Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/8.6.1
8.6.1 Inleiding
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949813:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met uitzondering van de artikelen 26 lid 3 en 44 lid 2.
Assink 2013, p. 1518-1519.
Dortmond 2020, p. 13 en Asser/Rensen 2-III 2022/301 en 313. In hoofdstuk 6.7.4.3 verwees ik ook al naar Overes, Van der Ploeg en Van Veen 2021, p. 166-167: “Kenmerkend voor de verhouding tussen coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij enerzijds en hun leden anderzijds is dat tussen hen twee soorten rechten en verplichtingen bestaan: de lidmaatschapsrechten en -verplichtingen en de rechten en verplichtingen uit de overeenkomsten die de rechtspersonen met de leden in hun bedrijven sluiten.”
Een verzekeraar met zetel in Nederland heeft de rechtsvorm van naamloze vennootschap, onderlinge waarborgmaatschappij of Europese vennootschap.1 Een onderlinge waarborgmaatschappij is een bij notariële akte als onderlinge waarborgmaatschappij opgerichte vereniging. Zij moet zich blijkens de statuten ten doel stellen met haar leden verzekeringsovereenkomsten te sluiten, een en ander in het verzekeringsbedrijf dat zij te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent.2 In de systematiek van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is de onderlinge waarborgmaatschappij een afzonderlijke rechtsvorm. Wel worden in art. 2:53a lid 1 BW de bepalingen van Titel 2 van Boek 2 BW (over verenigingen)3 van toepassing verklaard, voor zover daarvan in Titel 3 van Boek 2 BW (over coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) niet wordt afgeweken.4 In de wettelijke definitie van de onderlinge waarborgmaatschappij komt immers ook het element van ”vereniging” voor.
Degenen die een verzekeringsovereenkomst sluiten met een onderlinge worden daarvan in beginsel van rechtswege meteen ook lid. Dat is het gevolg van het in art. 2:62 onder a BW bepaalde:
“Zij die als verzekeringnemer bij een onderlinge waarborgmaatschappij een overeenkomst van verzekering lopende hebben, zijn van rechtswege lid van de waarborgmaatschappij. Bij de onderlinge waarborgmaatschappij die krachtens haar statuten ook verzekeringnemers die geen lid zijn mag verzekeren, kan van deze bepaling worden afgeweken.”
Uit dit lidmaatschap vloeien dan op grond van het in Titel 2 en Titel 3 van Boek 2 BW bepaalde voor de verzekeringnemer rechten en verplichtingen voort. In hoofdstuk 6.7.4.3 (in het hoofdstuk over advertenties in het kader van de Wft-procedure voor portefeuilleoverdracht) ben ik al kort ingegaan op advertenties die door onderlinge waarborgmaatschappijen op grond van art. 3:120 Wft worden geplaatst. Ik besprak daar hoe in dergelijke advertenties soms ook informatie wordt verstrekt over wat er na de portefeuilleoverdracht gebeurt met de overdragende onderlinge en/of de lidmaatschapsverhouding. Ik gaf daar ook voorbeelden van dergelijke teksten. Het verdient aanbeveling hoofdstuk 6.7.4.3 te (her)lezen voorafgaand aan het lezen van dit hoofdstuk 8.6.
Degene die een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten met een onderlinge waarborgmaatschappij heeft dus twee hoedanigheden, enerzijds de hoedanigheid van verzekeringnemer, en anderzijds de hoedanigheid van lid van de onderlinge waarborgmaatschappij.5 Zowel aan de hoedanigheid van verzekeringnemer, als aan de hoedanigheid van lid van de onderlinge waarborgmaatschappij, zijn rechten en verplichtingen verbonden. In het geval van een portefeuilleoverdracht of juridische fusie van een onderlinge waarborgmaatschappij heeft een lid van een onderlinge waarborgmaatschappij derhalve meer rechten dan degene die een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten met een verzekeraar die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap.