Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/12.4
12.4 Burgerschapsvorming codificeerbaar in de Wpo, Wec en Wvo (2020): conclusies
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976953:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
B.P. Vermeulen, Constitutioneel onderwijsrecht, Amsterdam: Elsevier b.i. 1999, p. 57, 85-88 en P. Zoontjens, Onderwijsrecht. Eenheid in verscheidenheid, Den Haag Boom ju, p. 22-30; J.A. de Boer, De vaststelling en handhaving van deugdelijkheidseisen in het onderwijs, Den Haag: Boom ju, 2021.
M. Vermeulen e.a., De moed tot zelfspot. Burgerschap in het onderwijs, Oud-Turnhout: Gompels Svacina 2019, p. 14-24.
Onderwijsraad, Grenzen stellen, ruimte laten, Den Haag: OR 2021 en De kwaliteitsnormerende functie van deugdelijkheidseisen ten behoeve van advies Onderwijsraad over artikel 23 Gw in maatschappelijk perspectief, Den Haag: Onderwijsraad 2012.
Kamerstukken II 2019/20, 35352, nr. 4, p. 18 (Raad van State en Nader Rapport).
Burgerschap is adequaat codificeerbaar in de volgende driedeling van aan te brengen competenties voor de persoonlijke identiteitsvorming (Bildung) van leerlingen binnen de deugdelijkheidseisen en bekostigingsvoorwaarden in artikel 23, lid 5 en 6 Gw en de grenzen van de democratische rechtsstaat.1
Om ons te beperken tot de deugdelijkheidseisen in artikel 23 lid 5 Gw zijn er dus drie niveaus (zoals ook door de Onderwijsraad en de Raad van State voorgestaan) te onderscheiden, waarop door de overheid (meer dan technisch) gestuurd kan worden:
Het KENNEN: het realiseren van democratische kennis/inzicht, onder meer van/in de constitutionele rechtsbeginselen.
Zulks is onproblematisch – in principe namelijk niet normatief – en ziet op het weten, essentieel in het licht van het bijbrengen van democratisch burgerschap.
Het KUNNEN: in de vorm van het realiseren van bepaalde sociaal-communicatieve vaardigheden: luisteren naar anderen, kunnen discussiëren, je in de discussie althans theoretisch kunnen verplaatsen in anderen, en erkennen dat er andere standpunten/visies zijn dan die van jou zelf, die in de Nederlandse rechtsorde evenzo een plaats mogen hebben.2
Dit is een vorm van kunnen welke een minimum aan tolerantie voor anderen voorschrijft; mijns inziens een voorwaarde voor vreedzaam samenleven.3 Wat mij betreft, zijn de sociaalcommunicatieve vaardigheden grondwettelijk en rechtsstatelijk toelaatbaar. In zoverre gaat het om minima moralia (levenskunst, levensfilosofie, savoir vivre), een attitude/houdingsvorming die de overheid mag (en afgrensbaar wellicht ook moet) voorschrijven voor een geordende plurale samenleving. Tegelijkertijd moet bij de vormgeving van dit basale ‘tolerantiestreven’ grote (empathische pedagogische) ruimte zijn voor de diverse openbare en bijzondere scholen.
Ook de Raad van State heeft in 2020 voor deze werkbare optie gepleit in zijn advies over de aanscherping van de burgerschapsopdracht4: de school maakt een plan over hoe zij een en ander denkt te (kunnen) realiseren en de inspectie oordeelt vervolgens op basis van het Toezichtkader over de plausibiliteit van het plan en de wijze waarop daaraan binnen de grenzen van de burgerschapsopdracht vorm en inhoud is gegeven.
Het MOGEN/MOETEN: het realiseren van het actief onderschrijven van de principes van de liberale rechtsstaat, lhbtiq-aanvaarding etc. Dat lijkt mij een brug te ver, immers in strijd met de vrijheid van richting (artikel 23 Gw) en met de rechtsstatelijke vereisten. Zoals uit het gehele voorgaande moet blijken, ben ik er voorstander van dat onderwijs zich inspant opdat leerlingen actief de fundamentele waarden van de rechtsstaat omarmen.
Tegelijkertijd denk ik dat dat slechts een toegift kan zijn, iets extra’s, waarop de overheid niet mag sturen. Het is mooi als leerlingen opgevoed worden en opgroeien tot actieve, empathische burgers die de rechtsstaat omarmen. Ik meen weliswaar dat scholen de ruimte moeten hebben om zich daarvoor in te spannen. Maar de overheid gaat te ver als zij dat dwingend oplegt. Het is al heel wat, als scholen niet alleen in staat zijn om basale kennis van de democratische rechtsstaat bij te brengen, maar ook een cultuur van dialoog en communicatieve vaardigheden weten te realiseren. Zulke vaardigheden stellen leerlingen in staat de opvattingen van de ander, hoewel zij het daar zelf niet mee eens zijn, ten minste te zien als mogelijke alternatieve zienswijzen – ook/zelfs als zij het er niet mee eens zijn.