ex art. 6:76 BW kan ook stuiten op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 jo. art. 6:248 lid 2 BW) (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903 (B./W.)).
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 269; De Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW nr. B33) 2017/15.3; Asser/Sieburgh 6-I 2020/349.
Art. 6:76 BW is van regelend recht.
In de vorige twee paragrafen stond de buitencontractuele aansprakelijkheid van de opdrachtgever centraal (artikel 6:170-171 BW). In deze paragraaf richt ik mij op de situatie waarin de opdrachtgever wanprestatie pleegt tegenover de derde (zijn wederpartij) door handelen of nalaten van de opdrachtnemer. De opdrachtgever die bij de uitvoering van de opdracht met de derde (zijn wederpartij) (gedeeltelijk) gebruikmaakt van de opdrachtnemer aan de onderkant (die dan als hulppersoon wordt gezien),1 is voor de gedragingen van deze opdrachtnemer op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk (artikel 6:76 BW), ongeacht of die opdrachtnemer de werkzaamheden al dan niet in ondergeschiktheid uitvoert.2 De aansprakelijkheid voor hulppersonen (artikel 6:76 BW) is een toepassing van toerekenbaarheid krachtens de wet (artikel 6:75 BW) en ziet uitsluitend op een tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting. Vereist is dat (i) de opdrachtgever (schuldenaar) geen schuld treft,3 (ii) de tekortkoming (in de zin van artikel 6:74 BW) is ontstaan door de gedraging van een (ondergeschikte of niet-ondergeschikte)4 opdrachtnemer (hulppersoon)5 en (iii) deze opdrachtnemer (hulppersoon) werd gebruikt ter uitvoering van een verbintenis.6 Dit heeft tot gevolg dat de opdrachtgever, op wie een verplichting tot nakoming van een verbintenis tegenover de derde (zijn wederpartij) rust, zich in beginsel7 niet kan verschuilen achter de tekortkomingen van de hulp die hij heeft ingeschakeld.8 Naast de bescherming voor de derde wordt met artikel 6:76 BW expliciet ter uitdrukking gebracht dat de opdrachtnemer (hulppersoon) niet aansprakelijk kan zijn voor wanprestatie van de opdrachtgever tegenover de derde, ook niet als die wanprestatie is ontstaan door een gedraging van de opdrachtnemer, waar de profijt- en beïnvloedingsgedachte aan ten grondslag ligt.9 Deze bescherming geldt voor alle opdrachtnemers. De opdrachtnemer is tegenover de derde pas aansprakelijk als zijn handeling leidt tot een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).10
De schuldeiser spreekt de hulppersoon aan
De derde (schuldeiser) kan de opdrachtnemer (hulppersoon) in principe niet aanspreken op grond van wanprestatie (artikel 6:74 BW). Een contractuele band tussen deze twee zal immers meestal niet bestaan. Wel kan de opdrachtnemer (hulppersoon) door de derde (schuldeiser) worden aangesproken op grond van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).11 De derde (schuldeiser) zal zich doorgaans primair tot de opdrachtgever (schuldenaar) wenden, omdat aan de aansprakelijkheid van artikel 6:76 BW minder hoge eisen worden gesteld dan aan de onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW en de opdrachtgever (schuldenaar) meestal kapitaalkrachtiger is dan de opdrachtnemer aan de onderkant (hulppersoon). De derde (schuldeiser) zal daarom vaak pas de opdrachtnemer (hulppersoon) aanspreken als de opdrachtgever (schuldenaar) niet aansprakelijk is vanwege overmacht (artikel 6:75 BW),12 dan wel op grond van een rechtshandeling (zoals een exoneratiebeding) of de verkeersopvattingen.13 Hoewel het begrip ‘hulppersoon’ geen verschil maakt tussen ondergeschikten en niet-ondergeschikten,14 is dat onderscheid in dit kader wel relevant: naast de schuldenaar kan namelijk slechts de ondergeschikte hulppersoon zich op deze exoneratie beroepen als ware hijzelf partij bij de overeenkomst is (artikel 6:257 BW) (zie paragraaf 3.4.3.1).15 De niet-ondergeschikte hulppersoon is voor zijn bescherming in dit verband aangewezen op zijn contractuele afspraak met de opdrachtgever (schuldenaar), waarin hij zich van aansprakelijkheid heeft gevrijwaard. Zo’n exoneratiebeding kan hij onder omstandigheden ook inroepen ten nadele van de derde (schuldeiser) (zie paragraaf 3.4.3.1). Bij gebreke van zo’n exoneratiebeding is de opdrachtnemer voor bescherming afhankelijk van de rechterlijke billijkheidscorrectie (artikel 6:101 lid 1 BW) of matigingsbevoegdheid (artikel 6:109 lid 1 BW) (zie paragraaf 3.4.3.2).