Mededinging en verzekering
Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/5.5.2.3:5.5.2.3 Onmisbaarheid van de beperkingen
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/5.5.2.3
5.5.2.3 Onmisbaarheid van de beperkingen
Documentgegevens:
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183543:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 81 lid 3 van het Verdrag, punt 74.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De derde voorwaarde van artikel 101 lid 3 van het Werkingsverdrag is dat de beperkingen niet onmisbaar mogen zijn om de efficiëntieverbeteringen te bereiken. Dit houdt in dat onderzocht moet worden of een kartelafspraak (en de daaruit voortvloeiende beperkingen) op zich noodzakelijk is om de efficiëntieverbeteringen te behalen. Daarbij is de vraag niet of de overeenkomst zonder de beperking niet zou zijn gesloten maar of met de overeenkomst méér efficiëntieverbeteringen worden gerealiseerd dan zonder de overeenkomst.1 Volgens de Europese Commissie is een beperking onmisbaar wanneer het ontbreken van de beperking de uitschakeling of de aanzienlijke vermindering meebrengt van de efficiëntie verbeteringen welke uit de overeenkomst voortvloeien, dan wel het aanzienlijk minder waarschijnlijk maakt dat deze efficiëntieverbeteringen zich zullen voordoen.
Toegepast op de praktijk van premieharmonisatie is dus de vraag of het hanteren van dezelfde premies tussen de leider en volgers onmisbaar is om de efficiëntieverbeteringen (lagere kosten, snellere acceptatie etc.) te realiseren. Deze vraag dient beantwoord te worden binnen het feitelijke kader waarin de overeenkomst functioneert, waarbij rekening moet worden gehouden met de structuur van de markt, de aan de overeenkomst verbonden economische risico’s en de prikkels waarmee partijen te maken hebben. Zoals ik in par. 5.5.1.2 aan de orde stelde, kan premieharmonisatie bij coassurantie vanuit (spel)theoretisch perspectief gepaard gaan met ongewenste prikkels. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de groep van (potentiële) leidende verzekeraars klein kan zijn en premieharmonisatie hen in staat kan stellen om invloed uit te oefenen op de concurrentie tussen de volgverzekeraars (waaronder zich afgevallen leiders kunnen bevinden). Naar mijn overtuiging zal premieharmonisatie niet noodzakelijk zijn om de voordelen van coassurantie te kunnen realiseren. Ook bij afzonderlijke premies tussen de leider en volgers (wat zoals bleek uit par. 5.1.2.3 steeds vaker voorkomt; het sluiten op basis van een Bipar-polis) kunnen de (kosten)voordelen van coassurantie worden behaald. Premieharmonisatie lijkt daarvoor niet noodzakelijk te zijn. Alhoewel sprake kan zijn van een marktgebruik lijkt deze niet de mededinging te bevorderen. Daarbij moet ook worden bedacht dat premieharmonisatie noodzakelijkerwijs inhoudt dat de prijs van de leider wordt bekendgemaakt aan de volgverzekeraars (die op basis van die prijs inschrijven). Dit aspect van informatie-uitwisseling dat aan premieharmonisatie ten grondslag ligt, maakt het niet waarschijnlijk dat de beperkingen onmisbaar zullen zijn. Zonder dat aspect kunnen de premies mijns inziens niet gealigneerd worden, gesteld dat aan voorwaarden één en twee is voldaan.
Geconcludeerd kan worden dat premieharmonisatie niet zal voldoen aan de derde voorwaarde van de uitzonderingsregeling. Hoewel daarmee dus eigenlijk al vaststaat dat geen ruimte bestaat voor een beroep op de uitzonderingsregeling (er is immers sprake van een cumulatief karakter) bespreek ik voor de volledigheid hieronder nog wel het vierde vereiste: de restconcurrentie.