Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/2.2.1
2.2.1 Rechtspersoon en rechtspersoonlijkheid
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306105:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Schild 2015, par. 1.1.
Zo ook: Raaijmakers 2015, par. 2.2.3 en Van Dongen 1995, p. 2.
Vgl. Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs 1993, p. 713.
Vgl. HR 11 november 2005, NJ 2007, 231 (Voorsluijs) en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nrs. 55 en 136 alwaar wordt opgemerkt dat rechtspersoonlijkheid “een categorie van het recht” is.
Van Schilfgaarde 1986, p.1; Van Dongen 1995, p. 2 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 67.
Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Voor het afleggen van een verklaring – in welke vorm ook (art. 3:37 BW) – is menselijk handelen vereist. Zo ook: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 326. Vgl. Glasz, Beckman en Bos 1994, p. 21.
Bartman 1989, p. 1 en Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs 1993, p. 713.
De Valk 2009, p. 2.
Van der Heijden en Van der Grinten 1992, nr. 52.
Anders Bainbridge en Henderson 2016, p. 5: “A corporation, such as […], is therefore declared to be an entity, but in reality, it is just a fiction.”
Het is overigens niet zo dat elke rechtspersoon exclusief aansprakelijk is voor de eigen schulden. Zo bepaalt art. 2:30 lid 2 BW dat bestuurders van een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte hoofdelijk naast die vereniging verbonden zijn voor schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur opeisbaar worden.
Vgl. Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs 1993, p. 713 en Van Dongen 1995, p. 1.
Zo ook: Van Schilfgaarde 1970, p. 9. Anders: Van Dongen 1995, p. 3.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 469.
De Valk 2009, p. 2 wijst erop dat een rechtspersoon zelf heel goed kan nalaten, aangezien daarvoor geen uitvoeringshandelingen van natuurlijke personen nodig zijn.
Vgl. Van Schilfgaarde 1986, p.1-2 en Huizink 1989, p. 111 en 112.
Alvorens in te gaan op de figuur van de rechtspersoon-bestuurder, is het van belang om te weten wat een rechtspersoon is. In art. 2:11 BW wordt (tweemaal) het begrip “rechtspersoon” gehanteerd. In Boek 2 BW zoekt men echter tevergeefs naar een definitie of een omschrijving van dat begrip. Evenmin wordt in Boek 2 BW het begrip “rechtspersoonlijkheid” toegelicht.
Een ietwat cryptische omschrijving van “rechtspersoonlijkheid” treft men aan bij Schild. Hij merkt ten aanzien van “rechtspersoonlijkheid” op dat het een concept is dat de mogelijkheid faciliteert om het ondernemingsrisico van de ondernemer naar de kapitaalverschaffer(s) te verplaatsen. Volgens Schild maakt het concept rechtspersoonlijkheid zo een meer efficiënte inzet van kapitaal mogelijk.1 Hoewel ik de strekking van voormelde omschrijving wel meen te begrijpen, geef ik er de voorkeur aan om de betekenis van (het hebben van) rechtspersoon(lijkheid) te beperken tot de constatering dat ‘iets’ eigen rechten en plichten kan hebben, een rechtsdrager is. Het zijn van een rechtspersoon (en daarmee het bezitter zijn van rechtspersoonlijkheid) houdt niet meer in dan het zijn van een – met een natuurlijk persoon vergelijkbaar – rechtssubject.2 Een rechtspersoon is dan ook een drager van eigen rechten en plichten, niet zijnde een natuurlijk persoon.3 Een rechtspersoon kan alleen die rechten en verplichtingen hebben die hem door of krachtens de wet worden toegekend. De rechtspersoon is een rechtsbegrip, een juridische constructie die ten dienste staat van het maatschappelijk en economisch verkeer.4 De rechtspersoon kan zelf– als ware het een natuurlijk persoon – aan dat verkeer deelnemen.5 Dat het verrichten van rechtshandelingen door een rechtspersoon rechtstreeks of middellijk geschiedt door natuurlijke personen als vertegenwoordigers van die rechtspersoon, staat los daarvan.6
Men kan de rechtspersoon op verschillende wijzen aanduiden, bijvoorbeeld als een “creatie van het recht”7, als een “juridische constructie”8, dan wel als een “vondst van het recht”9. De rechtspersoon is – anders dan soms wordt gesteld – mijns inziens echter géén fictie.10 Van een fictie is in het recht namelijk in het algemeen sprake indien een nieuwe regel wordt toegevoegd aan het recht door de bepaling dat bepaalde feitelijke omstandigheden anders worden geduid dan zij in werkelijkheid zijn. Dat gebeurt dan om op gemakkelijke wijze een bestaande regel toepasselijk te maken. Zo wordt de (mede-)beleidsbepaler in art. 2:248 lid 7 BW voor de toepassing van dat artikel gelijkgesteld met een bestuurder. Hij is geen bestuurder, maar wordt – dat is de fictie – als een bestuurder beschouwd. Indien de rechtspersoon een fictie zou zijn, dan zou men de rechtspersoon als een mens beschouwen. De rechtspersoon mag echter juist niet met de mens gelijkgesteld worden.11 In de rechtspersoon wordt het persoonsbegrip losgemaakt van de mens, althans in abstracte zin.12
Het nut van de juridische constructie dat een organisatie voor het recht als persoon wordt aangemerkt, ligt vooral in het feit dat daarmee die organisatie in vermogensrechtelijk opzicht met de mens op één lijn wordt gesteld.13 Het wezen van de rechtspersoon is dat het als rechtssubject zelfstandig drager kan zijn van rechten en verplichtingen. Een rechtspersoon kan vorderingen hebben, maar kan ook aansprakelijk worden gesteld. Dat wezen brengt mee dat een rechtspersoon zelf in beginsel14 exclusief aansprakelijk is voor eigen schulden (het “voorrecht van exclusieve aansprakelijkheid”), tenzij iets anders is bedongen of uit de wet het tegendeel voortvloeit.15 Overigens betreft die exclusieve aansprakelijkheid geen kenmerk van rechtspersoonlijkheid.16
De mede-aansprakelijkheid van anderen (bij de rechtspersoon betrokken personen) voor schulden van een rechtspersoon betreft uitzonderingsgevallen. Een en ander vindt een bevestiging in onder meer artt. 2:64/175 lid 1 BW. Die artikelen bepalen onder meer dat een aandeelhouder niet persoonlijk aansprakelijk is voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht. Ook een bestuurder van een rechtspersoon is in beginsel niet aansprakelijk voor het handelen en nalaten van de bestuurde rechtspersoon.17 De rechtspersoon is in formele zin zelfstandig. In materiële zin is de rechtspersoon afhankelijk van natuurlijke personen (zoals de bestuurders) voor het verrichten van handelingen.18 Om onbehoorlijk bestuur (zoveel mogelijk) te voorkomen, is de zogenoemde “misbruikwetgeving” in het leven geroepen. Die wetgeving heeft geen betrekking op het functioneren van de rechtspersoon, maar op de bestuurders van die rechtspersoon. Op grond van deze misbruikwetgeving wordt bekeken of een bestuurder de krachtens het rechtspersonenrecht aan hem toegedeelde taken naar behoren heeft verricht.19