Mededinging en verzekering
Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/5.5.2.4:5.5.2.4 Restconcurrentie
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/5.5.2.4
5.5.2.4 Restconcurrentie
Documentgegevens:
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183517:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de vierde voorwaarde van de vrijstellingsregeling gaat het erom dat een kartelafspraak de betrokken ondernemingen niet de mogelijkheid mag bieden om de concurrentie voor een wezenlijk deel uit te schakelen. Of hiervan sprake is, wordt beoordeeld door te onderzoeken of de concurrentie door de kartelafspraak is verzwakt. Daarbij geldt dat hoe sterker de concurrentie op de betrokken markt reeds is verzwakt, des te geringer de verdere verzwakking die nodig is om de mededinging uit te schakelen in de zin van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag.1 De toepassing van het vierde vereiste van de vrijstellingsregeling vereist, volgens de Europese Commissie, een analyse van de diverse bronnen van concurrentie op de markt, de omvang van de concurrentiedruk die ervan uitgaat en de impact van de overeenkomst op de concurrentiedruk.2 De marktaandelen van de verzekeraars kunnen daarbij een rol spelen. Wanneer de kartelafspraak de uitschakeling met zich meebrengt van de prijsconcurrentie kan niet worden voldaan aan de vierde voorwaarde van de vrijstellingsregeling.3
Wat betekent dit nu voor een beroep op de vrijstellingsregeling? In de kern gaat het erom dat de verzekeraars moeten kunnen aantonen dat de concurrentie niet (ernstig) wordt verzwakt door de praktijk van premieharmonisatie. Ik meen dat een dergelijk beroep een goede kans van slagen kan hebben. Bij de verzekering van coassurantie gaat het immers om een specifiek (groot) zakelijk risico dat onderling wordt verdeeld en waarbij voor de looptijd van de verzekeringsovereenkomst wordt afgesproken welke verzekeraars tegen welke aandelen het risico zullen dragen. Die aandelen kunnen per overeenkomst verschillen. Bovendien kan premieharmonisatie in het ene geval worden gebruikt (door de makelaar) om een risico vol te tekenen maar hoeft dat in een andere situatie niet zo te zijn. Een leider bij de ene verzekering kan een volger zijn bij een andere verzekering. Een makelaar kan in een bepaald geval door (bijv. vanwege capaciteitsproblemen) tekening sturen op grondslag van eenzelfde premie, en op een ander moment zelfstandige premies van volgers noteren (de zogenoemde Bipar-polis). Beide situaties kunnen zich voordoen, zoals ook bleek uit de beschrijving onder 5.2.1.1. Premieharmonisatie is dus geen algehele marktpraktijk en kan daarom naar mijn overtuiging in concrete gevallen geen grote gevolgen hebben voor de mededinging tussen de verzekeraars op de coassurantiemarkt.
Kort gezegd zal daarom aan de vierde voorwaarde van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag juist wel voldaan zijn.